Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3230

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
22 april 2026
Zaaknummer
ARN 24-8253
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 8:32 AwbArt. 8:43 AwbArt. 29, tweede lid, onder c, ZWBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken procesbelang bij wijziging eerste ziektedag

Eiser was arbeidsongeschikt geworden tijdens zijn dienstverband bij een eerdere werkgever en trad later in dienst bij een derde-partij, waar hij zich kort daarna ziek meldde. Het UWV had aanvankelijk het ziekengeld toegerekend aan de derde-partij, maar in een gewijzigd besluit op bezwaar van 28 oktober 2025 werd dit niet meer onder het eigen risico van de derde-partij gebracht.

Eiser voerde aan belang te hebben bij de beoordeling van de eerste ziektedag, omdat dit invloed zou hebben op de periode waarin hij verlof had opgenomen bij zijn vorige werkgever. De rechtbank oordeelde echter dat dit geen feitelijke betekenis heeft voor eiser, aangezien het ziekengeld onverkort door het UWV wordt betaald en het onzeker is of eiser een civiele procedure zal starten tegen zijn vorige werkgever.

Daarnaast stelde eiser dat zijn reputatie was geschaad, maar de rechtbank vond dat hij geen aannemelijk begin van schade had gemaakt. Daarom ontbrak het aan procesbelang en werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

De derde-partij had het beroep ingetrokken nadat het UWV het gewijzigde besluit had genomen. De rechtbank veroordeelde het UWV tot vergoeding van het door de derde-partij betaalde griffierecht en de proceskosten van €1.401.

De uitspraak werd gedaan door rechter H.J. Klein Egelink en griffier B. de Vries op 23 april 2026 te Arnhem.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang; het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan de derde-partij.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/8253

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] uit [plaats 1] , (ex-)werknemer, eiser

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. S. Roodenburg).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[derde-partij], (ex-)werkgeefster, uit [plaats 2]
(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het gewijzigde besluit op bezwaar van 28 oktober 2025. In dit besluit is het ziekengeld dat aan eiser is uitgekeerd op grond van de Ziektewet (ZW), niet toegerekend aan de eigen risicodragende werkgeefster, de derde-partij.
1.1.
De rechtbank is van oordeel dat eiser geen procesbelang heeft bij de beoordeling van het beroep tegen het gewijzigde besluit op bezwaar van 28 oktober 2025. De rechtbank zal het beroep dan ook niet-ontvankelijk verklaren.
Daarnaast bepaalt de rechtbank dat het UWV het door de derde-partij betaalde griffierecht moet vergoeden en veroordeelt de rechtbank het UWV tot vergoeding van de door de derde-partij gemaakte proceskosten in beroep. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben.

