Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15661

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
C/09/522385 / HA ZA 16-1322
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:23 BWArt. 6:89 BWArt. 6:74 BWArt. 6:270 BWArt. 6:271 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke ontbinding en schadevergoeding wegens gebrekkige levering en installatie van kasinstallaties

In deze civiele procedure tussen Lek Installatietechniek B.V. en de gedaagden, waaronder een vennootschap onder firma (VOF) in liquidatie en een vennoot, staat de nakoming van koop- en aannemingsovereenkomsten voor kasinstallaties centraal.

De rechtbank heeft deskundigenrapporten van TNO en FW Techniek laten uitvoeren om de gebreken en tekortkomingen in de geleverde installaties te beoordelen. De klachten betreffen onder meer onvoldoende capaciteit en gelijkmatigheid van het ventilatiesysteem, niet aangesloten drycoolers, ontbrekende radiatoren, gebrekkige elektrische installaties en problemen met de belichtingsinstallatie.

De rechtbank oordeelt dat Lek toerekenbaar tekort is geschoten en dat de overeenkomsten gedeeltelijk ontbonden mogen worden. De prijsvermindering wordt geschat op 80% van de prijs van het ventilatiesysteem, met aanvullende prijsverminderingen voor andere gebreken. Tevens wordt schadevergoeding toegekend voor waterschade en kosten van deskundigenonderzoek. De vorderingen van Lek tegen de vennoot worden grotendeels afgewezen, terwijl tegen de VOF een betalingsverplichting met rente wordt opgelegd.

Het debat over aanvullende schade wegens energiekosten en teeltschade wordt verwezen naar de schadestaat vanwege de complexiteit. Proceskosten worden deels toegewezen en deels gecompenseerd. De rechtbank verduidelijkt ook de identiteit van de procespartij en wijst eiswijzigingen deels af wegens te late klachten en ontoelaatbare uitbreiding van vorderingen.

Uitkomst: De rechtbank wijst gedeeltelijke ontbinding en schadevergoeding toe wegens tekortkomingen in kasinstallaties en bepaalt de omvang van prijsvermindering en kostenvergoedingen.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel
zaaknummer / rolnummer: C/09/522385 / HA ZA 16-1322
Vonnis van 3 juni 2026
in de zaak van
LEK INSTALLATIETECHNIEK B.V., te Ter Aar,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat mr. D.Th.J. van der Klei te Den Haag,
tegen
1. [partij B sub1]
VOF (in liquidatie), voorheen handelend onder de naam ‘ [handelsnaam 1] ’, te [vestigingsplaats] ,
2.
[partij B sub 2],
voorheen handelend onder de naam ‘ [handelsnaam 2]’, te [vestigingsplaats] ,
gedaagden in conventie,
eisers in reconventie,
advocaat mr. J.M. van Rongen te Heerenveen.
Eiseres in conventie (tevens verweerster in reconventie) wordt hierna ‘Lek’ genoemd.
Gedaagden in conventie (tevens eisers in reconventie) worden hierna afzonderlijk – in lijn met alle eerdere tussenvonnissen – ‘ [partij B sub1] ’ en ‘ [partij B sub 2] ’ genoemd en samen ‘ [gedaagden] ’. Hierbij wordt benadrukt dat met gedaagde sub 1, afgekort aangeduid als ‘ [partij B sub1] ’ [partij B sub1] (voorheen genaamd: [handelsnaam 1] ) is bedoeld, en niet [vennoot 1] , de vennoot van die firma. De rechtbank gaat hier in dit vonnis nog nader op in.

1.De procedure

1.1.
In het tussenvonnis van 21 oktober 2020 zijn TNO (afdeling Bouw, Infra en Maritiem/Glastuinbouw) (‘TNO’) en FW Techniek-Consultancy B.V. (‘FW Techniek’) door de rechtbank tot deskundigen benoemd om antwoord te geven op de in dat vonnis geformuleerde vragen. De rechtbank heeft sindsdien de volgende tussenvonnissen en (rol)beslissingen gewezen:
  • het tussenvonnis van 30 november 2022, waarin een aanvullend voorschot voor het onderzoek van TNO is bepaald;
  • het tussenvonnis van 30 november 2024, waarin een tweede aanvullend voorschot voor het onderzoek van TNO is bepaald en aan TNO een extra termijn is verleend voor het indienen van het definitieve rapport;
  • de rolbeslissing van 12 maart 2025, waarin een verzoek van [gedaagden] tot ontslag van TNO als deskundige is afgewezen;
  • het tussenvonnis van 30 juli 2025, waarin de kosten van het deskundigenonderzoek van TNO zijn begroot, op basis van (thans) artikel 191, eerste lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
De partijstukken waarop deze beslissingen zijn gebaseerd zijn in de tussenvonnissen en de rolbeslissingen genoemd.
1.2.
FW Techniek heeft op 23 april 2021 zijn definitieve deskundigenrapport ingediend. TNO heeft op 15 mei 2025 haar definitieve rapport ingeleverd. Die rapporten (met alle bijlagen) behoren tot de processtukken. De rechtbank heeft op 23 juni 2025 instructies voor het verdere vervolg van de procedure gegeven en bepaald dat een mondelinge behandeling zal plaatsvinden. Voorafgaand aan die mondelinge behandeling zijn de volgende stukken door partijen ingediend:
  • de akte in conventie tot wijziging van eis en/of gronden ex art. 130 Rv Pro van Lek van 18 december 2024, met producties XII (1 t/m 6);
  • de conclusie na deskundigenbericht van Lek van 15 oktober 2025, met producties XIII (1 t/m 8);
  • de conclusie na deskundigenbericht van [gedaagden] van 15 oktober 2025, tevens akte bezwaar tegen wijziging/vermeerdering eis in conventie tevens wijziging/vermeerdering van eis in reconventie, met producties M1 t/m M27;
  • de antwoordakte na deskundigenbericht tevens conclusie van repliek inzake punten 3 en 4 (eiswijziging Lek en de vorderingsgerechtigheid van [gedaagden] ) van Lek van 10 december 2025, met producties XIII (9 t/m 18) en XIV (0 t/m 21);
  • de antwoordakte van [gedaagden] van 10 december 2025, met producties M28 t/m M31;
  • de antwoordakte (op onderdelen 6, 7 en 8 en producties XIV van de akte van Lek van 10 december 2025) van [gedaagden] van 14 januari 2026, met producties M32 t/m M35;
  • de voorwaardelijke conclusie van [gedaagden] tot oproeping van een derde ex artikel 118 Rv Pro) van [gedaagden] van 14 januari 2026;
  • de incidentele conclusie van antwoord van Lek van 28 januari 2026, met producties XIV (22 en 23).
De rechtbank heeft op 31 oktober, 3 november en 19 december 2025 naar aanleiding van bezwaren van partijen een aantal regiebeslissingen genomen, waarbij onder meer is bepaald dat bepaalde onderdelen van de door Lek ingediende conclusies, akten en producties worden geweigerd en dat de eiswijziging in reconventie van [gedaagden] wordt toegestaan.
1.3.
Op 6 februari 2026 is een mondelinge behandeling gehouden. De advocaten van partijen hebben het woord gevoerd aan de hand van schriftelijke spreekaantekeningen, die ter zitting zijn overhandigd en tot de processtukken behoren. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat verder ter zitting is besproken en naar voren is gebracht. De aantekeningen zijn aan het griffiedossier toegevoegd.
1.4.
Voorafgaand aan de mondelinge behandeling (op 27 januari 2026) zijn door Lek nog aanvullende producties XV (1 t/m 4, met bijlagen) toegezonden. De rechtbank heeft ter zitting bepaald dat deze producties worden toegestaan en tot de processtukken horen, maar dat [gedaagden] nog gelegenheid krijgen om daarop schriftelijk te reageren, indien die stukken de doorslag kunnen geven bij de beoordeling van de vorderingen.
1.5.
De datum voor vonnis is bepaald op vandaag.

2.De verdere beoordeling (in conventie en in reconventie)

2.1.
De rechtbank heeft in het eerste inhoudelijke tussenvonnis van 14 maart 2018 (‘het Tussenvonnis’) al meerdere beslissingen gegeven. Nog niet beantwoord is de vraag in hoeverre sprake is van een toerekenbare tekortkoming aan de kant van Lek en of die tekortkoming [gedaagden] recht geeft op gedeeltelijke ontbinding en schadevergoeding. De rechtbank zal in dit vonnis verder ingaan op die vraag, aan de hand van de deskundigenrapporten van TNO en FW Techniek en de standpunten die partijen hierover hebben ingenomen.
2.2.
Voordat wordt toegekomen aan dit geschilpunt, ligt nog een aantal andere geschilpunten ter beslechting voor, te weten (1) de toelaatbaarheid van de eiswijziging in conventie van Lek, (2) de hoedanigheid en identiteit van procespartij [partij B sub1] , (3) de door Lek betwiste vorderingsgerechtigheid van [gedaagden] en (4) het verzoek van Lek om terug te komen van meerdere bindende eindbeslissingen in het Tussenvonnis.
2.3.
Over deze vier geschilpunten wordt als volgt beslist.
De eiswijziging in conventie van 18 december 2024 wordt deels geweigerd, deels toegestaan
2.4.
Lek heeft op 18 december 2024 een akte tot wijziging van (gronden van) de eis in conventie ingediend. [gedaagden] hebben bezwaar gemaakt tegen de wijziging van eis. De rechtbank beslist ten aanzien daarvan als volgt.
  • De eiswijziging van vordering III (waarin thans een deelbetaling van € 10.000 voor de kosten van Lek wordt gevorderd) wordt toegestaan. Daartegen hebben [gedaagden] ook geen bezwaar. Zij voeren wel inhoudelijk verweer.
