ECLI:NL:RVS:2022:1433
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongeldigverklaring rijbewijs wegens cannabisgebruik zonder medicinaal voorschrift
Appellant werd op 4 november 2019 staande gehouden met een joint in de hand en een positieve speekseltest voor cannabis. Een bloedtest toonde 3,8 µg/l cannabis aan, boven de grenswaarde van 3,0 µg/l. Het CBR verklaarde zijn rijbewijs ongeldig op basis van een psychiatrisch rapport dat drugsmisbruik in ruime zin vaststelde.
Appellant voerde aan dat hij medicinaal cannabis gebruikte vanwege pijnbestrijding en ADHD, en dat het psychiatrisch onderzoek dit onvoldoende in ogenschouw nam. De Raad van State oordeelde dat medicinaal cannabisgebruik alleen geldt indien voorgeschreven door een arts en verstrekt door een apotheek, wat appellant niet aannemelijk maakte. De psychiater was gemotiveerd ingegaan op het betoog van appellant en het CBR mocht het rapport volgen.
Verder werd het beroep van appellant op een strafrechtelijke ontslag van rechtsvervolging verworpen, omdat bestuursrechtelijke maatregelen losstaan van strafrechtelijke uitspraken. Ook een belangenafweging leidde niet tot vernietiging van het besluit, omdat appellant niet aannemelijk maakte dat het verlies van het rijbewijs tot onevenredige gevolgen leidde.
De Raad van State bevestigde het bestreden besluit en wees erop dat appellant in de toekomst zijn rijgeschiktheid kan laten beoordelen indien hij medicinaal cannabisgebruik kan aantonen volgens de wettelijke criteria.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs bevestigd.