ECLI:NL:HR:2010:BK1998
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- E.J. Numann
- J. de Hullu
- H.A.G. Splinter-Van Kan
- W.F. Groos
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over verjaring recht tot tenuitvoerlegging vervangende hechtenis bij wetswijziging
In deze zaak stond centraal of het recht tot tenuitvoerlegging van een vervangende hechtenisstraf door verjaring was vervallen na een wetswijziging die de strafmaxima en daarmee de verjaringstermijnen verhoogde.
De veroordeelde was in 1998 onherroepelijk veroordeeld voor oplichting met een strafbedreiging van maximaal drie jaar en een opgelegde schadevergoedingsmaatregel die bij niet-betaling kon worden vervangen door 360 dagen hechtenis. In 2007 werd hij aangehouden om deze vervangende hechtenis te ondergaan. Hij stelde dat het recht tot tenuitvoerlegging was verjaard na acht jaar, conform de oude regeling, en dat de latere wetswijziging die de strafmaxima verhoogde en de verjaringstermijn verlengde, niet van toepassing was.
De voorzieningenrechter wees zijn vordering af, maar het hof gaf hem gelijk en stelde dat de nieuwe, langere verjaringstermijn ook op lopende verjaringstermijnen van toepassing was. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en bevestigde dat het recht tot tenuitvoerlegging moet worden beoordeeld naar de regeling die gold bij aanvang van de tenuitvoerlegging, tenzij de wet anders bepaalt. Omdat de strafbedreiging voor het misdrijf oplichting ongewijzigd bleef, bleef de oude verjaringstermijn van acht jaar gelden en was het recht tot tenuitvoerlegging op het moment van aanhouding verjaard.
De Hoge Raad bekrachtigde het vonnis van de voorzieningenrechter en veroordeelde de veroordeelde in de proceskosten. Hiermee is bevestigd dat een reeds voltooide verjaring geëerbiedigd wordt en dat wetswijzigingen niet leiden tot herleving van een verjaard recht tot tenuitvoerlegging.
Uitkomst: Het recht tot tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis is niet door verjaring vervallen en de vordering van de veroordeelde wordt afgewezen.