Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.Het procesverloop tot nu
2.De ontvankelijkheid van het bezwaarschrift tegen de dagvaarding
3.De tenlastelegging
feit 1, feit 2 primair en feit 3ten laste is gelegd dat zij zich samen met anderen of alleen schuldig heeft gemaakt aan het in artikel 287 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr) omschreven misdrijf doodslag. [slachtoffer 1] (
feit 1) en [slachtoffer 2] (
feit 2 primair) zijn opzettelijk van het leven beroofd, omdat [verdachte] (werkgever) hen (werknemers) werkzaamheden heeft laten verrichten in een werkomgeving waarin zij aan asbest(vezels) werden blootgesteld. Ook [slachtoffer 3] (
feit 3) is opzettelijk van het leven beroofd, omdat [verdachte] (werkgever) haar partner, [slachtoffer 1], werkzaamheden heeft laten verrichten, ten gevolge waarvan asbest(vezels) op zijn kleding en/of zijn lichaam terecht zijn gekomen en/of toe te staan dat zijn met asbest(vezels) bevuilde bedrijfskleding/-overall mee naar huis is genomen, waardoor ook zij aan asbest(vezels) is blootgesteld.
feit 2 subsidiairluidt de verdenking dat [verdachte] zich samen met anderen of alleen schuldig heeft gemaakt aan het in artikel 307, eerste en tweede lid, Sr omschreven misdrijf dood door schuld door roekeloosheid. Het is dan aan de roekeloosheid van [verdachte] te wijten dat [slachtoffer 2] is overleden, omdat zij hem werkzaamheden heeft laten verrichten waarbij hij aan asbest(vezels) is blootgesteld. [verdachte] heeft nagelaten ervoor te zorgen dat zo min mogelijk asbest(vezels) op de werkplaats aanwezig waren en zij heeft evenmin gezorgd voor voldoende stofafzuiging en/of ventilatie. Ook heeft [verdachte] nagelaten geschikte persoonlijke beschermingsmiddelen aan [slachtoffer 2] te verstrekken, het gebruik ervan verplicht te stellen en/of op het gebruik ervan toe te zien. Verder heeft [verdachte] nagelaten [slachtoffer 2] juist voor te lichten over de gevaren van het werken met asbest(vezels) en/of toegestaan dat [slachtoffer 2] en/of andere werknemers in hun met asbestvezels bevuilde werkkleding de kantine betraden.
opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer 2] werkzaamheden te laten verrichten in een werkomgeving, waarin die [slachtoffer 2] werd blootgesteld aan asbest(vezels);
- [slachtoffer 2] werkzaamheden heeft laten verrichten, terwijl die [slachtoffer 2] werd blootgesteld aan asbest(vezels) en/of
- heeft nagelaten ervoor te zorgen dat er zo min mogelijk asbest(vezels) op de werkplaats aanwezig waren en/of
- heeft nagelaten voor voldoende stofafzuiging en/of ventilatie op de werkplaats te zorgen en/of
- heeft nagelaten om geschikte persoonlijke beschermingsmiddelen aan die [slachtoffer 2] te verstrekken en/of het gebruik ervan verplicht te stellen en/of op het gebruik ervan toe te zien en/of
- heeft nagelaten die [slachtoffer 2] juist voor te lichten over de gevaren van het werken met asbest(vezels) en/of
- heeft toegestaan dat die [slachtoffer 2] en/of andere werknemers in hun met asbestvezels bevuilde werkkleding de kantine betraden,
waardoor het aan haar schuld te wijten was dat die [slachtoffer 2] is overleden;
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 3], van het leven heeft beroofd, door
- [slachtoffer 1], partner van die [slachtoffer 3], werkzaamheden te laten verrichten, ten gevolge waarvan asbest(vezels) op zijn kleding en/of zijn lichaam terecht zijn gekomen en/of
- diens met asbest(vezels) bevuilde bedrijfskleding/overall mee te laten nemen naar huis, althans toe te staan dat die met asbest(vezels) bevuilde bedrijfskleding/overall werd meegenomen naar huis, waardoor die [slachtoffer 3] werd blootgesteld aan asbest(vezels).
4.De standpunten van de verdediging en het OM
feit 1, feit 2 primair en feit 3) en het in artikel 307, eerste en tweede lid, Sr omschreven misdrijf dood door schuld door roekeloosheid (
feit 2 subsidiair) door verjaring is vervallen, zoals bedoeld in artikel 70 Sr Pro, wat maakt dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging. In verband daarmee verzoekt de verdediging de raadkamer een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad te stellen, zoals bedoeld in artikel 533, eerste lid, Sv. Die vraag kan als volgt worden geformuleerd: “Vangt de verjaringstermijn bij het misdrijf dat wordt omschreven in artikel 287 Sr Pro aan (a) op de dag na die waarop de gedraging heeft plaatsgevonden die tot de dood heeft geleid of (b) op de dag na die waarop de dood is ingetreden?”. De verdediging vindt de beantwoording van deze vraag cruciaal, niet alleen voor deze strafrechtelijke procedure maar ook voor de rechtsontwikkeling. Aan de beantwoording van de prejudiciële vraag die de verdediging voorstelt, kan wegens het hiermee gemoeide zaaksoverstijgend belang bijzonder gewicht worden toegekend.
feit 1 en feit 3(deels) wordt verweten. Evenmin bestaat een wettelijke grondslag om [verdachte] te vervolgen voor dood door schuld door roekeloosheid, zoals haar onder
feit 2 subsidiairwordt verweten. De strafbaarstelling van die zwaarste vorm van schuld is pas op 1 februari 2006 in werking getreden.