  • De toevoeging in vordering I ‘
  • De toevoeging
Gedaagde/eiser in reconventie onder sub 1 is de VOF [partij B sub1] (in liquidatie)
2.5.
Tussen partijen is een geschil ontstaan over de hoedanigheid en identiteit van de procespartij gedaagde sub 1 (tevens eiser in reconventie sub 1), die tot voor kort in de processtukken en de tussenvonnissen afgekort is aangeduid als ‘ [partij B sub1] ’. Lek stelt dat zij niet [partij B sub1] , voorheen handelend onder de naam ‘ [handelsnaam 1] ’ (‘de VOF’) heeft gedagvaard, maar diens vennoot [vennoot 1] , op basis van zijn hoofdelijke aansprakelijkheid op basis van artikel 18 WvK Pro. Dat houdt volgens Lek ook in dat [vennoot 1] (de vennoot) geen vordering in reconventie kan instellen op basis van de overeenkomst van 30 mei 2012. Op grond van artikel 136 Rv Pro en artikel 7A:1655 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan alleen de VOF dat, aldus Lek. [gedaagden] betwisten het door Lek ingenomen standpunt. Volgens [partij B sub1] is uitsluitend de VOF de in rechte betrokken procespartij en niet [vennoot 1] zelf, in zijn hoedanigheid van vennoot.
2.6.
De vraag wat de hoedanigheid en identiteit van een betrokken gedaagde procespartij is, vergt uitleg van de processtukken van partijen. Hierbij fungeert de wilsvertrouwensleer als maatstaf. Het gaat er om wat de betrokkenen uit die processtukken hebben begrepen of althans redelijkerwijs hadden moeten begrijpen (artikelen 3:33, 3:35 en 3:59 BW). Daarbij geldt ook dat strenge eisen worden gesteld aan de duidelijkheid van het dagvaardingsexploot, in verband met de aard van dat stuk en de belangen van de wederpartij. Een eisende partij moet dus helder omschrijven wat de hoedanigheid en identiteit is van de eisende partij en van de gedaagde partij [1] en die omschrijving weegt zwaar bij de beoordeling van de vraag welke (rechts)persoon in rechte is betrokken.
2.7.
Tussen partijen is niet in geschil dat één van de twee overeenkomsten van 30 mei 2012 (‘de overeenkomsten’) – die de basis vormen van alle vorderingen in deze procedure – is gesloten tussen Lek en de VOF (toen nog geheten: [handelsnaam 1] ). De VOF had twee vennoten: [vennoot 1] en zijn echtgenote [vennoot 2] ’). Lek heeft op basis van de overeenkomsten een vordering tot betaling van facturen ingesteld. Uit het exploot van dagvaarding blijkt dat Lek als gedaagde partij 1 heeft gedagvaard: ‘
[vennoot 1] voorheen h.o.d.n. [handelsnaam 1]’, in de dagvaarding vervolgens verkort aangeduid als ‘ [partij B sub1] ’. Deze partijomschrijving is niet heel duidelijk: enerzijds wordt de naam van de vennoot genoemd ( [vennoot 1] ), anderzijds wordt verwezen naar de handelsnaam van de VOF ( [handelsnaam 1] ). Uit de toelichting van het geschil en de vordering in de dagvaarding blijkt echter onmiskenbaar dat het de bedoeling van Lek is geweest om de wederpartij te dagvaarden met wie zij destijds de overeenkomst heeft gesloten. Niet ter discussie staat dat dit de VOF was, toen handelend onder de naam [handelsnaam 1] (en sinds 1 augustus 2015 handelend onder de naam ‘ [partij B sub1] ’). Voor Lek moet ook duidelijk zijn geweest dat de contractspartij [handelsnaam 1] een vennootschap onder firma was, want Lek heeft bij de dagvaarding als productie 4 een uittreksel uit het handelsregister van de VOF overgelegd en zij werd bijgestaan door een advocaat. Nergens uit de dagvaarding blijkt dat het Lek voor ogen heeft gestaan om niet de contractuele wederpartij (de VOF voorheen handelend onder de naam [handelsnaam 1] ), maar haar vennoot [vennoot 1] in rechte te betrekken, op basis van zijn hoofdelijke aansprakelijkheid op grond van artikel 18 WvK Pro. Artikel 18 WvK Pro wordt in de dagvaarding ook nergens genoemd.
2.8.
Partij [partij B sub1] is vervolgens in het geding verschenen en heeft (samen met [partij B sub 2] ) op 25 januari 2017 een conclusie van antwoord (tevens conclusie van eis in reconventie) ingediend. In de kop van die conclusie staat dat deze mede is genomen namens
[vennoot 1] h.o.d.n. [partij B sub1], in de conclusie vervolgens (evenals in de dagvaarding) afgekort als ‘ [partij B sub1] ’. Weliswaar is ook in de partijomschrijving in de kop van de conclusie niet met zoveel woorden toegevoegd dat partij [partij B sub1] een vennootschap onder firma is, maar uit de inhoud van de conclusie blijkt dat het de VOF is die is verschenen. Immers, [partij B sub1] was op dat moment de handelsnaam van de VOF. Daarnaast is in de conclusie opgemerkt dat partij [partij B sub1] de overeenkomst met Lek heeft gesloten en dat [vennoot 1] zijn onderneming uitoefent vanuit een vennootschap onder firma. [2] Uit de conclusie blijkt op geen enkele wijze dat [partij B sub1] het zo heeft begrepen dat niet de contractant (de VOF), maar (alleen) hijzelf in hoedanigheid van vennoot was gedagvaard. Bovendien heeft [partij B sub1] in de conclusie van 25 januari 2017 diverse vorderingen in reconventie ingesteld, eveneens op basis van de tussen Lek en de VOF gesloten overeenkomst. Lek heeft daarop met een conclusie van antwoord in reconventie gereageerd. In dit antwoord heeft Lek nergens als verweer aangevoerd dat [partij B sub1] de vorderingen in reconventie niet kan instellen, omdat Lek niet de VOF had gedagvaard, maar [partij B sub1] in zijn hoedanigheid van vennoot. Ook tijdens de mondelinge behandeling van 19 september 2017 is dat verweer niet gevoerd.
2.9.
[partij B sub1] mocht dan ook ervan uitgaan dat tussen partijen niet in geschil was wie door Lek als procespartij in rechte was betrokken, namelijk de contractuele wederpartij bij de overeenkomst: de VOF [partij B sub1] , voorheen handelend onder de naam [handelsnaam 1] . Dat de rechtbank in de eerdere tussenvonnissen de procespartij heeft omschreven als ‘ [vennoot 1] ’ (en niet als [partij B sub1] ), vloeit voort uit het feit dat Lek in de dagvaarding zelf onvoldoende duidelijk tot uitdrukking heeft gebracht dat zij een vennootschap onder firma had gedagvaard en dat de hoedanigheid, de identiteit of de vorderingsgerechtigheid van partij [partij B sub1] tot voor kort nooit een onderwerp van geschil zijn geweest. Uit het voorgaande volgt evenwel dat de gedingstukken geen andere uitleg toelaten dan dat de VOF de door Lek gedagvaarde procespartij is en dat de VOF een vordering in reconventie heeft ingesteld. Het stond [gedaagden] dan ook vrij om de onduidelijkheid in de partijnaam in haar latere conclusie van 15 oktober 2025 te rectificeren en te verduidelijken dat procespartij is: ‘ [partij B sub1] VOF’ (in liquidatie), teneinde te voorkomen dat in een latere (executie)fase onduidelijkheden bestaan ten aanzien van de vraag tussen welke partijen het vonnis rechtskracht heeft. [3]
2.10.
Het voorgaande betekent ook dat Lek de grondslag van haar vordering in conventie nu niet kan uitbreiden door in een eiswijziging toe te voegen dat deze mede is gebaseerd op artikel 18 WvK Pro. Lek heeft alleen de VOF gedagvaard en niet (tevens) diens vennoot [vennoot 1] . Uitbreiding of wijziging van de grondslag van de vordering naar een vordering tegen de vennoot op grond van artikel 18 WvK Pro zou neerkomen op een ontoelaatbare wijziging van de hoedanigheid en identiteit van de in rechte betrokken procespartij.
2.11.
De rechtbank zal geen gevolg geven aan de voorwaardelijke vordering tot oproeping van [vennoot 2] in dit geding. De VOF is in conventie en in reconventie procespartij. Weliswaar is de VOF sinds 25 september 2019 ontbonden en in liquidatie, maar ook een ontbonden VOF in vereffening kan zelfstandig als eisende en werende partij blijven optreden. De VOF (in liquidatie) is in deze procedure vertegenwoordigd door haar voormalig vennoot en (thans) medevereffenaar [vennoot 1] , die van zijn medevennoot en medevereffenaar [vennoot 2] een schriftelijke volmacht heeft verkregen om namens de VOF op te treden en alles te doen wat hij in het kader van de vereffening van de VOF noodzakelijk acht, met – voor zover nodig – bekrachtiging van alle eerdere door hem namens de VOF verrichte rechtshandelingen. [4] Er bestaat geen noodzaak of aanleiding om [vennoot 2] in het geding te betrekken.
[gedaagden] zijn nog steeds vorderingsgerechtigd
2.12.
Lek heeft betoogd dat [gedaagden] niet langer gerechtigd zijn tot hun vorderingen in reconventie, aangezien alle activa van de VOF op 25 november 2019 zijn overgedragen aan [de BV 1] B.V. Hetzelfde is op 20 december 2023 gebeurd met de activa van de eenmanszaak [handelsnaam 2] , die zijn ingebracht in [de BV 2] B.V. (hierna samen met [de BV 1] B.V.: ‘de BV’s). Aannemelijk is dat bij die overdracht ook de gestelde vorderingen in reconventie op Lek zijn meegenomen, aldus Lek. Dit betoog wordt niet gevolgd. De rechtbank licht dit toe.
