ECLI:NL:RBOVE:2026:4270

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
83-213690-21
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 70 SrArt. 71 SrArt. 287 SrArt. 307 SrArt. 1 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Raadkamer verklaart bezwaarschrift tegen dagvaarding ongegrond in zaak doodslag door blootstelling aan asbest

In deze strafzaak tegen verdachte B.V. staat de verdenking centraal dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan doodslag door werknemers bloot te stellen aan asbestvezels, wat heeft geleid tot het overlijden van drie slachtoffers. De verdediging stelde dat het recht tot strafvordering was verjaard en verzocht om prejudiciële vragen aan de Hoge Raad. De raadkamer oordeelde dat het bezwaarschrift tegen de dagvaarding tijdig en ontvankelijk was ingediend.

De raadkamer overwoog uitgebreid over de verjaring van het recht tot strafvordering, waarbij werd vastgesteld dat de verjaringstermijn bij doodslag aanvangt op de dag na het intreden van de dood. Gezien wetswijzigingen die de verjaringstermijn verlengden en uiteindelijk uitsloten voor ernstige misdrijven, concludeerde de raadkamer dat het recht tot strafvordering voor de feiten niet is verjaard.

Het verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad werd afgewezen omdat de raadkamer zelf voldoende duidelijkheid kon verschaffen. De overige verweren van de verdediging werden voorlopig verworpen, omdat het niet evident was dat de vervolging niet haalbaar was. De raadkamer verklaarde het bezwaarschrift ongegrond en gaf daarmee groen licht voor de voortzetting van de strafzaak.

Uitkomst: Het bezwaarschrift tegen de dagvaarding wordt ongegrond verklaard en het recht tot strafvordering is niet verjaard.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 83-213690-21
Bezwaarschriftnummer: 26/002378
Beschikking van de meervoudige raadkamer op het bezwaarschrift op grond van artikel 262 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verdachte] B.V.,
gevestigd aan de [vestigingsplaats],
hierna: verdachte,
domicilie kiezend ten kantore van (de door verdachte gemachtigde) mr. D.R. Doorenbos aan het Beethovenplein 10, 1077 WM in Amsterdam.

1.Het procesverloop tot nu

De officier van justitie heeft verdachte opgeroepen om op 29 mei 2026 op een regiezitting van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, te verschijnen. De raadsman mr. Doorenbos heeft namens verdachte een bezwaarschrift tegen deze dagvaarding ingediend. De raadkamer van de rechtbank Overijssel is bevoegd om van dit bezwaarschrift kennis te nemen.
De raadkamer heeft voor de behandeling van het bezwaarschrift kennisgenomen van het dossier in de strafzaak tegen verdachte. In artikel 22, eerste lid, Sv in verbinding met artikel 262 Sv Pro is bepaald dat de behandeling van een bezwaarschrift tegen de dagvaarding niet in het openbaar plaatsvindt. De behandeling van het bezwaarschrift is aldus op de zitting van 29 mei 2026 met gesloten deuren aangevangen. De verdediging en het Openbaar Ministerie (OM) zijn gehoord en hebben uitdrukkelijk ingestemd met een openbare behandeling. De behandeling van het bezwaarschrift is zodoende daarna met een bevel daartoe door de voorzitter in het openbaar voortgezet.
De raadkamer heeft de raadsman mr. Doorenbos en de raadsvrouw mr. A.M. Borel Rinkes (hierna: de verdediging) en de officieren van justitie mr. K. Broere en mr. S.M. van der Kallen (hierna gezamenlijk: de officier van justitie) op de openbare zitting gehoord.

