ECLI:NL:CRVB:2016:4860
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van beëindiging ZW-uitkering ondanks bezwaar werkgever wegens premiedifferentiatie
De zaak betreft het hoger beroep van een werkgever tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland over de beëindiging van een Ziektewet (ZW)-uitkering van een voormalige werkneemster. De werkgever betoogde dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) onvoldoende re-integratieactiviteiten had verricht en dat daardoor onterecht de ZW-uitkering werd voortgezet, wat gevolgen had voor de gedifferentieerde premie die de werkgever moest betalen.
De rechtbank had het beroep van de werkgever deels gegrond verklaard door het besluit tot beëindiging van de ZW-uitkering te vernietigen, maar de rechtsgevolgen van dat besluit in stand te laten. De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad oordeelt dat de werkgever als categoraal belanghebbende wel procesbelang heeft, maar dat het hoger beroep niet kan leiden tot een eerdere beëindiging van de uitkering dan per 16 december 2013.
De Raad onderschrijft dat de werkneemster gedurende de periode intensief behandeld werd en dat het Uwv regelmatig contact met haar had. Het ontbreken van een verzekeringsgeneeskundige beoordeling doet niet af aan de rechtmatigheid van het besluit. De Raad benadrukt dat het Uwv ook rekening moet houden met de belangen van werkgevers, maar dat het bezwaar tegen de beëindiging van de uitkering niet slaagt. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 14 december 2016.
Uitkomst: Het hoger beroep van de werkgever wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de ZW-uitkering per 16 december 2013 blijft in stand.