2.13.
Vast staat dat de contractuele rechtsverhouding tussen de VOF en Lek en tussen [partij B sub 2] en Lek niet aan de BV’s is overgedragen, want daarvoor is op grond van artikel 6:159 BW Pro toestemming nodig van Lek, die – zo is niet in geschil – niet is gegeven.
2.14.
Evenmin is sprake van overdracht van de vorderingen in reconventie aan een derde (besloten vennootschappen van [gedaagden] ). Op grond van artikel 3:94 BW Pro zijn voor de overdracht van vorderingen noodzakelijk (1) een daartoe bestemde akte en (2) mededeling daarvan aan de debiteur. Overdracht van een vordering vereist een titel: een verbintenisrechtelijke overeenkomst waarbij de oorspronkelijke schuldeiser (de cedent) zich verplicht om een vordering aan een ander (de cessionaris) over te dragen.
Indien in een akte melding wordt gemaakt van een over te dragen vordering, maar daarvoor geen overeenkomst tussen partijen bestaat, gaat die vordering dus niet over, omdat dan niet aan het vereiste van een geldige titel is voldaan. Voor de uitleg van de vraag of een overdracht van een vordering is overeengekomen, is de tekst van de cessie-akte niet beslissend; het komt aan op de betekenis die de betrokken partijen (cedent en cessionaris) aan de akte mochten toekennen en wat zij in verband daarmee redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (Haviltex-maatstaf). [5] In dit geval stelt Lek dat uit de oprichtingsakten van de BV’s volgt dat de vorderingen op Lek aan de BV’s zijn overgedragen, maar dat staat daar nergens met zoveel woorden. Bovendien hebben zowel de gestelde cedenten ( [partij B sub1] en [partij B sub 2] ) als de gestelde cessionarissen (de BV’s) betwist dat tussen hen is overeengekomen dat de vorderingen op Lek aan de BV’s worden gecedeerd. Van een titel (een verbintenisrechtelijke afspraak) tot overdracht van de vorderingen is dus niet gebleken. Bovendien is nooit mededeling aan Lek gedaan van een cessie van de vordering aan de BV’s, zodat ook daarom geen sprake kan zijn van een rechtsgeldige cessie. De op 23 november 2024 door de besloten vennootschappen van [partij B sub1] zekerheidshalve verstuurde stuitingsbrief kan niet als een mededeling van cessie worden opgevat. In die brief valt namelijk nergens te lezen dat de besloten vennootschappen de in deze procedure ingestelde vorderingen op Lek hebben overgenomen.
2.15.
Evenmin slaagt het verweer van Lek dat [gedaagden] niet vorderingsgerechtigd zijn, omdat zij hun vorderingen op Lek aan de Rabobank hebben verpand en de inningsbevoegdheid van de vorderingen is overgegaan op de bank. Lek heeft niet concreet onderbouwd dat de vorderingen zijn verpand aan de bank. Bovendien blijft een pandgever bevoegd tot het vorderen van nakoming en innen van een vordering, zolang het pandrecht niet aan de schuldenaar van de vordering is medegedeeld (artikel 3:246, eerste lid BW). Gesteld noch gebleken is dat op enig moment aan Lek is medegedeeld dat de vorderingen van [gedaagden] op Lek aan de bank zijn verpand. Anders dan Lek betoogt, is de vermelding van een pandrecht van de Rabobank in een gedeponeerde publicatiejaarrekening geen mededeling van het pandrecht aan de debiteur als bedoeld in artikel 3:246, eerste lid BW. Bovendien verwijst Lek hiertoe naar een publicatiejaarrekening 2016 van [bedrijfsnaam 1] B.V., die geen vordering op Lek heeft.
2.16.
De rechtbank is dus van oordeel dat [gedaagden] nog steeds gerechtigd zijn tot hun vorderingen in reconventie. [gedaagden] kunnen dan ook nog steeds gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomsten en terugbetaling wegens ongedaanmaking vorderen. Wel staat vast dat [gedaagden] de door Lek verkochte en geïnstalleerde installaties inmiddels hebben overgedragen aan de BV’s. De rechtbank zal hierna nog ingaan op de vraag of, en zo ja welke, gevolgen die overdracht heeft voor de door [gedaagden] gevorderde ontbindingsschade (bestaande uit herstelkosten).
Er wordt niet teruggekomen van bindende eindbeslissingen in het Tussenvonnis
2.17.
Het Tussenvonnis bevat meerdere beslissingen over door partijen opgeworpen (juridische) geschilpunten. Die beslissingen zijn uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven en kwalificeren daarmee als bindende eindbeslissingen. Zo heeft de rechtbank – voor zover thans van belang – geoordeeld dat de vordering van Lek in conventie niet toewijsbaar is voor zover deze betrekking heeft op betwist meerwerk, wegens onvoldoende onderbouwing daarvan door Lek. Het gaat dan ten opzichte van [partij B sub1] om een bedrag van € 2.839,66 dat niet toewijsbaar is en ten opzichte van [partij B sub 2] om een bedrag van € 58.762,35 (Tussenvonnis, r.o. 4.3). Verder heeft de rechtbank – ten aanzien van de vorderingen in reconventie – verworpen het beroep van Lek op niet-ontvankelijkheid omdat een in artikel 23, vierde lid AV voorgeschreven bindend advies procedure door een deskundige zou moeten worden gevolgd (Tussenvonnis, r.o. 4.5). Ook is geoordeeld dat Lek medio 2015 in verzuim was, omdat Lek geen gevolg heeft gegeven aan de ingebrekestellingen van 21 mei 2015 (mits [gedaagden] erin slagen het in de ingebrekestellingen genoemde tekortschieten van Lek te bewijzen), en dat [gedaagden] wel op 22 maart 2013 de betaling van facturen mochten opschorten, maar Lek andersom niet bevoegd was om tot opschorting over te gaan vanwege het uitblijven van betaling door [gedaagden] (Tussenvonnis, r.o. 4.8 en 4.15).
Ten slotte heeft de rechtbank het beroep van Lek op het experimentele karakter van de overeenkomsten en de parallellen met een volgens Lek vergelijkbare overeenkomsten uit een scheidsrechterlijk vonnis, verworpen (Tussenvonnis, r.o. 4.23).
2.18.
De rechtbank is in het verdere verloop van deze procedure in beginsel aan al deze bindende eindbeslissingen gebonden. Deze gebondenheid is gericht op beperking van het debat en is uit het oogpunt van de goede procesorde positief te waarderen. Op die gebondenheid bestaat een uitzondering. De rechter kan van een bindende eindbeslissing terugkomen indien blijkt dat die beslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bijvoorbeeld als dit oordeel was gegrond op een onhoudbare feitelijke lezing van een of meer gedingstukken, welke lezing, bij handhaving, zou leiden tot een einduitspraak waarvan de rechter overtuigd is dat die ondeugdelijk zou zijn. [6]
2.19.
Lek heeft de rechtbank verzocht om terug te komen van de eerdere gegeven bindende eindbeslissingen over het meerwerk, het oudste verzuim, het recht op opschorting, het experimentele karakter en de bindend advies clausule. Lek heeft echter geen feiten of omstandigheden aangedragen waaruit blijkt dat die beslissingen berustten op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag. Voor het heropenen van het debat over die beslispunten is geen plaats. Ten aanzien het beroep van Lek op de bindend adviesclausule van artikel 23, vierde lid AV geldt dat de rechtbank in r.o. 4.5 van het Tussenvonnis die bepaling heeft uitgelegd en heeft geconcludeerd dat die bepaling niet ertoe leidt dat [gedaagden] niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vorderingen in reconventie. Lek is het niet eens met dat oordeel, maar heeft geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat sprake is van een juridische misslag. Er is dus geen grond om van die beslissing terug te komen.
2.20.
De rechtbank blijft dus bij de beslissingen die in het Tussenvonnis zijn gegeven en neemt deze bij de verdere beoordeling tot uitgangspunt.
Nieuwe klachten [gedaagden] (CO2-transportleiding, stikstofvoorraadvat, materiaal LBK’s), schending klachtplicht
2.21.
[gedaagden] hebben in hun conclusie na deskundigenbericht een aantal ‘nieuwe’ non-conformiteiten in de door Lek geleverde installaties aan de orde gesteld, waar volgens Lek nog niet eerder met zoveel woorden over is geklaagd. Het betreft de volgende klachten:
De luchtbehandelingskasten (LBK’s) van het ventilatiesysteem zijn volgens [gedaagden] niet in het afgesproken materiaal uitgevoerd. In de overeenkomsten staat dat de wanden van de LBK’s zijn opgebouwd uit aluminium extrusie profielen en dat de panelen in de LBK’s sandwichpanelen zijn met aan beide zijden aluminium en gecoat plaatmateriaal. In plaats van aluminium zijn (goedkopere) stalen platen gebruikt. Dit is in het rapport van Nebest van 1 oktober 2025 vastgesteld (productie M21 [gedaagden] ). De stalen platen zijn gaan corroderen, waardoor de ventilatiesystemen (nog) minder goed werken en sneller verouderen.
Daarnaast is geconstateerd dat de CO2-transportleiding bij [partij B sub1] een te lage capaciteit heeft en niet aan de specificaties van de overeenkomst voldoet. [gedaagden] verwijzen ter onderbouwing naar een rapport van DLV Gas & Energie (DLVGE) van 2 oktober 2025, overgelegd als productie M13. Hierin concludeert DLVGE dat het vermogen van de CO2-transportventilator kleiner is dan wat was aangeboden (2,2 in plaats van 5,5 kW) en de diameter van de transportleiding eveneens te klein is uitgevoerd (250 in plaats van 315 mm).
