Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2021:2548

Raad van State

Datum uitspraak
24 november 2021
Publicatiedatum
17 november 2021
Zaaknummer
202105615/1/A3 en 202105615/2/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:4 AwbArt. 7 Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureausArt. 8:81 AwbArt. 8:86 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking toestemming beveiligingswerkzaamheden wegens rijden onder invloed niet redelijk

De korpschef van politie trok op 24 juni 2020 de toestemming in die aan het MBO Amersfoort was verleend om appellante beveiligingswerkzaamheden te verrichten, vanwege een strafbeschikking voor rijden onder invloed van alcohol op 13 maart 2020. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze intrekking ongegrond en oordeelde dat de korpschef in redelijkheid had gehandeld.

Appellante stelde dat zij niet onbetrouwbaar is, mede omdat het CBR geen alcoholmisbruik had vastgesteld, zij een educatieve cursus had gevolgd en het OM een lagere straf had opgelegd. De Raad van State overwoog dat hoewel rijden onder invloed een ernstige aantasting van de rechtsorde is en hogere eisen aan beveiligers worden gesteld, de intrekking in dit geval onevenredig is vanwege haar blanco strafblad, de cursus, begeleiding tijdens stage en haar jonge leeftijd.

De Raad van State vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, herroept het intrekkingsbesluit en bepaalt dat de toestemming voor beveiligingswerkzaamheden wordt hersteld. Tevens veroordeelde de Raad de korpschef tot vergoeding van proceskosten. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen omdat het hoger beroep hiermee is afgerond.

Uitkomst: De intrekking van de toestemming voor beveiligingswerkzaamheden wordt vernietigd en de toestemming wordt hersteld.

