ECLI:NL:CRVB:2017:625
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang voor vreemdeling zonder rechtmatig verblijf
Appellant, een vreemdeling zonder rechtmatig verblijf, verzocht het college van burgemeester en wethouders van Den Haag om een tijdelijke maatwerkvoorziening bestaande uit passende maatschappelijke opvang. Dit verzoek werd afgewezen omdat appellant niet beschikte over een geldige verblijfstitel. De rechtbank bevestigde deze afwijzing en oordeelde dat opvang in een vrijheidsbeperkende locatie (VBL) een voorziening is die aan de Wmo voorafgaat, waardoor geen opvang op grond van de Wmo kan worden geboden.
Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat het koppelingsbeginsel van artikel 1.2.2 van de Wmo 2015 van toepassing is op maatschappelijke opvang en dat vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf niet met Nederlanders zijn gelijkgesteld op grond van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. De Raad bevestigde dat opvangvoorzieningen voor deze vreemdelingen onder de verantwoordelijkheid van de centrale overheid vallen en dat de staatssecretaris zorgt voor een toereikende invulling van verdragsrechtelijke verplichtingen.
De Raad verwees naar eerdere jurisprudentie waarin werd vastgesteld dat de opvang in een VBL als voldoende wordt beschouwd en dat geschillen over de feitelijke opvang buiten de Wmo aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State toekomen. De Raad concludeerde dat appellant geen aanspraak kan maken op een maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang op grond van de Wmo 2015 en bevestigde daarmee de aangevallen uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Appellant zonder rechtmatig verblijf kan geen aanspraak maken op maatschappelijke opvang op grond van de Wmo 2015; de afwijzing wordt bevestigd.