2.De ontvankelijkheid van het bezwaarschrift tegen de dagvaarding

In artikel 262, eerste lid, Sv is voorgeschreven dat een verdachte binnen acht dagen na de betekening van de dagvaarding hiertegen een bezwaarschrift bij de rechtbank kan indienen. Uit de akte van uitreiking volgt dat de dagvaarding op 3 februari 2026 aan een werknemer van verdachte, [verdachte] B.V. (hierna: [verdachte]), is uitgereikt. Deze werknemer heeft zich bereid verklaard de gerechtelijke mededeling aan verdachte te bezorgen. De raadkamer stelt vast dat daarmee op genoemde datum sprake is geweest van een rechtsgeldige betekening van de dagvaarding. Het bezwaarschrift tegen deze dagvaarding dateert van 24 januari 2026, wat maakt dat het bezwaarschrift al vóór de betekening van de dagvaarding is ingediend. De tekst en de strekking van artikel 262, eerste lid, Sv dwingen naar het oordeel van de raadkamer niet tot de opvatting dat die omstandigheid met zich brengt dat [verdachte] in het bezwaarschrift niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard, omdat met voornoemde termijn van acht dagen slechts wordt beoogd aan de indiening van het bezwaarschrift een uiterlijk tijdstip te verbinden. De betekende dagvaarding heeft als aanmaakdatum 18 december 2025. Sindsdien heeft [verdachte] middels het (digitale) dossier van de inhoud van de dagvaarding kennis kunnen nemen. Dit heeft de raadsman gedaan, waarna het bezwaarschrift tegen de dagvaarding is ingediend. Het bezwaarschrift is naar het oordeel van de raadkamer dus tijdig ingediend. De raadkamer stelt vast dat [verdachte] ook overigens in het bezwaarschrift ontvankelijk is.

3.De tenlastelegging

Het bezwaarschrift richt zich tegen de dagvaarding waarvan de tenlastelegging deel uitmaakt waarin aan [verdachte] onder
feit 1, feit 2 primair en feit 3ten laste is gelegd dat zij zich samen met anderen of alleen schuldig heeft gemaakt aan het in artikel 287 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr) omschreven misdrijf doodslag. [slachtoffer 1] (
feit 1) en [slachtoffer 2] (
feit 2 primair) zijn opzettelijk van het leven beroofd, omdat [verdachte] (werkgever) hen (werknemers) werkzaamheden heeft laten verrichten in een werkomgeving waarin zij aan asbest(vezels) werden blootgesteld. Ook [slachtoffer 3] (
feit 3) is opzettelijk van het leven beroofd, omdat [verdachte] (werkgever) haar partner, [slachtoffer 1], werkzaamheden heeft laten verrichten, ten gevolge waarvan asbest(vezels) op zijn kleding en/of zijn lichaam terecht zijn gekomen en/of toe te staan dat zijn met asbest(vezels) bevuilde bedrijfskleding/-overall mee naar huis is genomen, waardoor ook zij aan asbest(vezels) is blootgesteld.
Onder
