Appellant, gediagnosticeerd met depressie en angststoornissen, ontving ondersteuning op grond van de Wmo 2015. Het college verstrekte hem een maatwerkvoorziening voor thuisondersteuning van 14 april 2021 tot 13 april 2022. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang. De rechtbank bevestigde dit oordeel en verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat hij wel procesbelang had omdat hij psychisch leed had geleden door het besluit, waaronder opname in een ggz-instelling en materiële schade zoals reiskosten. De Raad oordeelde dat het bestaan van psychisch leed en materiële schade niet op voorhand onaannemelijk is en dat appellant daardoor voldoende procesbelang heeft.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en droeg het college op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, met inachtneming van de overwegingen. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht van appellant.