ECLI:NL:HR:2014:3562

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 december 2014
Publicatiedatum
11 december 2014
Zaaknummer
14/00797
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:73 AwbArt. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling overschrijding redelijke termijn en vergoeding immateriële schade in belastinggeschil

Belanghebbende maakte bezwaar tegen aanmaningskosten van €6 en diende een bezwaarschrift in. Zowel de Rechtbank als het Hof verklaarden het beroep ongegrond en bevestigden de aanmaningskosten. Belanghebbende vorderde voor het eerst in hoger beroep een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Het Hof oordeelde dat de totale duur van de procedure, vanaf het indienen van het bezwaar tot de uitspraak in hoger beroep, niet meer dan vier jaar bedroeg en dat de redelijke termijn niet was overschreden. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en verwijst naar de jurisprudentie dat de redelijke termijn voor de Rechtbank twee jaar is en voor het Hof eveneens twee jaar na instellen van het beroep.

Hoewel de Rechtbank de termijn met ruim drie maanden overschreed, werd dit gecompenseerd door de voortvarende behandeling in hoger beroep. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af. Er worden geen proceskosten toegewezen.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.

Uitspraak

12 december 2014
nr. 14/00797
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Den Haagvan 3 januari 2014, nr. BK-12/00508, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank te Den Haag (nr. AWB 10/3947) betreffende de hem in rekening gebrachte aanmaningskosten. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Het geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

2.Beoordeling van de klachten

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Bij beschikking heeft de Ontvanger aan belanghebbende aanmaningkosten van € 6 in rekening gebracht.
2.1.2.
Belanghebbende heeft op 3 maart 2010 een bezwaarschrift ingediend. De afwijzende uitspraak van de Ontvanger op dat bezwaar is gedagtekend 11 mei 2010.
2.2.1.
De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 20 juni 2012 ongegrond verklaard.
2.2.2.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bij uitspraak van 3 januari 2014 bevestigd.
2.2.3.
Belanghebbende heeft voor het eerst in hoger beroep aanspraak gemaakt op een vergoeding van immateriële schade geleden door de lange duur van de behandeling van het geschil.
2.2.4.
Naar aanleiding daarvan heeft het Hof geoordeeld dat vanaf de dag dat belanghebbende bezwaar heeft gemaakt tot de dag dat het Hof uitspraak doet niet meer dan vier jaren zijn verstreken. Het Hof is ervan uitgegaan dat de redelijke termijn niet is overschreden en heeft daarom het verzoek van belanghebbende om vergoeding van immateriële schade afgewezen.
2.2.5.
De klachten richten zich onder meer tegen het hiervoor in 2.2.4 vermelde oordeel van het Hof.
2.3.1.
Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn voor berechting van een belastinggeschil is overschreden gelden de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37984, ECLI:NL:HR:2005:AO9006, BNB 2005/337. De in aanmerking te nemen termijn begint op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift ontvangt. Als uitgangspunt geldt dat de redelijke termijn is overschreden indien de Rechtbank niet binnen twee jaar nadien uitspraak doet. Voor de berechting van de zaak in hoger beroep heeft als uitgangspunt te gelden dat het Gerechtshof uitspraak doet binnen twee jaar nadat het rechtsmiddel is ingesteld.
2.3.2.
Met betrekking tot de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn stelt de Hoge Raad voorop dat belanghebbende daarop eerst in hoger beroep aanspraak heeft gemaakt. Die omstandigheid staat er echter niet aan in de weg dat een dergelijke schadevergoeding wordt toegekend, ook voor zover zij betrekking heeft op de lange duur van de behandeling van het bezwaar en/of het beroep (vgl. HR 10 juni 2011, nr. 09/05112, ECLI:NL:HR:2011:BO5080, BNB 2011/233, en Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State 14 juli 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN1146, overweging 2.6.1).
2.3.3.
’s Hofs uitspraak en de stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat de Rechtbank niet binnen een termijn van twee jaar na aanvang van de termijn uitspraak heeft gedaan. De termijn van twee jaar is in die fase met ruim drie maanden overschreden. Zou belanghebbende reeds in de beroepsfase hebben verzocht om vergoeding van de daardoor geleden immateriële schade, dan had dit de Rechtbank aanleiding moeten geven om daarover te beslissen en, behoudens bijzondere omstandigheden, een vergoeding van immateriële schade toe te kennen. Indien in een zodanig geval in hoger beroep wordt geklaagd over die beslissing of over het ontbreken daarvan, is voor de beoordeling van die klachten niet van belang hoe voortvarend het hoger beroep is behandeld (vgl. Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State 4 maart 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH4667, AB 2009/236, overweging 2.9.3).
2.3.4.
Belanghebbende heeft niet in de beroepsfase, maar voor het eerst in hoger beroep verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. In een zodanig geval heeft te gelden dat de vraag of die termijn is overschreden door het hof moet worden beoordeeld naar de stand van het geding ten tijde van zijn uitspraak op het hoger beroep, waarbij de duur van de totale procedure tot dan toe in ogenschouw wordt genomen. Een voortvarende behandeling van het hoger beroep kan er in een zodanig geval dan ook toe leiden dat de overschrijding van de redelijke termijn door het bestuursorgaan en/of de rechtbank wordt gecompenseerd.
2.3.5.
Het oordeel van het Hof dat de onderhavige procedure tot en met de fase van het hoger beroep binnen een redelijke termijn is berecht, geeft geen blijk van miskenning van de hiervoor in 2.3.4 geformuleerde regels. De tegen dit oordeel gerichte rechtsklacht faalt daarom.
2.4.
De overige klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 12 december 2014.