Procesverloop

2. Eiser is op 15 september 2022 tijdens zijn dienstverband van juridisch adviseur bij zijn vorige werkgever, de [werkgever] , arbeidsongeschikt geworden. Eiser heeft ontslag genomen bij de [werkgever] en heeft vanaf 14 november 2022 verlof opgenomen tot aan het einde van zijn dienstverband. Op 14 november 2022 is ook zijn behandeling bij de psycholoog gestart.
2.1.
Eiser is op 1 december 2022 bij de derde-partij in dienst getreden in de functie van juridisch adviseur. Kort daarna, op 5 december 2022, dan wel op enig moment in de eerste helft van december 2022, heeft eiser zich ziek gemeld. De derde-partij heeft de arbeidsovereenkomst met eiser in de proeftijd beëindigd met ingang van 1 februari 2023.
2.2.
Bij besluit van 1 februari 2024 heeft het UWV vastgesteld dat eiser recht op ziekengeld heeft per 1 februari 2023 op grond van artikel 29, tweede lid, onder c, van de ZW (einde dienstverband tijdens ziekte) en dat dit ziekengeld onder het eigen risico valt van de derde-partij.
2.3.
Met het besluit van 28 oktober 2024 op het bezwaar van de derde-partij is het UWV bij dat besluit gebleven. Het UWV vindt dat eiser niet ziek bij de derde-partij in dienst is getreden. Hieraan liggen de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) van 24 oktober 2024 en 26 oktober 2024 ten grondslag.
2.4.
De derde-partij heeft beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar van 28 oktober 2024. Eiser heeft een zienwijze ingediend.
2.5.
In beroep heeft het UWV een gewijzigd besluit op bezwaar van 28 oktober 2025 genomen, waarin het ziekengeld op grond van de ZW van eiser niet onder het eigen risico van de derde-partij wordt gebracht. Aan dit gewijzigde besluit ligt het rapport van de verzekeringsarts b&b van 15 september 2025 ten grondslag.
2.6.
Bij brief van 10 november 2025 heeft de derde-partij laten weten dat het UWV met het gewijzigde besluit op bezwaar materieel gezien volledig aan de bezwaren van de derde-partij tegemoet is gekomen. De derde-partij verzoekt de rechtbank het UWV te veroordelen tot vergoeding van de door de derde-partij in beroep gemaakte kosten.
2.7.
Bij brief van 11 november 2025 heeft het UWV meegedeeld zich te kunnen vinden in een veroordeling tot vergoeding van de door de derde-partij in beroep gemaakte kosten conform het Besluit proceskosten bestuursrecht.
2.8.
Bij brief van 24 november 2025 heeft eiser laten weten zich niet te kunnen verenigen met het gewijzigde besluit op bezwaar van 28 oktober 2025 en zijn standpunt onderbouwd met gronden.
2.9.
De derde-partij heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven als bedoeld in artikel 8:43, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.10.
Eiser heeft geen toestemming verleend voor kennisneming door de derde-partij van de stukken die medische gegevens bevatten. De rechtbank heeft daarom, onder toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Awb bepaald dat kennisneming van de medische stukken voorbehouden is aan de gemachtigde van de derde-partij.
2.11.
De rechtbank heeft het beroep op 3 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van het UWV en de gemachtigde van de derde-partij deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank merkt het gewijzigde besluit op bezwaar van 28 oktober 2025 aan als een besluit in de zin van artikel 6:19 van Pro de Awb. Zowel voor de derde-partij als voor eiser is van rechtswege beroep ontstaan tegen dit gewijzigde besluit op bezwaar. [1]
3.1.
De brief van de derde-partij van 10 november 2025 behelst naar het oordeel van de rechtbank de intrekking door de derde-partij van het beroep gericht tegen de besluiten op bezwaar van 28 oktober 2024 en 28 oktober 2025, met daarbij het verzoek om het UWV te veroordelen in de door de derde-partij in beroep gemaakte proceskosten.
3.1.1.
Ten aanzien van eiser geldt, dat wat hij in zijn reactie van 24 november 2025 op het gewijzigde besluit op bezwaar heeft aangevoerd, moet worden aangemerkt als zijnde gronden van beroep.
3.2.
Gelet op het voorgaande staan ter beoordeling van de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit op bezwaar van 28 oktober 2025 en het verzoek van de derde-partij om het UWV te veroordelen tot vergoeding van de door de derde-partij in beroep gemaakte proceskosten.
Beroep van eiser
4. De rechtbank ziet zich in deze zaak in de eerste plaats ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser voldoende procesbelang heeft bij zijn beroep tegen het besluit op bezwaar van 28 oktober 2025.
4.1.
Het procesbelang is het belang dat iemand heeft bij de uitkomst van de procedure, die hij met zijn bezwaar of (hoger) beroep wil en kan bereiken. Volgens vaste rechtspraak is voor het aannemen van procesbelang vereist dat het resultaat dat de indiener van het bezwaarschrift, beroepschrift of hogerberoepschrift nastreeft ook daadwerkelijk bereikt kan worden en het realiseren daarvan voor de betrokkene feitelijke betekenis kan hebben. Het hebben van alleen een formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. [2]
Op basis van vaste rechtspraak wordt procesbelang (ook) aangenomen, als de indiener stelt dat het bestreden besluit een rechtstreeks feitelijk gevolg heeft, waarvan hij in een andere, al dan niet bestuursrechtelijke, [3] rechtsverhouding nadeel zal ondervinden en de in de voorliggende zaak op bestuursrechtelijke gronden te nemen beslissing voor het al dan niet intreden van dit gevolg beslissend is. [4]
Aan een verzoek om schadevergoeding kan slechts een procesbelang worden ontleend, als de stelling dat schade is geleden als gevolg van de bestuurlijke besluitvorming niet op voorhand onaannemelijk is. [5]
