ECLI:NL:CRVB:2016:3093
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag maatschappelijke opvang op grond van de Wmo voor vreemdeling met toegang tot VBL
Betrokkene, een vreemdeling zonder geldige verblijfsstatus, verzocht om maatschappelijke opvang op grond van de Wmo nadat hij was geweigerd tot opvang in de Vluchthaven (VBL). Het college wees de aanvraag af en handhaafde dit besluit bij bezwaar. De rechtbank Amsterdam oordeelde dat betrokkene recht had op Wmo-opvang omdat opvang in een VBL geen voorliggende voorziening zou zijn.
In hoger beroep stelde betrokkene dat hij naast opvang ook recht had op leefgeld en dat de voorwaarde van medewerking aan vertrek onrechtmatig was. Het college voerde aan dat opvang in een VBL voldoende was en dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de sobere bed-bad-broodvoorziening maatschappelijke opvang was.
De Raad oordeelt dat opvang in een VBL als een voldoende voorliggende voorziening geldt die de noodzaak van Wmo-opvang wegneemt. De mogelijkheid om tegen weigering toegang tot de VBL beroep aan te tekenen bij de vreemdelingenrechter en uiteindelijk de Afdeling bestuursrechtspraak waarborgt de rechtsbescherming. De voorwaarde van medewerking aan vertrek doet niet af aan de beschikbaarheid van de VBL. Daarom wordt het hoger beroep van het college gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van betrokkene ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd omdat opvang in een VBL als voorliggende voorziening geldt.