feit 2 subsidiairluidt de verdenking dat [verdachte] zich samen met anderen of alleen schuldig heeft gemaakt aan het in artikel 307, eerste en tweede lid, Sr omschreven misdrijf dood door schuld door roekeloosheid. Het is dan aan de roekeloosheid van [verdachte] te wijten dat [slachtoffer 2] is overleden, omdat zij hem werkzaamheden heeft laten verrichten waarbij hij aan asbest(vezels) is blootgesteld. [verdachte] heeft nagelaten ervoor te zorgen dat zo min mogelijk asbest(vezels) op de werkplaats aanwezig waren en zij heeft evenmin gezorgd voor voldoende stofafzuiging en/of ventilatie. Ook heeft [verdachte] nagelaten geschikte persoonlijke beschermingsmiddelen aan [slachtoffer 2] te verstrekken, het gebruik ervan verplicht te stellen en/of op het gebruik ervan toe te zien. Verder heeft [verdachte] nagelaten [slachtoffer 2] juist voor te lichten over de gevaren van het werken met asbest(vezels) en/of toegestaan dat [slachtoffer 2] en/of andere werknemers in hun met asbestvezels bevuilde werkkleding de kantine betraden.
Voluit luidt de tenlastelegging:
feit 1zij in of omstreeks de periode van 02 mei 1946 tot en met [overlijdensdatum 1] 1993, in elk geval van 1 januari 1976 tot en met [overlijdensdatum 1] 1993 te Goor en/of elders in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 1], van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer 1] werkzaamheden te laten verrichten in een werkomgeving, waarin die [slachtoffer 1] werd blootgesteld aan asbest(vezels);
feit 2 primairzij in of omstreeks de periode van 28 september 1987 tot en met [overlijdensdatum 2] 2014 te Goor en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen
opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer 2] werkzaamheden te laten verrichten in een werkomgeving, waarin die [slachtoffer 2] werd blootgesteld aan asbest(vezels);
feit 2 subsidiairzij in of omstreeks de periode van 28 september 1987 tot en met [overlijdensdatum 2] 2014 te Goor en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen roekeloos,
- [slachtoffer 2] werkzaamheden heeft laten verrichten, terwijl die [slachtoffer 2] werd blootgesteld aan asbest(vezels) en/of
- heeft nagelaten ervoor te zorgen dat er zo min mogelijk asbest(vezels) op de werkplaats aanwezig waren en/of
- heeft nagelaten voor voldoende stofafzuiging en/of ventilatie op de werkplaats te zorgen en/of
- heeft nagelaten om geschikte persoonlijke beschermingsmiddelen aan die [slachtoffer 2] te verstrekken en/of het gebruik ervan verplicht te stellen en/of op het gebruik ervan toe te zien en/of
- heeft nagelaten die [slachtoffer 2] juist voor te lichten over de gevaren van het werken met asbest(vezels) en/of
- heeft toegestaan dat die [slachtoffer 2] en/of andere werknemers in hun met asbestvezels bevuilde werkkleding de kantine betraden,
waardoor het aan haar schuld te wijten was dat die [slachtoffer 2] is overleden;
feit 3zij in of omstreeks de periode van 29 mei 1952 tot en met [overlijdensdatum 3] 1994, in elk geval van
1 januari 1976 tot en met [overlijdensdatum 3] 1994 te Goor en/of Delden en/of elders in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 3], van het leven heeft beroofd, door
- [slachtoffer 1], partner van die [slachtoffer 3], werkzaamheden te laten verrichten, ten gevolge waarvan asbest(vezels) op zijn kleding en/of zijn lichaam terecht zijn gekomen en/of
- diens met asbest(vezels) bevuilde bedrijfskleding/overall mee te laten nemen naar huis, althans toe te staan dat die met asbest(vezels) bevuilde bedrijfskleding/overall werd meegenomen naar huis, waardoor die [slachtoffer 3] werd blootgesteld aan asbest(vezels).

