Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Beslissing
6 juni 2017.
Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof veroordeeld wegens opzettelijk gebruik van valse jaarrekeningen bij de verkoop van aandelen van een vennootschap. Het hof stelde vast dat verdachte bewust een pandrecht ter waarde van €150.000,- niet vermeldde in de jaarstukken, terwijl dit van belang was voor de waarde van de aandelen.
De verdediging voerde aan dat verdachte geen accountantskennis had en niet wist dat het pandrecht vermeld moest worden, waardoor opzet ontbrak. Het hof verwierp dit en oordeelde dat verdachte zich bewust was van het pandrecht en de gevolgen van het niet vermelden daarvan.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof en verwierp het cassatieberoep. Daarnaast verklaarde de Hoge Raad ambtshalve dat een ander tenlastegelegd feit wegens verjaring niet vervolgd kan worden, gelet op gewijzigde wetgeving omtrent verjaringstermijnen. De zaak werd terugverwezen voor herbeoordeling van een ander feit.
De Hoge Raad handhaafde de geldboete van €5.000,- subsidiair 60 dagen hechtenis opgelegd door het hof. Hiermee werd het beroep van verdachte verworpen en de straf bevestigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; verdachte wordt veroordeeld tot een geldboete van €5.000,- subsidiair 60 dagen hechtenis wegens opzettelijk gebruik van valse jaarrekeningen.