Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
4.Beslissing
19 mei 2026.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak stond de verduistering van geldbedragen in de periode 2010-2017 centraal, waarbij de feiten onder 1, 2 en 3 subsidiair betrekking hadden op verduistering van geldbedragen in 2011. De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld, maar het cassatieberoep richtte zich op de vraag of de vervolging wegens deze feiten niet verjaard was.
De Hoge Raad oordeelde dat de feiten onder 1, 2 en 3 subsidiair strafbaar zijn gesteld onder artikel 321 Sr Pro, met een maximale gevangenisstraf van drie jaar. De absolute verjaringstermijn bedraagt in dit geval maximaal twaalf jaar. Gelet op de bewijsvoering ontbraken aanknopingspunten dat de feiten na 16 november 2011 zijn voortgezet, waardoor de verjaringstermijn op 17 november 2011 is aangevangen en op 16 november 2023 is verstreken.
Daarom verklaarde de Hoge Raad het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging voor deze feiten wegens verjaring. Tevens werden de vorderingen van de benadeelde partijen afgewezen. De zaak werd terugverwezen naar het hof voor hernieuwde strafoplegging met betrekking tot het onder 4 subsidiair bewezen verklaarde feit. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De vervolging wegens verduistering van geldbedragen in 2011 is verjaard en het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard.