ECLI:NL:RVS:2019:1924
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H. Troostwijk
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat intrekking verblijfsvergunning asiel onbepaalde tijd niet toetsing aan Unierecht vereist
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag die de intrekking van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd door de staatssecretaris vernietigde. De vreemdeling, met Iraakse nationaliteit, had eerder een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd gekregen en later een vergunning voor onbepaalde tijd. De staatssecretaris had de vergunning ingetrokken vanwege strafrechtelijke veroordelingen.
De kern van het geschil is of bij intrekking van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd ook moet worden beoordeeld of de eerdere tijdelijke vergunning op een andere grond had kunnen worden verleend, en of daarbij Unierecht moet worden betrokken. De rechtbank had geoordeeld dat dit wel moest, mede op basis van de Dunduri-rechtspraak.
De Raad van State oordeelt anders. De Afdeling stelt dat de Dunduri-rechtspraak alleen ziet op procedures omtrent tijdelijke vergunningen en niet op intrekking van een vergunning voor onbepaalde tijd. Vanaf het moment van verlening van de vergunning voor onbepaalde tijd is het niet meer mogelijk om te procederen over de rechtsgrond van de eerdere tijdelijke vergunning. De intrekkingsgronden voor onbepaalde tijd zijn limitatief en omvatten niet het vervallen van de oorspronkelijke rechtsgrond.
De Afdeling bevestigt dat in dit geval de staatssecretaris terecht alleen het nationale recht heeft toegepast en het Unierecht niet hoefde te betrekken. Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling ongegrond, en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het beroep van de vreemdeling wordt alsnog ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd wordt ongegrond verklaard.