Uitspraak

202105615/1/A3 en 202105615/2/A3.
Datum uitspraak: 24 november 2021
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) en, met toepassing van artikel 8:86 van Pro die wet, op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden­Nederland van 30 juni 2021 in zaak nr. 21/423 in het geding tussen:
[appellante]
en
de korpschef van politie.
Procesverloop
Bij besluit van 24 juni 2020 heeft de korpschef de aan het MBO Amersfoort ten behoeve van [appellante] verleende toestemming tot het verrichten van beveiligingswerkzaamheden ingetrokken.
Bij besluit van 10 december 2020 heeft de korpschef het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 30 juni 2021 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Tevens heeft [appellante] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De korpschef heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellante] heeft een nader stuk ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 4 november 2021, waar [appellante], bijgestaan door mr. K. de Vaan, advocaat te Amsterdam, en de korpschef, vertegenwoordigd door M.J. Telderman, zijn verschenen.
Overwegingen
1.       In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
2.       De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak.
3.       [appellante] volgde de opleiding tot particulier beveiliger aan het MBO Amersfoort. De korpschef heeft in verband met die opleiding aan het MBO Amersfoort op 2 december 2019 toestemming verleend om [appellante] tot 1 december 2022 beveiligerswerkzaamheden te laten verrichten. Op 13 maart 2020 heeft [appellante] onder invloed van alcohol auto gereden. Hiervoor heeft zij een strafbeschikking van € 400 en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 75 dagen opgelegd gekregen. Volgens de korpschef is [appellante] door dit feit onvoldoende betrouwbaar gebleken om beveiligingswerkzaamheden te verrichten. Hij heeft daarom de verleende toestemming ingetrokken en dit besluit in bezwaar gehandhaafd.
4.       De rechtbank heeft geoordeeld dat de korpschef in redelijkheid de toestemming mocht intrekken. Rijden onder invloed is een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde. [appellante] heeft bijna zeven keer de toegestane hoeveelheid voor een beginnend bestuurder geblazen bij een blaastest. Dat het OM een strafbeschikking heeft opgelegd die lager is dan volgens zijn richtlijn doorgaans wordt opgelegd, betekent niet dat kan worden geconcludeerd dat het OM het niet als een ernstig strafbaar feit heeft gezien. Het tijdsverloop sinds het feit heeft de korpschef nog te kort kunnen vinden om de conclusie te kunnen trekken dat er geen kans op recidive is. De gevolgde cursus bij het CBR en dat volgens het CBR geen sprake was van alcoholmisbruik, heeft de korpschef ook onvoldoende mogen vinden.
5.       [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de korpschef de toestemming mocht intrekken. Dat ze een keer de fout is ingegaan, betekent niet dat ze niet betrouwbaar meer is. Het CBR heeft onderzoek gedaan naar haar alcoholgebruik en is tot de conclusie gekomen dat er geen sprake is van alcoholmisbruik. Ze heeft ook deelgenomen aan de educatieve cursus alcohol en verkeer van het CBR. Uit onderzoek is gebleken dat deelname aan deze cursus de kans op recidive verkleint. In haar geval hangen haar opleiding en toekomstige baan af van dit besluit en van een mogelijk recidivegeval, waardoor de kans op herhaling afwezig is. Het OM zag in deze omstandigheden aanleiding om een lagere straf op te leggen dan volgens de richtlijnen gebruikelijk is. Ze heeft verder een blanco strafblad en is zelfs bereid om regelmatig een bloedtest te laten uitvoeren.
6.       Volgens vaste rechtspraak mogen aan medewerkers in de beveiligingsbranche hogere eisen worden gesteld dan aan medewerkers in andere betrekkingen. Van een beveiliger mag verwacht worden dat hij waakt over de veiligheid van personen. De korpschef mag ook verkeersdelicten, die juist gaan over veiligheid, betrekken in de beoordeling naar de betrouwbaarheid. Rijden onder invloed is een misdrijf en kan worden aangemerkt als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde. Vast staat dat [appellante] dit misdrijf heeft begaan en dus rechtsregels naast zich neer heeft gelegd. De korpschef heeft dan ook in redelijkheid kunnen concluderen dat de betrouwbaarheid van [appellante] niet boven iedere twijfel verheven is. Dat zij heeft deelgenomen aan een educatieve cursus en dat er volgens het CBR geen sprake is van alcoholmisbruik maakt dit niet anders, omdat dit niet afdoet aan het feit dat zij rechtsregels naast zich neer heeft gelegd.
Toch oordeelt de voorzieningenrechter dat de gevolgen van de intrekking in dit geval onevenredig zijn. Het gevolg van de intrekking is namelijk dat [appellante] moet stoppen met haar opleiding. Ze is nog jong en het moeten stoppen met een opleiding waarvoor ze zeer gemotiveerd is, is erg ingrijpend. Verder heeft ze een blanco strafblad, is volgens het CBR geen sprake van alcoholmisbruik en heeft zij een educatieve cursus gevolgd. Bij het lopen van een stage zal zij bovendien onder begeleiding aan het werk zijn in de beveiligingsbranche. Dit alles in samenhang bezien leidt tot het oordeel dat de korpschef niet in redelijkheid de toestemming kon intrekken. De rechtbank heeft ten onrechte anders geoordeeld.
Het betoog slaagt.
7.       Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de voorzieningenrechter het beroep tegen het besluit van 10 december 2020 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit moet wegens strijd met artikel 3:4 van Pro de Awb worden vernietigd. De voorzieningenrechter zal op na te melden wijze in de zaak voorzien. Het besluit van de korpschef van 24 juni 2020 zal worden herroepen. De voorzieningenrechter zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Dit betekent dat het MBO Amersfoort weer toestemming heeft om [appellante] beveiligingswerkzaamheden te laten verrichten.
8.       De korpschef moet de proceskosten vergoeden.
9.       Omdat met deze uitspraak het hoger beroep is afgerond, wordt het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening hangende hoger beroep afgewezen.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Midden­Nederland van 30 juni 2021 in zaak nr. 21/423;
III.      verklaart het beroep gegrond;
IV.      vernietigt het besluit van 10 december 2020;
V.       herroept het besluit van de korpschef van politie van 24 juni 2020;
VI.      bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde  besluit;
VII.     veroordeelt de korpschef van politie tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.992,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VIII.    veroordeelt de korpschef van politie tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.068,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
IX.      gelast dat de korpschef van politie aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 451,00 vergoedt;
X.       wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Greben, griffier.
De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Greben
griffier
BIJLAGE
Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus
Artikel 7
[…].
2. Een beveiligingsorganisatie of recherchebureau als bedoeld in het eerste lid stelt geen personen te werk die belast zullen worden met werkzaamheden, anders dan bedoeld in het eerste lid, dan nadat voor hen toestemming is verkregen van de korpschef. […].
4. De toestemming, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, wordt onthouden indien de desbetreffende persoon niet beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die nodig zijn voor het te verrichten werk. […].
5. De toestemming, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid kan worden ingetrokken indien zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan de toestemming niet zou zijn verleend, indien zij zich hadden voorgedaan of bekend waren geweest op het tijdstip waarop de toestemming werd verleend.
[…].
Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus
3.3. Betrouwbaarheid personeel en leidinggevenden
De toestemming aan een beveiligingsorganisatie of recherchebureau om personen te werk stellen, zoals bedoeld in artikel 7, eerste, tweede en derde lid, van de wet wordt onthouden indien bij het onderzoek naar de betrouwbaarheid blijkt van:
a. veroordelingen en andere rechterlijke uitspraken;
b. andere omtrent de aanvrager bekende feiten.
Ad a. (veroordelingen en andere rechterlijke uitspraken)
De persoon waarvoor toestemming wordt gevraagd mag op het moment van de aanvraag niet:
1) binnen acht jaar voorafgaande aan het moment van toetsing zijn veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf waarbij een (on)voorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd of,
2) binnen vier jaar voorafgaande aan het moment van toetsing zijn veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf waarbij een geldboete of een taakstraf is opgelegd
[….]
Transacties en strafbeschikkingen
Een transactie met het Openbaar Ministerie en een strafbeschikking, opgelegd door het Openbaar Ministerie of door een opsporingsambtenaar, worden gelijk gesteld met een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak.
[…].
Ad b. (andere omtrent de aanvrager bekende feiten)
De toestemming kan ook worden geweigerd wanneer op grond van andere omtrent betrokkene bekende en relevante feiten kan worden aangenomen dat deze onvoldoende betrouwbaar is om voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau werkzaamheden te verrichten dan wel onvoldoende betrouwbaar is om de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak niet te schaden. Dit zal met name -maar niet uitsluitend- het geval zijn wanneer betrokkene er blijk van heeft gegeven rechtsregels naast zich neer te leggen waarvan de overtreding kan worden beschouwd als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde.