Eiseres ontving vanaf 2011 bijstand en stond ingeschreven op het uitkeringsadres. Het college trok de bijstand in en vorderde € 84.707,89 terug over de periode 5 juni 2018 tot 17 augustus 2023, omdat eiseres niet haar hoofdverblijf op het uitkeringsadres zou hebben gehad. De rechtbank onderscheidde twee periodes vanwege extreem laag waterverbruik en aanvullend bewijs.
De rechtbank oordeelde dat het college voldoende bewijs leverde, waaronder extreem laag water-, gas- en elektriciteitsverbruik en geen afvalaanbiedingen, dat het hoofdverblijf niet op het uitkeringsadres was. Eiseres gaf tegenstrijdige verklaringen en slaagde er niet in dit te weerleggen met haar bewijs, zoals receptenhistorie, OV-kaart en verklaringen van onderburen.
Verder werd geoordeeld dat het college de verklaring van eiseres mocht gebruiken ondanks het ontbreken van een tolk, omdat eiseres tijdens het gesprek geen tolk heeft gevraagd en de verklaring ondertekende. De rechtbank concludeerde dat eiseres haar inlichtingenplicht heeft geschonden, waardoor intrekking en terugvordering rechtmatig zijn. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiseres kreeg geen proceskostenvergoeding.