ECLI:NL:RVS:2005:BA2541

Raad van State

Datum uitspraak
14 juni 2005
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200500090/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Lubberdink
  • B. van Wagtendonk
  • T.M.A. Claessens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 29 Vw 2000Art. 32 Vw 2000Art. 33 Vw 2000Art. 28 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling procesbelang bij verblijfsvergunning asiel en beoordeling hoger beroep

De minister verleende aan een vreemdeling een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd en aan andere vreemdelingen een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. De rechtbank verklaarde het beroep van de eerste vreemdeling ongegrond en die van de anderen gegrond, vernietigde de besluiten en beval nieuwe besluiten.

De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Raad van State overwoog dat de eerste vreemdeling geen procesbelang had bij het beroep omdat het enkel ging om het verkrijgen van een motivering, wat geen gunstiger materiële rechtspositie oplevert. Daarom werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Voor de andere vreemdelingen stelde de Raad vast dat zij wel procesbelang hebben omdat zij zich richten tegen de weigering van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, die een gunstiger positie biedt dan een vergunning voor bepaalde tijd. De eerdere uitspraak van de rechtbank werd bevestigd voor deze vreemdelingen.

De Raad corrigeerde tevens de rechtsgrondslag van de gegrondverklaring van de beroepen, waarbij de minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 14 juni 2005.

Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang, terwijl de beroepen van de andere vreemdelingen worden bevestigd.

Uitspraak

200500090/1.
Datum uitspraak: 14 juni 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
appellant,
tegen de uitspraak in zaken nos. AWB 03/23729, 03/23726, 03/23727 en 03/23728 van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Breda, van 7 december 2004 in de gedingen tussen:
[de vreemdeling], [de vreemdelingen]
en
appellant.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 26 maart 2003 heeft appellant (hierna: de minister) aan [de vreemdeling], voorzover thans van belang, een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd verleend. Dit besluit is aangehecht.
Bij onderscheiden besluiten van 26 maart 2003 heeft de minister aan [de vreemdelingen] een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend. Deze besluiten zijn aangehecht.
Bij uitspraak van 7 december 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Breda (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond en de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, de besluiten met betrekking tot de vreemdelingen vernietigd en de minister opgedragen nieuwe besluiten te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 4 januari 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 12 januari 2005 hebben alle bovengenoemde vreemdelingen een reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2.    Overwegingen
2.1.    In grief 1 betoogt de minister dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de vreemdeling procesbelang heeft bij de beoordeling van zijn beroep.
2.1.1.    De minister heeft in voormeld besluit van 26 maart 2003 overwogen dat de vreemdeling in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) en dat, aangezien de maximale geldigheidsduur van deze vergunning ten tijde van het nemen van dat besluit is verstreken, de oorspronkelijke aanvraag mede wordt aangemerkt als een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Vervolgens heeft de minister aan de vreemdeling een zodanige verblijfsvergunning verleend met ingang van 24 augustus 2002.
2.1.2.    De rechtbank heeft overwogen dat het procesbelang van de vreemdeling is gelegen in het verkrijgen van een motivering van de aan hem verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
2.1.3.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 maart 2002, nr. 200105914/1, AB 2002/132) kan een belanghebbende bij de terzake bevoegde rechter slechts opkomen tegen een besluit, indien hij bij het instellen van dat rechtmiddel enig belang heeft, in die zin dat hij daardoor in een gunstiger positie zou kunnen geraken.
Het enkele verkrijgen van een motivering, welke ten grondslag ligt aan de hem verleende verblijfsvergunning, kan de vreemdeling niet een gunstiger materiële rechtspositie verschaffen, zodat hij op die grond geen belang heeft bij het door hem bij de rechtbank ingestelde beroep. Ook overigens is procesbelang niet gebleken of aannemelijk gemaakt. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte aangenomen dat de vreemdeling procesbelang heeft bij zijn beroep.
Grief 1 slaagt.
2.1.4.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voorzover daarbij het beroep met kenmerk AWB 03/23729 ongegrond is verklaard.
Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, gelet op het hiervoor overwogene, het beroep met kenmerk AWB 03/23729 niet-ontvankelijk verklaren.
2.2.    In grief 2 betoogt de minister dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de vreemdelingen procesbelang hebben bij de beoordeling van hun beroepen. Dit belang zal eerst ontstaan, indien op de voet van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 tot intrekking dan wel niet-verlenging van de verleende verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd wordt overgegaan, aldus de minister.
2.2.1.    Aan de vreemdelingen is bij onderscheiden besluiten van 26 maart 2003 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 verleend met ingang van 25 november 2002.
2.2.2.    De rechtbank heeft geoordeeld dat de vreemdelingen een concreet en actueel procesbelang hebben bij de beoordeling van hun beroepen, aangezien niet valt uit te sluiten dat zij reeds bij de besluiten van 26 maart 2003 in het bezit hadden kunnen worden gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd en de materiële rechtspositie van een vreemdeling die in het bezit is daarvan, gunstiger is dan die van een vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
2.2.3.    De minister heeft niet onderkend dat de vreemdelingen niet zozeer hebben aangevoerd dat zij voor verlening van een verblijfsvergunning asiel op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e dan wel f, van de Vw 2000 in aanmerking dienen te komen, maar dat zij zich hebben gericht tegen de in de desbetreffende besluiten van 26 maart 2003 gelegen weigering hun een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33 van Pro de Vw 2000 te verlenen.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 22 november 2002, nr. 200205120/1, JV 2003/17) is een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33 van Pro de Vw 2000 gunstiger voor een vreemdeling dan een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw 2000. Nu de vreemdelingen zich door verlening van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd een gunstiger materiële rechtspositie kunnen verschaffen, hebben zij, anders dan de minister betoogt, belang bij de beoordeling van hun beroepen.
Grief 2 faalt.
2.3.    In grief 3 betoogt de minister dat de rechtbank ten onrechte de beroepen gegrond heeft verklaard wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), nu de onderhavige besluiten van 26 maart 2003 geen beslissingen op bezwaar betreffen.
2.3.1.    De grief is terecht voorgedragen. De rechtbank had de beroepen gegrond dienen te verklaren wegens strijd met artikel 3:46 van Pro de Awb. De grief leidt evenwel niet tot het ermee beoogde doel, nu dit op zichzelf niet kan afdoen aan de gegrondverklaring van de beroepen van de vreemdelingen.
2.4.    Grief 4 mist zelfstandige betekenis.
2.5.    De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van de gronden waarop zij rust, te worden bevestigd, voorzover het betreft de beroepen met kenmerk AWB 03/23726, 03/23727 en 03/23728.
2.6.    De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden verwezen.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Breda, van 7 december 2004, voorzover het betreft zaak no. AWB 03/23729;
III.    verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep niet-ontvankelijk;
IV.    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
V.    veroordeelt de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie tot vergoeding van de bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) aan de Secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 192323091) onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.H. van Breda, ambtenaar van Staat.
w.g. Lubberdink    w.g. Van Breda
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2005
310-470.
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,