4.De standpunten van de verdediging en het OM

4.1
Het standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich in de eerste plaats op het standpunt dat het recht tot strafvordering voor het in artikel 287 Sr Pro omschreven misdrijf doodslag (
feit 1, feit 2 primair en feit 3) en het in artikel 307, eerste en tweede lid, Sr omschreven misdrijf dood door schuld door roekeloosheid (
feit 2 subsidiair) door verjaring is vervallen, zoals bedoeld in artikel 70 Sr Pro, wat maakt dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging. In verband daarmee verzoekt de verdediging de raadkamer een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad te stellen, zoals bedoeld in artikel 533, eerste lid, Sv. Die vraag kan als volgt worden geformuleerd: “Vangt de verjaringstermijn bij het misdrijf dat wordt omschreven in artikel 287 Sr Pro aan (a) op de dag na die waarop de gedraging heeft plaatsgevonden die tot de dood heeft geleid of (b) op de dag na die waarop de dood is ingetreden?”. De verdediging vindt de beantwoording van deze vraag cruciaal, niet alleen voor deze strafrechtelijke procedure maar ook voor de rechtsontwikkeling. Aan de beantwoording van de prejudiciële vraag die de verdediging voorstelt, kan wegens het hiermee gemoeide zaaksoverstijgend belang bijzonder gewicht worden toegekend.
In de tweede plaats stelt de verdediging zich onder verwijzing naar het legaliteitsbeginsel, zoals is neergelegd in artikel 1 Sr Pro en artikel 7 EVRM Pro, op het standpunt dat de officier van justitie om de volgende redenen (deels) niet-ontvankelijk is in de vervolging.
Op grond van artikel 51, eerste lid, Sr kunnen strafbare feiten worden begaan door natuurlijke personen en rechtspersonen. Pas op 1 september 1976 is deze bepaling in werking getreden, wat maakt dat een wettelijke grondslag ontbreekt om [verdachte], een rechtspersoon, te vervolgen voor een gedraging die voordien zou hebben plaatsgevonden, zoals [verdachte] onder
feit 1 en feit 3(deels) wordt verweten. Evenmin bestaat een wettelijke grondslag om [verdachte] te vervolgen voor dood door schuld door roekeloosheid, zoals haar onder
feit 2 subsidiairwordt verweten. De strafbaarstelling van die zwaarste vorm van schuld is pas op 1 februari 2006 in werking getreden.
De verdediging stelt zich in de derde plaats op het standpunt dat [verdachte] ten aanzien van
de gehele tenlasteleggingbuiten vervolging moet worden gesteld, omdat sprake is van onvoldoende aanwijzingen voor schuld. De overleden personen waarop de tenlastelegging ziet zijn, gelet op de gemiddelde latentietijd van blootstelling aan asbest(vezels) naar de diagnose mesothelioom en de dagelijkse toepassing van asbest of asbesthoudende materialen binnen de betreffende tijdgeest, zeer waarschijnlijk vóór 1 september 1976 met asbest(vezels) besmet geraakt, dus in een periode voordat de strafbaarstelling van rechtspersonen in werking is getreden.
4.2
Het standpunt van het OM
Het OM stelt zich op het standpunt dat het bezwaarschrift ongegrond moet worden verklaard, en wel om de volgende redenen. Het recht tot strafvordering voor
feit 1, feit 2 primair en subsidiair en feit 3is niet verjaard, wat maakt dat het OM ontvankelijk is in de vervolging. Dit brengt met zich dat het stellen van de door de verdediging voorgestelde prejudiciële vraag onnodig is en ook gaat met de beantwoording van die vraag geen zaaksoverstijgend belang gemoeid. Het verzoek van de verdediging tot het stellen van een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad moet worden afgewezen.
Het OM vindt zich ook overigens ontvankelijk. Het legaliteitsbeginsel staat hieraan niet in de weg. Het was (ook) vóór 1 september 1976 voor [verdachte] voorzienbaar dat de gedragingen in
feit 1 en feit 3ook voor een rechtspersoon strafbaar zijn. Daarnaast is geen sprake van een vervolging met terugwerkende kracht voor
feit 2 subsidiair(dood door schuld door roekeloosheid), omdat het delict pas voltooid is nadat de schuldvorm roekeloosheid strafbaar is gesteld.
Evenmin vindt het OM dat [verdachte] ten aanzien van
(een deel van de) tenlasteleggingbuiten vervolging moet worden gesteld, want er zijn voldoende aanwijzingen voor schuld. Het is aannemelijk dat de overleden personen waarop de beschuldigingen zien in de ten laste gelegde periodes door het verrichten van werkzaamheden voor [verdachte], al dan niet door een ander, aan asbest(vezels) zijn blootgesteld. In de eerste plaats moeten de verweten gedragingen per feit afzonderlijk bezien als één geheel worden beschouwd. In de tweede plaats kunnen de in de tenlastelegging genoemde overleden personen, [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], gelet op de latentietijd van mesothelioom en de reële mogelijkheden van fatale blootstelling, (deels) na 1 september 1976 (de datum van inwerkingtreding van artikel 51, eerste lid, Sr) met asbest(vezels) besmet zijn geraakt.