Ten derde is bij [partij B sub1] gebleken dat het door Lek aan hem geleverde stikstofvoorraadvat 60% kleiner is dan was overeengekomen: er is een vat van 200 liter geleverd in plaats van de overeengekomen 500 liter, aldus – telkens en samengevat – [gedaagden]
2.22.
Lek voert primair als verweer aan dat [gedaagden] op grond van artikel 23, eerste lid AV, althans op grond van de wet (artikelen 6:89 BW en 7:758 BW) geen beroep meer kunnen doen op deze gebreken in het geleverde, omdat hun klachten hierover te laat zijn geuit. Dit verweer slaagt. De rechtbank licht dit oordeel toe.
2.23.
Partijen zijn het erover eens dat sprake is van gemengde overeenkomsten in de zin van artikel 6:215 BW Pro (koop/aanneming). Op grond van de overeenkomsten zou Lek de in de overeenkomsten beschreven installatie-onderdelen (belichting, elektra, ventilatie, verwarmingen en bewatering) aan [gedaagden] leveren en in de kas van Lek installeren. De thans naar voren gebrachte klachten van [gedaagden] komen erop neer dat door Lek geleverde installatieonderdelen niet in overeenstemming zijn met wat volgens de overeenkomsten door Lek zou worden geleverd (want te klein, te dun of van ander materiaal). Uit het Tussenvonnis volgt dat het niet tot een oplevering is gekomen, omdat Lek ook in maart 2013 nog niet volledig klaar was en [gedaagden] vervolgens hun betalingen hebben opgeschort. Het staat echter niet ter discussie dat de installaties waar [gedaagden] thans over klaagt (de CO2-transportleiding, LBK’s en de stikstofinstallatie) wel feitelijk aan [gedaagden] zijn geleverd en door [gedaagden] in gebruik zijn genomen. Ook gelet op de aard van de klachten (non-conformiteit van het geleverde), moet in dit geval de regeling van artikel 7:23 BW Pro worden toegepast om te beoordelen of de klachten van [gedaagden] (niet) te laat zijn.
2.24.
Artikel 7:23 BW Pro bevat voor koop een regel die vergelijkbaar is met die van artikel 6:89 BW Pro en die dezelfde ratio kent. Artikel 7:23, eerste lid, eerste zin, BW houdt in dat de koper geen beroep meer erop kan doen dat wat is afgeleverd niet aan de overeenkomst beantwoordt, indien hij de verkoper daarvan niet binnen bekwame tijd nadat hij dit heeft ontdekt of redelijkerwijs had behoren te ontdekken, in kennis heeft gesteld. Deze bepaling beschermt de verkoper tegen te late en daardoor moeilijk te betwisten klachten, door voor de koper een korte termijn voor te schrijven om over het niet beantwoorden van de zaak aan de overeenkomst te klagen.
2.25.
De vraag of de koper binnen bekwame tijd als bedoeld in artikel 7:23, eerste lid BW heeft gereclameerd over gebreken aan de afgeleverde zaak, kan niet in algemene zin worden beantwoord. In de in de eerste zin van die bepaling geregelde gevallen dient de koper (a) ter beantwoording van de vraag of de hem afgeleverde zaak aan de overeenkomst beantwoordt het in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van hem te verwachten onderzoek te verrichten en (b) binnen bekwame tijd nadat hij heeft ontdekt of bij een dergelijk onderzoek had behoren te ontdekken dat de afgeleverde zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt, hiervan kennis te geven aan de verkoper.
2.26.
In het geval van een niet-consumentenkoop (zoals hier), dient de vraag of de kennisgeving binnen bekwame tijd is geschied te worden beantwoord onder afweging van alle betrokken belangen en met inachtneming van alle relevante omstandigheden, waaronder het antwoord op de vraag of de verkoper nadeel lijdt door het tijdsverloop totdat is geklaagd. Een vaste termijn kan daarbij niet worden gehanteerd, ook niet als uitgangspunt. In dit verband dient de rechter rekening te houden met enerzijds het voor de koper ingrijpende rechtsgevolg van het te laat protesteren zoals in artikel 7:23 BW Pro vermeld – te weten verval van al zijn rechten ter zake van de tekortkoming – en anderzijds de concrete belangen waarin de verkoper is geschaad door het late tijdstip waarop dat protest is gedaan, zoals een benadeling in zijn bewijspositie of een aantasting van zijn mogelijkheden de gevolgen van de gestelde tekortkoming te beperken. De tijd die is verstreken tussen het tijdstip dat bekendheid met het gebrek bestaat of redelijkerwijs diende te bestaan, en dat van het protest, vormt in die beoordeling weliswaar een belangrijke factor, maar is niet doorslaggevend. [7]
2.27.
Vast staat dat [gedaagden] in 2013 en 2014 klachten hadden over de werking van het ventilatiesysteem en over storingen in de Sotex stikstofinstallatie en de CO2 ventilator. [8] [gedaagden] hebben naar aanleiding van hun klachten Climeco en DLVGE in 2013 en 2014 onderzoek laten doen naar respectievelijk het ventilatiesysteem en het verwarmingssysteem (waartoe ook de Sotex-installatie behoort). [gedaagden] hebben vervolgens op basis van de deskundigenrapporten van Climeco en DLVGE in reconventie vorderingen tot ontbinding en schadevergoeding ingesteld. Zij hebben toen – ruim drie jaar na levering – niet geklaagd over een te klein stikstofvat, een te lage capaciteit van de CO2-transportleiding of afwijkende materialen in de LBK’s. Vervolgens hebben [gedaagden] in 2018 van de rechtbank nogmaals de gelegenheid gekregen om hun klachten nader te onderbouwen en de waarde van de bijbehorende gemiste prestatie en de herstelkosten te begroten. Het kenbare doel daarvan was om in deze procedure duidelijkheid te krijgen over de omvang van de tegenvordering van [gedaagden] Voor [gedaagden] moet dan ook helder zijn geweest dat dit het laatste moment was om alle gebreken in het geleverde in kaart te brengen en te begroten. [gedaagden] hebben vervolgens nieuwe rapporten door Climeco en DLVGE laten opstellen, met een begroting van de herstelkosten. Aan de hand daarvan hebben [gedaagden] in Excel-overzichten hun klachten opgesomd. Ook toen is niet geklaagd over gebreken of non-conformiteiten in de CO2-transportleiding, het stikstofvat en het materiaal van de LBK’s.
2.28.
[gedaagden] hebben aldus over een periode van vijf jaar na de levering van de installaties, die installaties met hulp van partijdeskundigen (kunnen) laten onderzoeken op gebreken of afwijkingen ten opzichte van de overeenkomsten. Lek heeft gesteld dat de huidige gebreken bij een grondige keuring naar voren hadden kunnen komen. [gedaagden] hebben hiertegenover onvoldoende gemotiveerd dat en waarom zij het gebrek aan de LBK’s niet al eerder hadden behoren te ontdekken, dat wil zeggen in elk geval vóór mei 2018, toen zij de gelegenheid kregen om alle gebreken in de geleverde installaties nader te onderbouwen.
2.29.
[gedaagden] hebben pas veel later bij Lek geklaagd over de gebreken in het LBK-materiaal, de CO2-transportleiding en het te krappe stikstofvat. Immers, Lek heeft onweersproken gesteld dat de klachten pas in de conclusie na deskundigenbericht van 15 oktober 2025 – dat wil zeggen zeven jaar na hun akte eisvermeerdering en dertien jaar na de levering – bij Lek onder de aandacht zijn gebracht. Dit is te laat, ook omdat Lek hierdoor niet in staat is geweest om tijdig zelf onderzoek naar de gebreken uit te voeren en de gebreken ook niet in het onderzoek van TNO konden worden meegenomen, aangezien dit onderzoek zich heeft gericht op de klachten die [gedaagden] in ingebrekestellingen en in hun akte na tussenvonnis van 23 mei 2018 hadden opgesomd. Lek lijdt dan ook nadeel doordat pas in het allerlaatste stadium van deze procedure klachten over deze gebreken worden geuit. De rechtbank is dan ook van oordeel dat [gedaagden] op grond van artikel 7:23 BW Pro geen beroep meer kunnen doen op de non-conformiteiten in de genoemde punten; zij hebben hun rechten ter zake verloren.
Verdere beoordeling van de tegenvorderingen van Mans
2.30.
De rechtbank komt hierna tot het oordeel dat Lek haar verplichtingen uit de overeenkomsten op verschillende onderdelen niet is nagekomen. De rechtbank komt ook tot het oordeel dat – nu Lek in verzuim is (zie Tussenvonnis, r.o. 4.8) – [gedaagden] de overeenkomsten wegens toerekenbare tekortkoming gedeeltelijk hebben mogen ontbinden en recht hebben op schadevergoeding. De rechtbank zal hierna onder r.o. 2.155 e.v. toelichten tot welk totaalbedrag de overeenkomsten zijn ontbonden en welke verdere gevolgen dat heeft voor de vorderingen in conventie en in reconventie. De rechtbank zal hierna eerst per installatie-onderdeel (ventilatiesysteem, warmte-installatie, watergeefinstallatie, computerinstallatie, elektra-installatie en belichtingsinstallatie) beoordelen in hoeverre sprake is van een tekortkoming van Lek.
Vorderingen in reconventie van Mans, het HNT-ventilatiesysteem (onderdeel A)
2.31.
Als eerste wordt het HNT-ventilatiesysteem beoordeeld. TNO heeft onderzoek gedaan naar de door [gedaagden] gestelde gebreken in dit systeem, onder meer ten aanzien van de tekortschietende capaciteit en ongelijkmatige luchtverdeling. Ten aanzien van die gebreken volgt de rechtbank het rapport van TNO. Er zijn geen gronden om te twijfelen aan de onafhankelijkheid en de expertise van TNO. De rechtbank gaat niet mee in de klacht van [gedaagden] dat TNO zich voor haar conclusies op een te beperkte steekproef heeft gebaseerd. TNO heeft in het rapport gemotiveerd waarom het naar haar deskundig inzicht voldoende was om in twintig slangen (bij twee LBK’s) de luchthoeveelheid te meten via de luchtsnelheid en in vier slangen de drukverdeling over de lengte van de slang te meten, om conclusies te trekken over de gelijkmatigheid van de luchtverdeling. [9]
2.32.
