Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 26 oktober 2022
[Eiser A] , te [plaats B] , eiser
de korpschef van politie, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
en te blijven.Dat betekent dat ook tijdelijke werkzaamheden tot een toewijzing van een RAAF-aanvraag kunnen leiden, indien deze niet bedoeld zijn om tijdelijk te blijven. Voor het oordeel dat de toewijzing van de RAAF-aanvraag niet in de weg staat aan het toekennen van een waarnemingstoelage, vindt de rechtbank voorts steun in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 14 januari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:122. In deze uitspraak zijn de aanvragen van betrokkenen op grond van de RAAF toegewezen èn is betrokkenen over de periode van 1 januari 2016 tot de ingangsdatum van de plaatsing in de andere functie een waarnemingstoelage toegekend. De CRvB heeft in deze uitspraak geoordeeld dat ook in de periode van 1 januari 2013 tot 1 januari 2016 sprake was van het tijdelijk verrichten van een samenstel van werkzaamheden dat een andere, hoger gewaardeerde functie vormde dan de formele functie van betrokkenen en dat sprake was van waarneming in de zin van artikel 17 van Pro het Bbp. De rechtbank wijst verder op de uitspraak van de CRvB van 17 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1442, waarin is geoordeeld dat de omstandigheid van een waarnemingstoelage niet voldoende is om te concluderen dat aan de voorwaarden voor toepassing van de RAAF is voldaan en betrokkene uit de waarnemingsbesluiten redelijkerwijs niet kon en mocht afleiden dat de korpschef haar in het kader van de RAAF zonder meer zou plaatsen in de aangevraagde andere functie. De rechtbank is van oordeel dat, indien een waarnemingstoelage in de weg zou staan aan toewijzing van een aanvraag op grond van de RAAF, de aanvraag van de betrokkene in die zaak wel op die grond zou zijn afgewezen of de CRvB dit wel zou hebben geoordeeld.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
- draagt verweerder op om het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 178,- aan hem te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.518,-.
- wijst het verzoek om schadevergoeding toe en veroordeelt de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot het betalen van schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.000,-;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de door eiser gemaakte proceskosten in beroep tot een bedrag van € 379,50.