5. Eiser heeft tijdens de zitting gesteld dat hij belang heeft bij de beoordeling van de (juistheid van de) eerste ziektedag binnen deze procedure. Als het UWV terecht is uitgegaan van 14 november 2022 als eerste ziektedag, heeft hij, zo stelt hij, voor de periode van 14 november 2022 tot 1 december 2022 ten onrechte verlof opgenomen bij de [werkgever] . Hij zal zich dan met een uitspraak van de rechtbank tot de [werkgever] (kunnen) wenden, met het verzoek om het verlof over deze periode alsnog uit te betalen.
5.1.
De rechtbank stelt allereerst vast dat in het besluit op bezwaar van 28 oktober 2025 is besloten dat het ziekengeld voor eiser niet valt onder het eigen risico van de derde-partij. Niet de derde-partij, maar het UWV zal de kosten van het aan eiser uitgekeerde ziekengeld dragen. Het besluit op bezwaar van 28 oktober 2025 heeft geen invloed gehad op de ontvangst van eiser van ziekengeld over de periode van 1 februari 2023 tot 8 december 2023. [6] Zoals eiser zelf in zijn brief van 24 november 2025 heeft aangegeven, is het hem ook om het even wie uiteindelijk wordt belast met de betaling van zijn ziekengeld.
De rechtbank merkt op, dat zelfs indien de rechtbank eiser in zijn standpunt zou volgen dat de eerste ziektedag niet 14 november 2022 zou moeten zijn, maar 15 september 2022 [7] , zoals eiser tijdens de zitting heeft gesteld, dit geen feitelijke betekenis voor eiser heeft. Eiser zou onverkort recht hebben op ziekengeld over de periode van 1 februari 2023 tot 8 december 2023. Op basis hiervan kan de rechtbank geen procesbelang van eiser bij het beroep aannemen.
5.2.
Ten tijde van de zitting van deze rechtbank loopt er geen civiele procedure tussen eiser en de [werkgever] . Of eiser in de toekomst een (civiele) procedure begint tegen de [werkgever] , waarin hij de door hem vanaf 14 november 2022 opgenomen verlofdagen vergoed wil zien, is een onzekere toekomstige gebeurtenis. Dit acht de rechtbank onvoldoende om in deze procedure aan te nemen dat eiser nog procesbelang heeft. [8]
5.3.
Eiser heeft in zijn brief van 24 november 2025 en tijdens de zitting ook nog aangevoerd dat zijn eer en goede naam (reputatie) zijn geschonden en dat hij als gevolg daarvan vermogensschade en immateriële schade lijdt. Hij heeft de indruk, dat hem wordt nagedragen, dat hij ziek bij de derde-partij in dienst is getreden.
5.4.
Nog daargelaten dat het gaat om een subjectieve indruk, is de rechtbank van oordeel dat eiser niet een begin van schade aannemelijk heeft gemaakt. Eiser heeft geen feiten en omstandigheden gesteld en onderbouwd, waaruit kan volgen dat eiser als gevolg van de besluitvorming psychisch leed heeft ondervonden. De rechtbank kan dan ook niet tot de conclusie komen dat de door eiser gestelde schade als gevolg van het besluit van 28 oktober 2025 op voorhand niet onaannemelijk is. Dit betekent dat aan het verzoek om schadevergoeding vanwege schendig van eer en goede naam evenmin procesbelang kan worden ontleend.
6. Uit het bovenstaande volgt dat eiser geen belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep. Het beroep is niet-ontvankelijk.
Verzoek proceskostenveroordeling
7. Ten aanzien van het verzoek van de derde-partij om het UWV te veroordelen in de proceskosten, oordeelt de rechtbank met inachtneming van de uitspraak van de CRvB van 7 oktober 2016 [9] als volgt. Met het gewijzigde besluit op bezwaar van 28 oktober 2025, waarbij het UWV het ziekengeld niet heeft toegerekend aan de derde-partij, is het UWV volledig tegemoet gekomen aan het beroep van de derde-partij. Om die reden moet het UWV het door de derde-partij betaalde griffierecht vergoeden en wordt het UWV veroordeeld tot vergoeding van de door de derde-partij gemaakte proceskosten.
Deze proceskostenvergoeding bedraagt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht en met inachtneming van de uitspraak € 1.401 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 0,5 punt voor het indienen van de schriftelijke uiteenzetting, met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1).

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is niet-ontvankelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van de gemaakte proceskosten.
9. De derde-partij krijgt van het UWV het betaalde griffierecht terug en ook een vergoeding van de gemaakte proceskosten.

Beslissing

De rechtbank
  • verklaart het beroep van eiser niet-ontvankelijk;
  • veroordeelt het UWV in de kosten van de derde-partij tot een bedrag van € 1.401;
  • bepaalt dat het UWV aan de derde-partij het in beroep betaalde griffierecht van in totaal € 371 vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Klein Egelink, rechter, in aanwezigheid van
mr. B. de Vries, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3508 en Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 7 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3706.
2.CRvB van 28 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:194, en 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4919
3.CRvB 13 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3264.
4.CRvB van 9 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:53, 13 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1669, en 11 april 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:841.
5.CRvB van 24 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1887 en 15 januari 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:101.
6.Vgl ook CRvB 8 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:493, overweging 5.1.
7.Zie overweging 2.
8.Vgl rechtbank Oost-Brabant van 20 juni 2017, ECLI:NL:RBOBR:2017:3336 en rechtbank Amsterdam van 9 februari 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:1934.