De rechtbank ziet geen reden om aan dit oordeel te twijfelen. Weliswaar heeft TNO alleen in de kas van [partij B sub 2] gemeten, maar TNO heeft toegelicht dat bij de start van het onderzoek met partijen is besproken dat het beter was om de inspanningen op één kas te richten, omdat de twee kassen vrijwel identiek zijn, met dit verschil dat de kas van [partij B sub1] geen schoepen en ringen had, en de kas van [partij B sub 2] wel. Omdat dit het enige verschil was (en om binnen de begroting te blijven), is niet voorgesteld ook nog in de kas van [partij B sub1] te meten. [10] Bovendien heeft TNO in haar rapport ook de eerdere metingen van Climeco (uitgevoerd in de kas van [partij B sub1] ) meegenomen en TNO heeft in het eindrapport ook al het commentaar van de partijdeskundigen van [gedaagden] betrokken, met daarin onder meer resultaten van metingen die zijn uitgevoerd in de kas van [partij B sub1] . TNO is in haar eindrapport in bijlage S gemotiveerd op die partijdeskundigenrapporten ingegaan. Het rapport van TNO biedt daarmee een voldoende gefundeerde basis om conclusies over de beide kassen te trekken.
2.33.
De rechtbank gaat niet mee in de kritiek van Lek dat TNO onder druk van de omvang van het partijcommentaar van [gedaagden] haar conclusies zonder deugdelijke basis zou hebben aangepast, om [gedaagden] zo alsnog ‘iets te gunnen’. TNO is een professionele, onpartijdige en onafhankelijke deskundige. Aangenomen mag dan ook worden dat voor zover naar aanleiding van het partijcommentaar wijzigingen zijn aangebracht ten opzichte van de eerdere conceptrapporten, die wijzigingen steunen op het eigen deskundig inzicht van TNO ten aanzien van de beschikbaar gestelde informatie, bezien in het licht van haar eigen eerdere bevindingen ter plaatse. TNO heeft in het eindrapport gemotiveerd verantwoording afgelegd waarom bepaalde gevolgtrekkingen in eerdere conceptrapporten zijn bijgesteld. De rechtbank zal daarom de conclusies van TNO tot uitgangspunt te nemen.
2.34.
Naar het oordeel van de rechtbank is het TNO-rapport dus voldoende gefundeerd en bruikbaar om conclusies te trekken ten aanzien van de volledigheid, deugdelijkheid en conformiteit van de door Lek aan [gedaagden] geleverde ventilatiesystemen. De rechtbank zal hierna toelichten welke conclusies dat zijn. Wel is de rechtbank met partijen van oordeel dat het TNO-rapport minder bruikbaar is als het aankomt op de herstelkosten die aan de vastgestelde gebreken moeten worden verbonden, ook omdat TNO diverse kostenposten open heeft gelaten. Echter, partijen hebben na het deskundigenbericht alle ruimte gehad om die open posten in te vullen en toe te lichten wat naar hun mening de redelijke herstelkosten zouden moeten zijn. De rechtbank zal op basis van het partijdebat en alle gewisselde dossierstukken een schatting van de toe te passen prijsreductie maken (zie r.o. 2.51 e.v.).
De inhoud van de overeenkomsten
2.35.
Lek is met [gedaagden] overeengekomen dat Lek een LTO-buitenlucht ventilatiesysteem in de kassen van [gedaagden] zou installeren. Met het ventilatiesysteem kan buitenlucht in de kas worden aangezogen, waarna die lucht wordt verwarmd, homogeen via geperforeerde slurven onder de planten worden verdeeld, en door overdruk via het kasscherm en openingen weer de kas uit wordt gewerkt. In de overeenkomsten staat onder meer het volgende: [11]
“Ons ontwerp is gebaseerd op ervaringen door ons opgedaan in voorloper projecten, voortschrijdend inzicht opgedaan in praktijkexperimenten, locale omstandigheden en aanwijzingen van teeltvoorlichters.
Veel aandacht is besteedt aan de gelijkmatigheid van de luchtverdeling en het beperken van het energiegebruik.
1.2
CAPACITEIT VAN HET LTO VENTILATIESYSTEEM
De verdeelbuizen aan de gevel van het LTO systeem zijn ontworpen op het transporteren van 4 m3/m2 buitenlucht. De ventilator en de luchtverdeelslangen hebben overcapaciteit. Maximaal kan ca 5,75 m3/m2 in de kas gebracht worden. De uitblaasvariatie bij dat maximum debiet is echter een stuk groter door (te) hoge luchtsnelheden in de verdeelbuizen.
De minimum luchttoevoer waarop lucht nog redelijk homogeen verdeeld wordt over het kasoppervlak is 2,5 m3/m2.
De ventilatie capaciteit kan op 2 manieren worden gevarieerd, door openen of sluiten van de luchtkleppen en door het wijzigen van het ventilatortoerental.”
Verder is in de overeenkomsten het volgende opgenomen met betrekking tot de specificaties van de te leveren ventilatoren:
2.36.
Volgens [gedaagden] voldoet het door Lek ontworpen en geleverde ventilatiesysteem niet aan wat op grond van de overeenkomsten mocht worden verwacht. De kernklachten van [gedaagden] zijn dat de capaciteit van het systeem lager is dan is afgesproken, dat de luchtverdeling ondermaats is, en dat het energieverbruik van het systeem hoger is dan mocht worden verwacht.
Te lage capaciteit (klacht A1)
2.37.
Eerst dient te worden vastgesteld wat [gedaagden] ten aanzien van (onder meer) de capaciteit van het systeem mochten verwachten, aangezien partijen daarover van mening verschillen. Bij de uitleg van de overeenkomsten komt het – overeenkomstig de artikelen 3:33 en 3:35 BW – aan op de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer aan de inhoud van de schriftelijke overeenkomsten van 30 mei 2012 mochten toekennen en wat zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Bij die uitleg kan ook van belang zijn welke positie de betrokken partijen hebben (professionele partij of leek) en welke (rechts)kennis van hen mag worden verwacht. [12]
2.38.
Als onweersproken staat vast dat Lek en [gedaagden] , na een eerste aanbieding van Lek en gesprekken van [gedaagden] met andere leveranciers (Velso, Cogas, Priva), zijn overeengekomen dat Lek een ventilatiesysteem met een luchtverplaatsingscapaciteit van 4 m3/h per m2 kasoppervlak aan [gedaagden] zou leveren. Dat houdt in dat het door Lek te leveren systeem als geheel in staat moet zijn om per uur 4 kuub lucht per m2 kasoppervlak te verplaatsen. Het systeem moet op die capaciteit zijn ontworpen. Dat in de overeenkomsten staat dat de luchtverdeelslangen en de ventilator een overcapaciteit hebben tot 5,75 m3/h/m2, betekent naar het oordeel van de rechtbank dat die delen van het systeem overcapaciteit hebben, maar niet (zoals TNO ook bevestigt [13] ) dat het gehele samengestelde systeem daarmee een capaciteit van boven de 4 m3/h/m2 zou hebben. [gedaagden] mochten dan ook niet verwachten dat zij met het gekochte systeem, zonder aanpassingen, maximaal 5,75 m3/h/m2 in de kas konden brengen. Zij kochten een ‘4-kuub-systeem’ en in de overeenkomsten staat ook dat de verdeelbuizen zijn ontworpen op het transporteren van 4 m3 lucht/h, dus niet op 5,75 m3/h.
2.39.
[gedaagden] mochten op grond van de overeenkomsten verwachten dat de afgesproken luchtvolumestroom van 4 m3/h/m2 bij een ventilatorverbruik van 0,85 kW/h kon worden gerealiseerd. Dat volgt uit de specificaties van het vermogen van de ventilator, waarin staat dat bij een luchtverplaatsing van 6.400 m3/h (oftewel 4 m3/h/m2, uitgaande van één ventilator per 1.600 m2 kasoppervlak) een verbruik van 0,85 kW hoort. [gedaagden] hebben onvoldoende weersproken gesteld dat deze specificatie over het vermogen van de ventilator van groot belang was, omdat de HNT-installaties zuinig gebouwd moesten worden om aanspraak te kunnen maken op HNT-subsidie.
2.40.
Uit het rapport van TNO volgt dat het door Lek vervaardigde ventilatiesysteem niet aan de overeengekomen capaciteitseisen voldoet. TNO heeft in juni 2021 metingen gedaan aan twee LBK’s in de kas van [partij B sub 2] . Daaruit volgt dat met de ventilator op maximaal vermogen (gemiddeld 1,8 kW) een ventilatiehoeveelheid van 3,13 tot 3,69 m3/h/m2 onderhouden kan worden, minder dan 4 m3/h/m2. [14] Weliswaar heeft Climeco in juli 2013 in de kas van [partij B sub1] hogere luchtdebieten van 3,83 tot 4,1 m3/h/m2 gemeten, maar die metingen waren – evenals de metingen van TNO – op 100% ventilatorstand. [15] TNO concludeert dat het met het systeem niet mogelijk is om met een ventilatorvermogen van 0,85 kW een luchtvolumestroom van 4 m3/h/m2 te bereiken, zoals is overeengekomen. [16] Dat geldt zowel voor het systeem bij [partij B sub 2] als voor het systeem bij [partij B sub1] . Bij [partij B sub1] zijn in 2024 metingen gedaan door partijdeskundigen van [gedaagden] Daaruit bleek dat de ventilatoren bij [partij B sub1] bij een luchtsnelheid van 4 m3/h/m2 een vermogen vragen van 1,4 kW per ventilator (een bandbreedte van 1,2-1,6 kW). Bij 75% ventilatorstand was het verbruik 0,92 kW (niet significant hoger dan 0,85 kW), maar de luchtsnelheid was dan te laag (3,48 m3/h/m2). Dat de weerstand in het ventilatiesysteem bij [partij B sub1] lager is dan bij [partij B sub 2] , kan volgens TNO worden verklaard doordat bij [partij B sub 2] geleideschoepen (die weerstandverlagend zijn) en ringen (die juist weerstandverhogend zijn) zijn geplaatst, en bij [partij B sub1] niet. [17] Dat neemt niet weg dat de weerstand van het ventilatiesysteem ook bij [partij B sub1] hoger is dan wat door Lek was aangeboden. [18]
2.41.
