Appellant exploiteert een agrarisch bedrijf en kreeg bestuurlijke boetes opgelegd wegens overschrijding van gebruiksnormen meststoffen in 2013 en 2014. De boetes werden deels gematigd door de rechtbank, maar appellant ging in hoger beroep.
Het College oordeelde dat het gebruik van niet-openbare nauwkeurigheidsmarges bij de boeteberekening het verdedigingsbeginsel schond, omdat appellant niet tijdig de mogelijkheid had om zich tegen de vaststellingen te verweren. Hierdoor konden de boetes voor 2013 niet gehandhaafd blijven. Daarnaast ontstond een inconsistent handhavingsregime doordat slechts een klein deel van de boetes werd gehandhaafd, afhankelijk van toevallige factoren zoals aan- of afvoer van mest, wat het verbod van willekeur schond.
Het College vernietigde de boetes voor 2013 en 2014, stelde lagere boetes vast voor administratieve overtredingen, en kende appellant een schadevergoeding van €2.500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn. Tevens werden proceskosten en griffierecht aan appellant vergoed. De uitspraak verving eerdere besluiten en benadrukte het belang van transparantie en gelijke behandeling in bestuursrechtelijke handhaving.