5.De beoordeling van het bezwaarschrift door de raadkamer

5.1
Het beoordelingskader
De raadkamer stelt voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een bezwaarschrift tegen de dagvaarding in de zin van artikel 262 Sv Pro een summier karakter draagt. Een bezwaarschriftprocedure hoort niet vooruit te lopen op de inhoudelijke behandeling van de strafzaak (het latere onderzoek) op de terechtzitting. Het gaat om de toetsing van de haalbaarheid van een veroordeling. De raadkamer dient te beoordelen of het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, door de geleverde bewijsvoering in de strafzaak tegen een verdachte het ten laste gelegde geheel of gedeeltelijk bewezen zal achten. Ook bij de beoordeling van de doeltreffendheid van (juridische) verweren moet het summiere karakter van de procedure in acht worden genomen. [1]
Het is in beginsel niet aan de raadkamer om de opportuniteit van de vervolging te beoordelen. De door de raadkamer te verrichten toetsing vindt plaats naar aanleiding van de in het bezwaarschrift en/of in raadkamer aangevoerde bezwaren. In evidente gevallen, namelijk gevallen waarin sprake is van een lichtvaardige vervolging, staat het de raadkamer echter vrij om (ambtshalve) een voor de verdachte gunstige beslissing te nemen. Een vervolging is lichtvaardig indien reeds onmiddellijk blijkt dat de vervolging niet haalbaar is en daarom niet gerechtvaardigd is, bijvoorbeeld als het recht tot strafvordering is verjaard.
Dit betreft een zuiver juridisch vraagpunt dat in het kader van de bezwaarschriftprocedure volledig kan worden beoordeeld. [2]
De raadkamer overweegt met inachtneming van voornoemd beoordelingskader ten aanzien van de standpunten van de verdediging en het OM, voor zover de raadkamer aan een beoordeling van deze standpunten toekomt, het volgende.
5.2
Het standpunt dat het recht tot strafvordering door verjaring is vervallen
De raadkamer overweegt ten aanzien van het standpunt dat het recht tot strafvordering voor het in artikel 287 Sr Pro omschreven misdrijf doodslag (
feit 1, feit 2 primair en feit 3) door verjaring is vervallen het volgende.
5.2.1
De (ratio van de) Nederlandse verjaringsregeling
“Het recht tot strafvordering vervalt door verjaring”, zo bepaalt artikel 70, eerste lid, Sr.
Van oudsher steunt het instituut van de verjaring van het recht tot strafvordering onder meer op de gedachte dat het in de regel na een bepaald tijdsverloop niet meer nodig zal zijn met vervolging en bestraffing te reageren op de door het strafbaar feit veroorzaakte verstoring van de rechtsorde. “Elke daad van vervolging stuit de verjaring, ook ten aanzien van anderen dan de vervolgde”, zo bepaalt artikel 72, eerste lid, Sr. Door van zijn bevoegdheid tot het verrichten van een daad van vervolging gebruik te maken, waaraan artikel 72, eerste lid, Sr het rechtsgevolg van stuiting van de verjaring verbindt, brengt het OM tot uitdrukking dat de inbreuk op de rechtsorde (nog steeds) strafvervolging vereist. Daarnaast steunt het instituut van de verjaring op het ervaringsgegeven dat door tijdsverloop het bewijs kan vervagen. [3] Sinds 1 april 2013 is verjaring voor sommige misdrijven die op dat moment nog niet zijn verjaard of nadien worden gepleegd uitgesloten, omdat in de samenleving vandaag de dag anders wordt gedacht dan voorheen over de gevolgen die het onbestraft blijven van zeer ernstige misdrijven heeft, in het bijzonder voor de slachtoffers van die misdrijven en hun nabestaanden. Het gaat om strafbare feiten die blijvend diepe sporen bij betrokkenen kunnen achterlaten en onveiligheidsgevoelens in de samenleving teweeg kunnen brengen. De maatschappelijke behoefte aan waarheidsvinding en bestraffing van de daders blijft in die gevallen veelal ook na zeer lange tijd nog bestaan. Het is voor slachtoffers, nabestaanden en de samenleving als geheel niet te verteren wanneer door het verlopen van de verjaringstermijn bestraffing van de daders van zeer ernstige feiten op voorhand niet meer mogelijk zou zijn. Genoegdoening voor de slachtoffers van die misdrijven en hun nabestaanden moet zwaarder wegen dan het argument dat overwegingen van humaniteit gebieden dat er voor de gemoedsrust van de dader op enig moment definitief een streep onder de zaak zou moeten worden gezet. [4]