Uit het TNO-rapport volgt dat de te hoge weerstand is terug te voeren op in elk geval de volgende onderdelen:
  • de warmtewisselaar, die een te hoge weerstand heeft;
  • de aansluitbakken (de aansluitingen van de luchtverdeelbuizen op de LBK’s), die te klein zijn en een T-splitsing hebben met abrupte verandering van de luchtstromingsrichting;
  • de luchtdoorlaat van buiten naar de LBK’s, die te klein is voor de luchthoeveelheid die moet passeren en daarmee fors bijdraagt aan de totale weerstand van het systeem.
2.42.
Hoewel TNO in het rapport benoemt dat vervuiling een rol kan spelen bij de te hoge weerstand van de warmtewisselaar (en het rapport van Nebest ook aantoont dat sprake is van vervuiling), staat in voldoende mate vast dat vervuiling niet de enige oorzaak is, maar dat ook de ontwerpweerstand van de warmtewisselaar te hoog is. Immers, TNO noemt die ontwerpweerstand als (mede-)oorzaak voor de te hoge weerstand [20] en TNO adviseert ook om – als eerste herstelstap – de warmtewisselaar te vervangen door een warmtewisselaar met een lagere luchtzijdige weerstand. [21] De rechtbank concludeert op basis van het TNO-rapport dat de door Lek aan [gedaagden] geleverde ventilatiesystemen van meet af aan niet in staat waren om aan de overeengekomen prestatie-eisen (een luchtstroom van 4 m3/h/m2 met een ventilatorvermogen van 0,85 kW) te voldoen, vanwege de te hoge weerstand die inherent is aan het ontworpen systeem zelf.
2.43.
Lek kan haar aansprakelijkheid voor deze non-conformiteit niet pareren door te stellen dat het te hoge energieverbruik te maken heeft met door [gedaagden] opgelegde beperkingen in het systeem. Lek verwijst naar de door [gedaagden] gewenste doorsnede van de luchttoevoerbuizen (van 400 mm) en de aanpassing van de aansluitbakken (die [gedaagden] met een breedte van 700 mm uitgevoerd wilden hebben in plaats van 750 mm), maar uit het TNO-rapport kan worden afgeleid dat deze aanpassingen niet of slechts beperkt van invloed zijn geweest op de te hoge weerstand van het systeem als geheel. [22] Bovendien was Lek de ontwerper van het ventilatiesysteem en heeft Lek zich ook als ter zake deskundig specialist aan [gedaagden] gepresenteerd. Indien de door [gedaagden] gewenste aanpassingen in de luchttoevoerbuizen en de aansluitbakken mogelijk ertoe zouden leiden dat de in het contract toegezegde prestaties (een luchtverplaatsing van 4 m3/h/m2 bij 0,85 kW ventilatorvermogen) niet meer konden worden behaald, had Lek als ontwerpende deskundige partij [gedaagden] nadrukkelijk voor dat risico moeten waarschuwen (artikel 7:754 BW Pro). Nu Lek dat niet heeft gedaan, is zij als ontwerpend aannemer aansprakelijk voor de eventuele nadelige gevolgen van de doorgevoerde aanpassingen (artikel 7:760 tweede Pro en derde lid BW).
Onvoldoende gelijkmatige luchtverdeling (klacht A2 en A5)
2.44.
Op grond van de overeenkomsten mochten [gedaagden] – als andere kerneigenschap van het ventilatiesysteem – een gelijkmatige luchtverdeling over het kasoppervlak verwachten. Wat een gelijkmatige en homogene luchtverdeling is, is in de overeenkomsten niet gekwantificeerd. TNO neemt op basis van het Climeco-rapport als uitgangspunt dat een maximale afwijking van 10% van het gemiddelde aanvaardbaar is, omdat uit de praktijk is gebleken dat een systeem met een dergelijke mate van afwijking te realiseren is indien daaraan voldoende aandacht wordt besteed. [23] Op basis hiervan kan tot uitgangspunt worden genomen dat [gedaagden] redelijkerwijs mochten verwachten dat de afwijking in de luchtverdeling binnen deze maximale grenzen zou blijven. De rechtbank gaat niet mee in het betoog van [gedaagden] dat voor de afwijkingslimieten een kleinere bandbreedte moet worden gehanteerd (plusminus 5% afwijking ten opzichte van het gemiddelde). De rechtbank volgt het door TNO gehanteerde uitgangspunt.
2.45.
Uit het TNO-rapport volgt dat de luchtverdeling onvoldoende homogeen is. Ten eerste is de luchtverdeling over de gaatjes (per slang) niet uniform. Daarnaast is de luchtverdeling tussen de slangen en de LBK’s onderling te groot, met name bij recirculatie. [24] De gemeten variatie over het areaal komt hierdoor boven de te verwachten maximale afwijking van 10% uit, zowel bij buitenluchtaanzuiging als bij recirculatie. Ook bij buitenaanzuiging is de gelijkmatigheid daarmee onvoldoende, zo blijkt uit het TNO-rapport. Volgens TNO kunnen slijtage en vervuiling van de luchtslurven een rol spelen in de geconstateerde luchtvariaties, maar die factoren kunnen naar haar oordeel niet geheel verantwoordelijk zijn voor de geconstateerde ongelijkheid, die aanmerkelijk meer dan 10% kan zijn. [25]
2.46.
TNO heeft ook (het ontwerp van) de luchtslurven zelf onderzocht. Tussen partijen is niet in geschil dat op verzoek van [gedaagden] is afgeweken van het gaatjespatroon in de overeenkomst. In de overeenkomsten staat dat een luchtverdeelslang met drie zones wordt gebruikt, dus met een verlopend gatenpatroon. [gedaagden] wilden een gaatje ter hoogte van iedere Geberapot. Op verzoek van [gedaagden] is daarom een luchtverdeelslang met twee rijen gaatjes zonder zonering toegepast, dus over de gehele slanglengte een gelijke afstand tussen en gelijke diameter van de gaatjes. TNO concludeert dat het ontwerp van de slangen niet ondeugdelijk is, omdat het toegepaste type slang en het toegepaste type perforatie op zichzelf nog voldoende luchtverdeling mogelijk maakt. TNO acht het vervangen van de luchtverdeelslangen door slangen met een gezoneerd gatenpatroon daarom niet nodig. [26] De luchtslurven zijn volgens TNO ook volledig en deugdelijk onder het gewas geplaatst, conform de overeenkomsten. De rechtbank volgt de conclusies van TNO. Voor zover [gedaagden] stellen dat het ontwerp en de positionering van de luchtslangen niet deugdelijk is, wordt dat dus verworpen.
2.47.
Op basis van het TNO-rapport kan aldus worden geoordeeld dat de luchtverdeling in het systeem ondermaats is en niet aan de overeengekomen gelijkmatigheid voldoet. Uit het TNO-rapport volgt dat die conclusie kan worden getrokken voor zowel het systeem bij [partij B sub 2] als bij [partij B sub1] (in wiens kas de gelijkmatigheid nog minder goed zal zijn dan bij [partij B sub 2] , vanwege het ontbreken van ringen). [27] TNO adviseert in paragraaf 3.2.1. van het rapport als hersteloptie het inregelen van de LBK’s in combinatie met de luchtslurven, om zo de luchtverdeling te verbeteren. [28] Uit andere onderdelen van het TNO-rapport kan worden opgemaakt dat naast dit inregelen ook het vergroten van de aansluiting van de luchtverdeelslangen op de verdeelbuizen noodzakelijk is om een voldoende gelijke luchtverdeling over het kasoppervlak te realiseren. Immers, TNO schrijft in het rapport dat de variatie in de luchtverdeling over de gaatjes per slang kan samenhangen met een hoge luchtsnelheid bij het zadelstuk aan het begin van de slang (dat een kleinere diameter heeft dan de slangdiameter). [29] Hiermee strookt de bevinding van TNO in de kas van [partij B sub1] dat veel slangen in circa de eerste meter vanaf de luchtverdeelbuis enigszins klapperen bij een instelling van 100% van het ventilatievermogen. [30] En TNO schrijft in paragraaf 3.5.2.:
“Het vervangen van de luchtverdeelslangen door slangen met een correcte zonering was op basis van het onderzoek van TNO niet nodig. (…) Meer winst is te behalen met het vergroten van de verbinding tussen de verdeelbuis en de slang en het optimaal inregelen van de installatie om de verschillen tussen slangen terug te brengen.” [31] Op basis hiervan kan naar het oordeel van de rechtbank de conclusie worden getrokken dat ook het vergroten van de aansluiting een noodzakelijke herstelmaatregel is.
Gewijzigde positionering en afschuining recirculatiekanaal (klacht A3)
2.48.
