ECLI:NL:RVS:2012:BW5665
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins de Vin
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank over zicht op uitzetting naar China binnen redelijke termijn
De vreemdeling was in vreemdelingenbewaring gesteld en stelde beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank die het beroep ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees. De vreemdeling voerde aan dat er geen zicht was op uitzetting naar China binnen een redelijke termijn, mede omdat sinds 2007 geen Chinese onderdanen op basis van een laissez passer waren uitgezet en hij niet in bezit was van documenten om terug te keren.
De minister stelde dat overleg met Chinese autoriteiten plaatsvindt en dat vreemdelingen op verzoek gepresenteerd kunnen worden bij de ambassade. Tevens bleek dat vreemdelingen met paspoort of identiteitsbewijs via een EU-staat gedwongen konden worden teruggestuurd. De vreemdeling had onvoldoende medewerking verleend om zijn identiteit te staven en concrete documenten te verkrijgen.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat er zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn. De grief van de vreemdeling faalde en het hoger beroep werd ongegrond verklaard. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.