In geval van verandering van wetgeving met betrekking tot verjaring (zoals hiervoor is weergegeven) geldt naar hedendaagse rechtsopvatting als uitgangspunt dat deze verandering direct van toepassing is, in die zin dat een reeds voltooide verjaring wordt geëerbiedigd. [5] Dit uitgangspunt geldt ook voor verlenging van lopende verjaringstermijnen. Dit is niet anders indien de verlenging van de verjaringstermijn een uitvloeisel is van een verhoging van het op het feit gestelde strafmaximum of een strafverzwarende omstandigheid. [6] Voor de beantwoording van de vraag of een strafbaar feit is verjaard, voorziet artikel 70 Sr Pro in een regeling met betrekking tot de aanvang van de verjaringstermijn: “De termijn van verjaring vangt aan op de dag na die waarop het feit is gepleegd”. De wetgever heeft evenwel in enkele uitzonderingen op deze regel voorzien, die eveneens in hetzelfde artikel zijn vastgelegd. [7]
5.2.2
De aanvang van de verjaringstermijn bij het misdrijf doodslag
Het misdrijf doodslag is strafbaar gesteld in artikel 287 Sr Pro. De delictsomschrijving van dit misdrijf luidt: “Hij die opzettelijk een ander van het leven berooft”. Doodslag is een materieel delict. Dit betekent dat het veroorzaken van een gevolg strafbaar is gesteld, in dit geval: de dood van een ander. Om tot een vervulling van de delictsomschrijving van het delict doodslag te kunnen komen, is dus vereist dat de dood van een ander is ingetreden.
Het delict kan dan immers pas zijn voltooid. Als die ander blijft leven, kan slechts sprake zijn van (strafbare) poging tot doodslag. [8] De wetgever heeft met ingang van 1 januari 2006 de verjaringstermijn bij zeer ernstige delicten, zoals het in artikel 289 Sr Pro omschreven misdrijf moord, opgeheven. [9] Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de verjaringstermijn van de vervolging voor die delicten, ingevolge artikel 71, eerste lid, Sr, aanving met ingang van de dag na die waarop het feit is gepleegd of de dood intrad, een aantal uitzonderingen daargelaten. [10]
De delictsomschrijving van het misdrijf moord luidt: “Hij die opzettelijk en met voorbedachten rade een ander van het leven berooft”. Om tot een vervulling van de delictsomschrijving van het delict moord te kunnen komen, is dus – net als bij doodslag – vereist dat de dood van een ander is ingetreden. Het voorgaande brengt naar het oordeel van de raadkamer met zich dat de verjaringstermijn bij doodslag aanvangt op de dag nadat het gevolg (de dood van een ander) is ingetreden, omdat het feit dan pas is gepleegd zoals bedoeld in artikel 71, eerste lid, Sr. Een uitzondering op deze regel is niet van toepassing.
5.2.3
Is het recht tot strafvordering voor feit 1, feit 2 primair en feit 3 verjaard?
De raadkamer beantwoordt vervolgens de vraag of het recht tot strafvordering voor
feit 1,
feit 2 primair en feit 3is verjaard, waarbij de raadkamer per slachtoffer (feit) zal vaststellen wat de aanvangsdatum van de verjaring is, welke verjaringstermijn in dat geval van toepassing is en waarna de raadkamer tot een conclusie komt
5.2.3.1
De aanvangstermijn van de verjaring
De raadkamer stelt op basis van het dossier en de behandeling in raadkamer vast dat [slachtoffer 1] op [overlijdensdatum 1] 1993 is overleden en dat dit de einddatum van de pleegperiode in feit 1 betreft. Daarnaast stelt de raadkamer vast dat [slachtoffer 2] op [overlijdensdatum 2] 2014 is overleden. Deze overlijdensdatum is de einddatum van de pleegperiode in feit 2 primair. Ook stelt de raadkamer vast dat [slachtoffer 3] is overleden op [overlijdensdatum 3] 1994 en dat dit de einddatum van de pleegperiode in feit 3 betreft. Het voorgaande brengt naar oordeel van de raadkamer met zich dat de verjaringstermijnen van de ten laste gelegde feiten zijn aanvangen op respectievelijk 21 september 1993 (
feit 1), 22 juni 2014 (
feit 2 primair) en 20 januari 1994 (
feit 3).
5.2.3.2
De geldende verjaringstermijn(en)
De officier van justitie beschuldigt [verdachte] ervan dat zij zich samen met anderen of alleen ten aanzien van deze personen schuldig heeft gemaakt aan doodslag. De raadkamer overweegt het volgende.
Sinds de invoering van het Wetboek van Strafrecht in 1886 wordt doodslag bedreigd met maximaal vijftien jaar gevangenisstraf. Vanaf 1 juli 2023 wordt dit in artikel 287 Sr Pro omschreven misdrijf bedreigd met een gevangenisstraf van ten hoogste vijfentwintig jaren. [11]
Op zowel [overlijdensdatum 1] 1993 (
feit 1) als [overlijdensdatum 3] 1994 (
feit 3) was doodslag dus strafbaar gesteld als een misdrijf met een strafbedreiging van ten hoogste vijftien jaren en dus gold bij de wet die in werking trad op 1 maart 1989 een verjaringstermijn van vijftien jaren. [12] Het recht tot strafvordering zou volgens die wet voor feit 1 en feit 3 met het verstrijken van deze verjaringstermijn op respectievelijk [overlijdensdatum 1] 2008 (
feit 1) en [overlijdensdatum 3] 2009 (
feit 3) door verjaring vervallen. Op 1 januari 2006 is de wet in werking getreden [13] waarin onder andere de verjaringstermijn voor het misdrijf doodslag is gewijzigd naar twintig jaren. De verjaringstermijnen van feit 1 en feit 3 waren op dat moment nog niet verstreken, zodat laatstgenoemde wet, waarin de lopende verjaringstermijnen zijn verlengd, direct van toepassing is. De wetswijziging op zichzelf brengt met zich dat de verjaringstermijnen op [overlijdensdatum 1] 2013 (