Vast staat dat het door Lek geleverde recirculatiekanaal 2 meter hoog is zonder afschuining, in plaats van 3 meter met afschuining zoals in de overeenkomsten staat. TNO heeft dit vastgesteld. TNO heeft ook geconcludeerd dat die afwijkende hoogte en afschuining de deugdelijke werking van het systeem niet in de weg staan, omdat dit ertoe leidt dat meer lucht van langs de gevel wordt aangezogen en minder van boven het scherm, wat conform de overeenkomsten gewenst is. TNO acht het vergroten van het retourkanaal en de recirculatieklep niet noodzakelijk, omdat de weerstanden hiervan zeer laag zijn en het vergroten van die onderdelen dus zeer weinig zal bijdragen aan het bereiken van grotere luchtvolumestromen in het ventilatiesysteem. [32] De weerstand in andere onderdelen van het ventilatiesysteem is meer bepalend, aldus TNO. De rechtbank gaat uit van de conclusies van TNO. De rechtbank komt op grond hiervan tot het oordeel dat voor wat betreft het recirculatiekanaal en de recirculatieklep geen sprake is van een tekortkoming van Lek, omdat deze onderdelen, hoewel anders uitgevoerd, in werking voldoen aan de eisen en de doelen van de overeenkomst.
Ontbrekend luchtafzuigsysteem (klacht A4)
2.49.
[gedaagden] hebben (op basis van de rapporten van Climeco) onder meer vergoeding van kosten voor een luchtafzuigsysteem gevorderd. In de overeenkomsten is geen actief luchtafzuigsysteem opgenomen. Hierin staat dat lucht door overdruk via scherm en openingen de kas uit kon worden gewerkt. Volgens TNO past een afzuigsysteem ook niet bij dit HNT-systeem; gangbaar bij zo’n systeem is om in geval van overdruk een beperkt aantal luchtramen te gebruiken. [33] [gedaagden] hebben ook geen andere feiten of omstandigheden gesteld waaruit volgt dat zij mochten verwachten ook een afzuigsysteem geleverd te krijgen. Daarmee is niet komen vast te staan dat Lek op dit punt in enige verplichting is tekortgeschoten.
Conclusies ten aanzien van het ventilatiesysteem
2.50.
Samengevat staat dus vast dat het door Lek aan [gedaagden] geleverde HNT-ventilatiesysteem niet voldoet aan wat is overeengekomen, omdat hiermee geen luchtsnelheid van 4 m3/h/m2 met een ventilatorvermogen van 0,85 kW kan worden behaald en de luchtverdeling per slang en over het areaal onvoldoende gelijkmatig is. [gedaagden] hebben tijdig geklaagd over deze gebreken, want hierover zijn al in november 2012 en maart 2013 schriftelijke klachten bij Lek geuit. In r.o. 4.13 van het Tussenvonnis is al overwogen dat Lek zich niet erop kan beroepen dat de klachten op grond van artikel 23 eerste Pro lid AV binnen acht dagen na ontdekking hadden moeten worden geuit, omdat Lek de goede werking van het systeem tot twaalf maanden na inbedrijfstelling heeft gegarandeerd.
Gedeeltelijke ontbinding en ongedaanmaking van de ontvangen prestaties
2.51.
Vast staat ook dat sprake is van verzuim – de rechtbank verwijst naar r.o. 4.8 van het Tussenvonnis – en dat Lek dus voor wat betreft het ventilatiesysteem toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst. De volgende vraag is welke gevolgen hieraan moeten verbonden.
2.52.
[gedaagden] hebben in hun conclusie van eis in reconventie (van 25 januari 2017) verklaard de overeenkomsten gedeeltelijk te ontbinden, namelijk voor zover het de niet-uitgevoerde, gebrekkige of bij de overeenkomsten achterblijvende werkzaamheden van Lek betreft. [gedaagden] vorderen in verband met de gebreken aan het ventilatiesysteem, op basis van de door Hortivision begrote herstelkosten, een bedrag van € 675.320 voor [partij B sub1] en € 707.216 voor [partij B sub 2] aan ongedaanmakingsverbintenissen en aanvullende schadevergoeding. Het standpunt van [gedaagden] komt erop neer dat de volledige herstelkosten door Lek moeten worden vergoed. Zij maken in hun vordering geen concreet onderscheid tussen het gedeelte dat op basis van ongedaanmaking (artikelen 6:271 e.v. BW) moet worden betaald en het gedeelte dat op basis van aanvullende schadevergoeding (op grond van artikel 6:277 BW Pro) moet worden betaald.
2.53.
Lek heeft, kort samengevat, het volgende standpunt ingenomen. De tekortkomingen rechtvaardigen geen ontbinding van de overeenkomst. [gedaagden] geven niet duidelijk aan welk deel dan ontbonden zou zijn en waarom. Ontbinding zou hoogstens een deel van de overeenkomsten kunnen betreffen. De ontbinding dient in elk geval niet verder te gaan dan per tekortschietende zaak en dan alleen voor het relevante deel van de prijsafspraak die valt te herleiden uit de uitgesplitste prijsoverzichten die op 26 maart 2012 door Lek aan [gedaagden] zijn verstrekt (zie producties VIII.9 en VIII.10 van Lek). De door [gedaagden] gevorderde herstelkosten zijn buitensporig en veel te hoog in vergelijking tot het bedrag dat [gedaagden] voor het ventilatiesysteem aan Lek hebben betaald. TNO heeft de herstelkosten op minder dan € 40.000 per partij (€ 2.000 per LBK) begroot en Lek heeft eerder in april 2014 een voorstel heeft gedaan om het systeem op te waarderen naar een 6 m3/h/m2 systeem, tegen een prijs van € 3.650 per LBK. Indien de rechtbank de ontbinding toewijst, dan moet ook het voordeel van het gebruik dat [gedaagden] sinds 2012 hebben gehad ongedaan worden gemaakt. Lek maakt aanspraak op waardevergoeding van dat gebruik op grond artikel 6:272 BW Pro. Dat gebruik kan worden gewaardeerd op 1/3e van de prijs in de overeenkomsten keer het aantal jaren gebruik tot het moment van teruggave, of anders op de huurkosten om de zaken bij derden te huren over deze periode of, subsidiair, de afschrijftermijnen voor de aanschaf van de apparatuur, aldus – telkens – Lek.
2.54.
De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 6:265 BW Pro geeft de schuldeiser de bevoegdheid om de overeenkomsten geheel of gedeeltelijk te ontbinden. Artikel 6:270 BW Pro geeft aan wat een gedeeltelijke ontbinding inhoudt: een evenredige vermindering van de wederzijdse prestaties in hoeveelheid of hoedanigheid. Een evenredige vermindering in hoedanigheid kan onder meer plaatsvinden wanneer een ondeugdelijke prestatie is verricht. In dat geval kan de koper of de opdrachtgever een reductie van de prijs vorderen in evenredigheid met de afwijking in kwaliteit tussen wat is afgesproken en wat is geleverd. [34] Het staat de rechter vrij om de vermindering van de wederzijdse prestaties te schatten, aan de hand van de stukken en hetgeen daarover over en weer door partijen is aangevoerd. Bij een dergelijke schatting is de rechter niet gebonden aan de gewone regels van stelplicht en bewijs. [35] Voor het ontbonden gedeelte zijn partijen van hun verbintenissen bevrijd. Hebben partijen al meer gepresteerd dan waartoe zij na de gedeeltelijke ontbinding zijn gehouden, dan ontstaan voor het teveel gepresteerde verbintenissen tot ongedaanmaking van de al ontvangen prestaties (artikel 6:271 BW Pro). Sluit de aard van de prestatie uit dat zij ongedaan wordt gemaakt, dan treedt daarvoor een vergoeding in de plaats ter hoogte van de waarde van de prestatie op het tijdstip van de ontvangst (artikel 6:272, eerste lid BW). Heeft de prestatie niet aan de verbintenis beantwoord, dan wordt deze vergoeding beperkt tot het bedrag van de waarde die de prestatie voor de ontvanger op dit tijdstip in de gegeven omstandigheden werkelijk heeft gehad (artikel 6:272, tweede lid BW). De schuldeiser van een waardevergoedingsvordering draagt op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv Pro de stelplicht en de bewijslast van het bestaan en de omvang van die vordering. [36]
2.55.
De rechtbank stelt voorop dat – anders dan Lek betoogt – [gedaagden] een voldoende belang hebben bij gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomsten, nu de ontbinding ertoe strekt de door hen verschuldigde bedragen met een evenredig deel te verminderen en het eventueel teveel betaalde terug te vorderen. Dat [gedaagden] de installaties inmiddels via een activaoverdracht hebben overgedragen aan hun BV’s, doet daaraan niet af. Gesteld noch gebleken is dat ook de rechten uit de overeenkomsten aan de BV’s zijn overgedragen. Ten aanzien van de vraag voor welk deel de overeenkomsten moet worden ontbonden en tot welke financiële gevolgen dat leidt, overweegt de rechtbank als volgt.
2.56.
De hiervoor geconstateerde tekortkomingen van Lek betreffen het door Lek ontworpen, geleverde en geïnstalleerde HNT-ventilatiesysteem. Weliswaar zijn partijen in de schriftelijke overeenkomsten van 30 mei 2012 één totale aanneemsom voor het gehele werk overeengekomen, maar Lek heeft (onvoldoende weersproken) gesteld dat uit de in de voorafgaand verstrekte prijsoverzichten van 22, 26 en 30 maart 2012 (producties VIII.9 en VIII.10 van Lek) valt af te leiden welke prijs [gedaagden] voor welke installatie (elektra, ventilatie, belichting, verwarming) hebben betaald.
2.57.
