Belanghebbende maakte bezwaar tegen aanmaningskosten van €6 en diende een bezwaarschrift in. Zowel de Rechtbank als het Hof verklaarden het beroep ongegrond en bevestigden de aanmaningskosten. Belanghebbende vorderde voor het eerst in hoger beroep een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Het Hof oordeelde dat de totale duur van de procedure, vanaf het indienen van het bezwaar tot de uitspraak in hoger beroep, niet meer dan vier jaar bedroeg en dat de redelijke termijn niet was overschreden. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en verwijst naar de jurisprudentie dat de redelijke termijn voor de Rechtbank twee jaar is en voor het Hof eveneens twee jaar na instellen van het beroep.
Hoewel de Rechtbank de termijn met ruim drie maanden overschreed, werd dit gecompenseerd door de voortvarende behandeling in hoger beroep. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af. Er worden geen proceskosten toegewezen.