feit 1) en [overlijdensdatum 3] 2014 (
feit 3) zouden verlopen. In de tussentijd is bij wet die in werking trad op 1 april 2013 [14] bepaald dat het recht tot strafvordering voor misdrijven met een strafbedreiging van meer dan twaalf jaren, waaronder doodslag, niet kan verjaren. De verjaringstermijnen van feit 1 en feit 3 waren op dat moment nog niet verstreken, zodat de wet die die specifieke misdrijven van verjaring uitsluit, direct van toepassing is. De wetswijzigingen brengen in samenhang bezien met zich dat het recht tot strafvordering voor
feit 1 en feit 3sindsdien niet meer door verjaring kan vervallen.
Ook het recht tot strafvordering voor
feit 2 primairkan niet door verjaring vervallen, omdat het misdrijf doodslag sinds 1 april 2013 niet kan verjaren en dit feit nadien zou zijn gepleegd, althans waarvan het gevolg nadien is ingetreden.
5.2.3.3
De conclusie over verjaring
Het voorgaande brengt de raadkamer tot het oordeel dat het recht tot strafvordering voor
feit 1, feit 2 primair en feit 3niet door verjaring is vervallen.
5.3
Het verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad
De raadkamer zal het verzoek van de verdediging tot het stellen van een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad afwijzen. Artikel 533, lid 1, Sv bepaalt dat de rechter ambtshalve, op vordering van het OM of op verzoek van een betrokken procespartij, de Hoge Raad een rechtsvraag kan stellen ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing, indien een antwoord op deze vraag nodig is om te beslissen en aan de beantwoording van deze vraag bijzonder gewicht kan worden toegekend, gelet op het met de vraag gemoeide zaaksoverstijgend belang. De raadkamer heeft hiervoor (zoals vermeld onder 5.1) reeds geoordeeld dat het recht tot strafvordering voor feit 1, feit 2 primair en feit 3 niet door verjaring is vervallen, reden waarom de raadkamer geen reden ziet tot het stellen van een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad.
5.4
De overige standpunten van de verdediging en het OM
De raadkamer is ten aanzien van de overige door de verdediging en de daarop door het OM ingenomen standpunten (zoals vermeld onder 4.) van oordeel dat het, gelet op pleegperiode in feit 1, feit 2 primair en feit 3, het dossier in de strafzaak tegen [verdachte] en de behandeling in raadkamer,
niethoogst
onwaarschijnlijk is te achten dat de strafrechter, later oordelend,
feit 1, feit 2 primair en feit 3geheel of gedeeltelijk bewezen zal verklaren. Het is op dit moment zonder een volledige inhoudelijke behandeling van de strafzaak op de terechtzitting niet volkomen duidelijk dat de vervolging van [verdachte] evident niet haalbaar is en daarom niet gerechtvaardigd is. Het is, zonder nader onderzoek, niet evident dat [verdachte] voor de haar verweten gedragingen in feit 1, feit 2 primair en feit 3 als rechtspersoon (deels) niet strafbaar is en dat de officier van justitie om die reden of anderszins (deels) niet-ontvankelijk is in de vervolging. De raadkamer komt (vooralsnog) niet toe aan een beoordeling van de standpunten van de verdediging en het OM ten opzichte van feit 2 subsidiair.
5.5
De eindconclusie
Het verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad wordt afgewezen en het bezwaarschrift tegen de dagvaarding is ongegrond.

6.De beslissing

De raadkamer:
  • wijst het verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad af;
  • verklaart het
Deze beschikking is gegeven door:
mr. A. van Holten, voorzitter,
mr. M.A.H. Heijink en mr. ing. M.S. de Waard, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. N. Klunder en mr. W.H. Bomans-Weekhout, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026.

Voetnoten

1.HR 22 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:89, HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:212,
2.HR 13 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1553, HR 19 september 1988,
3.HR 13 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8746 en HR 4 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT2968.
5.HR 13 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1006, en HR 29 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK1998.
6.HR 6 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1029, en HR 1 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3441.
7.Zie laatstelijk HR 19 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:772, en
8.HR 11 oktober 2022, ECLI:NL:2022:1410, en HR 7 mei 1985, ECLI:NL:HR:1985:AB9795,