ECLI:NL:RVS:2026:2429
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking toestemming beveiliger wegens twijfel aan betrouwbaarheid bevestigd
De korpschef van politie verleende op 29 oktober 2019 toestemming aan een beveiligingsbedrijf om appellant als beveiliger te laten werken. Deze toestemming werd op 22 april 2022 ingetrokken vanwege twijfels over de betrouwbaarheid van appellant, gebaseerd op verdenkingen van mishandeling en openlijke geweldpleging, rijden onder invloed met ongeval, rijden zonder rijbewijs in een onverzekerd voertuig en een verkeersboete.
De rechtbank vernietigde het besluit van 23 augustus 2022 dat het bezwaar van appellant ongegrond verklaarde, omdat de motivering omtrent de verdenking van mishandeling en openlijke geweldpleging ontbrak. De rechtbank handhaafde echter de rechtsgevolgen van het besluit vanwege de ernst van de overige feiten.
In hoger beroep betoogde appellant dat de intrekking onterecht was en verwees naar jurisprudentie waarin soortgelijke feiten onvoldoende waren voor intrekking. De korpschef stelde dat de vrijspraak in de strafzaak niet zonder meer het bestuursrechtelijke besluit beïnvloedt.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de korpschef terecht het proces-verbaal mocht betrekken bij zijn besluit en dat de feiten samen een ernstige aantasting van de rechtsorde vormen. De intrekking is passend en noodzakelijk. Het hoger beroep van appellant werd ongegrond verklaard, het incidenteel hoger beroep van de korpschef gegrond, en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.
Uitkomst: De intrekking van de toestemming om als beveiliger te werken wordt bevestigd wegens onvoldoende betrouwbaarheid van appellant.