ECLI:NL:CRVB:2007:BB3024
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige intrekking van bijstand wegens niet tijdig aanleveren bankafschriften
Appellant ontving bijstand vanaf 1 januari 2004. Het College van B&W Utrecht besloot bij brief van 27 december 2005 de bijstand met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2004 in te trekken en de kosten van bijstand terug te vorderen wegens het niet tijdig aanleveren van bankafschriften en andere bewijsstukken. Appellant werd meerdere malen uitgenodigd voor gesprekken om de gevraagde stukken te overleggen, maar leverde deze niet binnen de gestelde termijnen aan.
De voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht verklaarde het beroep tegen het intrekkingsbesluit ongegrond. Appellant ging hiertegen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad oordeelde dat het College weliswaar bevoegd was het recht op bijstand op te schorten en uiteindelijk in te trekken op grond van artikel 54, vierde lid, WWB, maar dat het College bij de belangenafweging niet in redelijkheid tot de intrekking met terugwerkende kracht kon besluiten. Dit was in strijd met artikel 3:4, tweede lid, Awb.
Daarnaast werd geoordeeld dat het College het besluit tot terugvordering niet juist had gemotiveerd en dat het College een nieuw besluit op bezwaar moest nemen, waarbij het de toepassingsvoorwaarden van artikel 54, derde lid, WWB in acht moest nemen. De Raad veroordeelde het College tevens in de proceskosten en bepaalde dat het betaalde griffierecht aan appellant werd vergoed.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van bijstand met terugwerkende kracht wordt vernietigd en het College moet een nieuw besluit op bezwaar nemen.