ECLI:NL:CRVB:2015:53
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening arbeidsongeschiktheid en voortzetting loonaanvullingsuitkering na bezwaar
Appellante, werkzaam als kraamverzorgende, viel in maart 2007 uit wegens rugklachten. Het UWV kende haar aanvankelijk een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Later werd deze herzien naar 21%, vervolgens vastgesteld op 23,06%, zonder gevolgen voor de uitkering. Appellante maakte bezwaar tegen deze herziening en tegen de beëindiging van de loonaanvullingsuitkering (LAU).
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat het onderzoek naar haar beperkingen zorgvuldig was en de voorgehouden functies geschikt waren. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen werden onderschat, met name haar psychische klachten, en dat de belasting van de functies haar mogelijkheden overschreed.
Het UWV vervolgde de LAU na bezwaar en stelde de arbeidsongeschiktheid op 80-100%. De Raad verruimde het begrip procesbelang, zodat ook belangen in andere rechtsverhoudingen, zoals pensioenpremies, in aanmerking worden genomen. De Raad oordeelde dat appellante belang heeft bij de beoordeling van haar gronden.
Inhoudelijk oordeelde de Raad dat de medische beperkingen niet zijn onderschat en dat de psychische klachten onvoldoende onderbouwd waren. De bezwaararbeidsdeskundige motiveerde voldoende dat de voorgehouden functies geschikt zijn. De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt afgewezen en het bestreden besluit bevestigd.