de gehele tenlasteleggingbuiten vervolging moet worden gesteld, omdat sprake is van onvoldoende aanwijzingen voor schuld. De overleden personen waarop de tenlastelegging ziet zijn, gelet op de gemiddelde latentietijd van blootstelling aan asbest(vezels) naar de diagnose mesothelioom en de dagelijkse toepassing van asbest of asbesthoudende materialen binnen de betreffende tijdgeest, zeer waarschijnlijk vóór 1 september 1976 met asbest(vezels) besmet geraakt, dus in een periode voordat de strafbaarstelling van rechtspersonen in werking is getreden.
feit 1, feit 2 primair en subsidiair en feit 3is niet verjaard, wat maakt dat het OM ontvankelijk is in de vervolging. Dit brengt met zich dat het stellen van de door de verdediging voorgestelde prejudiciële vraag onnodig is en ook gaat met de beantwoording van die vraag geen zaaksoverstijgend belang gemoeid. Het verzoek van de verdediging tot het stellen van een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad moet worden afgewezen.
feit 1 en feit 3ook voor een rechtspersoon strafbaar zijn. Daarnaast is geen sprake van een vervolging met terugwerkende kracht voor
feit 2 subsidiair(dood door schuld door roekeloosheid), omdat het delict pas voltooid is nadat de schuldvorm roekeloosheid strafbaar is gesteld.
(een deel van de) tenlasteleggingbuiten vervolging moet worden gesteld, want er zijn voldoende aanwijzingen voor schuld. Het is aannemelijk dat de overleden personen waarop de beschuldigingen zien in de ten laste gelegde periodes door het verrichten van werkzaamheden voor [verdachte], al dan niet door een ander, aan asbest(vezels) zijn blootgesteld. In de eerste plaats moeten de verweten gedragingen per feit afzonderlijk bezien als één geheel worden beschouwd. In de tweede plaats kunnen de in de tenlastelegging genoemde overleden personen, [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], gelet op de latentietijd van mesothelioom en de reële mogelijkheden van fatale blootstelling, (deels) na 1 september 1976 (de datum van inwerkingtreding van artikel 51, eerste lid, Sr) met asbest(vezels) besmet zijn geraakt.
5.De beoordeling van het bezwaarschrift door de raadkamer
feit 1, feit 2 primair en feit 3) door verjaring is vervallen het volgende.
feit 1,
feit 2 primair en feit 3is verjaard, waarbij de raadkamer per slachtoffer (feit) zal vaststellen wat de aanvangsdatum van de verjaring is, welke verjaringstermijn in dat geval van toepassing is en waarna de raadkamer tot een conclusie komt
De aanvangstermijn van de verjaring
feit 1), 22 juni 2014 (
feit 2 primair) en 20 januari 1994 (
feit 3).
De geldende verjaringstermijn(en)
feit 1) als [overlijdensdatum 3] 1994 (
feit 3) was doodslag dus strafbaar gesteld als een misdrijf met een strafbedreiging van ten hoogste vijftien jaren en dus gold bij de wet die in werking trad op 1 maart 1989 een verjaringstermijn van vijftien jaren. [12] Het recht tot strafvordering zou volgens die wet voor feit 1 en feit 3 met het verstrijken van deze verjaringstermijn op respectievelijk [overlijdensdatum 1] 2008 (
feit 1) en [overlijdensdatum 3] 2009 (
feit 3) door verjaring vervallen. Op 1 januari 2006 is de wet in werking getreden [13] waarin onder andere de verjaringstermijn voor het misdrijf doodslag is gewijzigd naar twintig jaren. De verjaringstermijnen van feit 1 en feit 3 waren op dat moment nog niet verstreken, zodat laatstgenoemde wet, waarin de lopende verjaringstermijnen zijn verlengd, direct van toepassing is. De wetswijziging op zichzelf brengt met zich dat de verjaringstermijnen op [overlijdensdatum 1] 2013 (
feit 1) en [overlijdensdatum 3] 2014 (
feit 3) zouden verlopen. In de tussentijd is bij wet die in werking trad op 1 april 2013 [14] bepaald dat het recht tot strafvordering voor misdrijven met een strafbedreiging van meer dan twaalf jaren, waaronder doodslag, niet kan verjaren. De verjaringstermijnen van feit 1 en feit 3 waren op dat moment nog niet verstreken, zodat de wet die die specifieke misdrijven van verjaring uitsluit, direct van toepassing is. De wetswijzigingen brengen in samenhang bezien met zich dat het recht tot strafvordering voor
feit 1 en feit 3sindsdien niet meer door verjaring kan vervallen.
feit 2 primairkan niet door verjaring vervallen, omdat het misdrijf doodslag sinds 1 april 2013 niet kan verjaren en dit feit nadien zou zijn gepleegd, althans waarvan het gevolg nadien is ingetreden.
De conclusie over verjaring
niethoogst
onwaarschijnlijk is te achten dat de strafrechter, later oordelend,
feit 1, feit 2 primair en feit 3geheel of gedeeltelijk bewezen zal verklaren. Het is op dit moment zonder een volledige inhoudelijke behandeling van de strafzaak op de terechtzitting niet volkomen duidelijk dat de vervolging van [verdachte] evident niet haalbaar is en daarom niet gerechtvaardigd is. Het is, zonder nader onderzoek, niet evident dat [verdachte] voor de haar verweten gedragingen in feit 1, feit 2 primair en feit 3 als rechtspersoon (deels) niet strafbaar is en dat de officier van justitie om die reden of anderszins (deels) niet-ontvankelijk is in de vervolging. De raadkamer komt (vooralsnog) niet toe aan een beoordeling van de standpunten van de verdediging en het OM ten opzichte van feit 2 subsidiair.
6.De beslissing
- wijst het verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad af;
- verklaart het