Volgens Lek volgt met name uit het overzicht van 26 maart 2012 welke arbeid en welk totaal factuurbedrag een zaak vertegenwoordigde in de totaalprijs. [37] De rechtbank leest in het overzicht (met handgeschreven ‘26 maart 2012’) dat de prijs van het LTO-ventilatiesysteem voor [partij B sub1] € 136.375 is en voor [partij B sub 2] € 141.995. [38] Nu geen van partijen concreet iets anders heeft gesteld, gaat de rechtbank ervan uit dat dit, binnen het geheel van de totale aanneemsom, de prijs is die Lek aan [gedaagden] heeft gerekend voor de levering en installatie van de ventilatiesystemen. Nu alle door Lek gedane prijsopgaven exclusief btw waren – zie bijvoorbeeld de overeenkomsten, p. 1, en de eerdere prijsaanbieding voor het ventilatiesysteem van 12 januari 2012, p. 15 [39] – gaat de rechtbank ervan uit dat ditzelfde geldt voor de hiervoor genoemde bedragen van € 136.375 en € 141.995. Uit de facturen volgt dat de door [gedaagden] aan Lek te betalen prijs inclusief btw was. De rechtbank gaat dus ervan uit dat [partij B sub1] € 165.013,75 (€ 136.375 plus 21% btw) voor het ventilatiesysteem aan Lek moest betalen en [partij B sub 2] € 171.813,95 (€ 141.995 plus 21% btw).
2.58.
[gedaagden] hebben de overeenkomsten op 25 januari 2017 gedeeltelijk ontbonden voor wat betreft het gebrekkige of bij de overeenkomsten achterblijvende deel. Niet duidelijk gesteld of toegelicht is echter welk deel van de overeenkomsten door die ontbinding wordt geraakt en tot welke concrete prijsaanpassing dat dient te leiden. Een prijsvermindering ter grootte van de door [gedaagden] gestelde herstelkosten (in mei 2018 geschat op € 255.000 tot € 270.000 en inmiddels geschat op € 670.000 tot ruim € 700.000, exclusief btw) is in elk geval niet aan de orde. Nog los van de vraag of de door [gedaagden] gevorderde herstelkosten juist en reëel zijn, gaat het bij de gedeeltelijke ontbinding niet om de vraag wat het [gedaagden] na ontbinding kost om een derde het werk te laten herstellen, maar om de vraag met welk bedrag de met Lek afgesproken aanneemsom moet worden verminderd. [40] Uit het voorgaande volgt dat die vermindering maximaal € 165.013,75 kan zijn voor [partij B sub1] en maximaal € 171.813,95 voor [partij B sub 2] . De vraag of [gedaagden] ook eventuele meerkosten van een derde-aannemer vergoed dienen te krijgen, dient in het kader van de aanvullende schadevergoeding aan de orde te komen (zie hierna).
2.59.
Ook Lek heeft na het deskundigenonderzoek van TNO onvoldoende aanknopingspunten gegeven om de vraag te beantwoorden in welke mate de prijs moet worden verminderd vanwege de vastgestelde tekortkomingen aan het ventilatiesysteem. Het door Lek aangeboden herstelbedrag van € 3.650 per LBK biedt onvoldoende houvast, omdat dit vóór het door TNO uitgevoerde onderzoek is gedaan en niet duidelijk is in hoeverre het aangeboden herstel een oplossing zou hebben geboden voor de door TNO geconstateerde gebreken aan het ventilatiesysteem.
2.60.
De rechtbank zal, bij gebrek aan een voldoende concreet en onderbouwd partijstandpunt, zelf een schatting maken van de mate waarin de overeenkomsten door de tekortkomingen aan het ventilatiesysteem zijn ontbonden. Daarbij acht de rechtbank het volgende redengevend. Uit het onderzoek van TNO volgt dat een deel van de door Lek geleverde elementen voldoet (de ventilatoren, de luchtslurven en de luchtverdeelleidingen) maar ook dat, om de vastgestelde tekortkomingen te herstellen, aan meerdere elementen herstel moet worden uitgevoerd. TNO acht voor het herstel de volgende werkzaamheden waarschijnlijk nodig:
  • het vervangen van de warmtewisselaar door een warmtewisselaar met een lagere luchtzijdige weerstand (kosten volgens TNO nog onbekend);
  • het aanbrengen van schoepen en het vergroten van de aansluitingen (kosten door TNO geschat op € 2.000 per LBK, dus € 36.000 voor [partij B sub1] en € 38.000 voor [partij B sub 2] );
  • het inregelen van de LBK’s in combinatie met de luchtslurven (kosten onbekend);
  • het vergroten van de aansluiting van de luchtverdeelslangen op de verdeelbuizen (kosten onbekend).
Daarnaast is heeft TNO het vergroten van de verdeelbuizen en het verhangen van de verwarmingsverdeelleidingen niet onmiddellijk noodzakelijk geacht, maar TNO heeft ook niet uitgesloten dat die maatregelen uiteindelijk toch nodig kunnen zijn, afhankelijk van de effecten en de uitvoering van het herstel van de hierboven genoemde onderdelen. [42]
2.61.
Anders dan Lek stelt, volgt uit het TNO-rapport dus niet dat de herstelkosten van de tekortkomingen beperkt zijn tot € 2.000. Dat is alleen de prijs voor het aanbrengen van schoepen en het vergroten van aansluitingen, maar er is volgens TNO nog meer herstelwerk nodig (zoals het vervangen van de warmtewisselaar en de aansluiting van de verdeelslangen op de verdeelbuizen). Lek is na het deskundigenbericht niet (gemotiveerd) op de kosten van die herstelwerkzaamheden ingegaan, hoewel Lek als ter zake deskundige partij geacht mag worden een redelijke inschatting daarvan te kunnen maken. [gedaagden] hebben, aan de andere kant, onder verwijzing naar offertes van hun deskundigen gesteld dat de herstelkosten in de praktijk waarschijnlijk hoog zijn en dat het vergroten van de aansluitingen in de praktijk alsnog zal nopen tot het verhangen van de verdeelbuizen. Uit de stellingen van [gedaagden] volgt verder dat de tekortkomingen in de praktijk ertoe leiden dat de kerndoelen van het HNT-systeem (een homogeen klimaat en energiebesparing) niet kunnen worden gehaald.
[gedaagden] hebben ter zitting toegelicht dat een homogeen klimaat belangrijk is voor de teelt en dat de ongelijke luchtverdeling onder de planten het klimaat juist verstoorde. [gedaagden] hebben daarom de buitenluchtaanzuiging uitgezet en alleen de recirculatiestand op een laag pitje gezet. Uit hun stellingen volgt dat het ventilatiesysteem daarmee voor [gedaagden] niet helemaal waardeloos is geweest, maar wel van weinig waarde was.
2.62.
Naar schatting van de rechtbank rechtvaardigt dit een en ander dat de overeenkomsten voor wat betreft het ventilatiesysteem voor het grootste deel, en wel voor 80%, wordt ontbonden. Voor dat deel heeft de ontbindingsverklaring van 25 januari 2017 dus effect gehad. Deze ontbinding komt per saldo neer op een prijsvermindering van € 132.011 (0,8 x € 165.013,75) voor [partij B sub1] en een prijsvermindering van € 137.451 (0,8 x € 171.813,95) voor [partij B sub 2] . Voor zover die prijs al voor een deel door [gedaagden] is voldaan, moet Lek dat deel op grond van een ongedaanmakingsverbintenis aan [gedaagden] terugbetalen. De daartegenoverstaande verbintenis van Lek (levering en installatie van een ventilatiesysteem met gebreken) leent zich naar het oordeel van de rechtbank niet voor ongedaanmaking. Een waardevergoeding voor die gebrekkige prestatie op grond van artikel 6:272 BW Pro is niet aan de orde, omdat de prestatie voor dat deel niet aan de verbintenis heeft beantwoord en geen waarde voor [gedaagden] heeft gehad.
2.63.
Evenmin heeft Lek recht op een vergoeding voor het gebruik dat [gedaagden] sinds 2012 van het ventilatiesysteem hebben gemaakt. De koper van een object is na ontbinding slechts in uitzonderlijke situaties een gebruiksvergoeding aan de verkoper verschuldigd over de periode waarin hij het object onder zich heeft gehad. Het enkele gebruik van een zaak door de koper is onvoldoende voor toewijsbaarheid van een vordering van de verkoper tot betaling van een gebruiksvergoeding. Daarvoor dient sprake te zijn van een situatie waarin is voldaan aan de vereisten van ongerechtvaardigde verrijking en/of het uitblijven van een gebruiksvergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. [43] Lek heeft geen feiten en omstandigheden gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat een zodanige uitzonderlijke situatie zich hier voordoet.
Aanvullende schadevergoeding op grond van artikel 6:277 BW Pro
2.64.
[gedaagden] vorderen naast gedeeltelijke ontbinding en ongedaanmaking (in de zin van terugbetaling van een deel van de prijs) ook aanvullende schadevergoeding op grond van artikel 6:277 BW Pro. De vordering van [gedaagden] strekt ertoe om de volledige kosten vergoed te krijgen die zij moeten maken om het ventilatiesysteem door een derde te laten herstellen, zodanig dat dit werkt zoals tussen partijen is overeengekomen. Die herstelkosten zijn hoog, omdat beide ventilatiesystemen feitelijk bijna volledig moeten worden vervangen en herstel door een derde duur en tijdrovend is, ook omdat de kassen in bedrijf zijn genomen en er tijdens een lopend bedrijf moet worden hersteld. [gedaagden] verwijzen naar offertes van Hortivision, die als overwogen de herstelkosten op € 670.000 tot ruim € 700.000, exclusief btw begroot.
2.65.
De rechtbank overweegt ten aanzien van deze vordering als volgt. Op grond van artikel 6:277, eerste lid BW is Lek in beginsel verplicht de schade te vergoeden die [gedaagden] lijden doordat geen wederzijdse nakoming, maar ontbinding van de overeenkomsten plaatsvindt. Deze bepaling strekt ertoe buiten twijfel te stellen dat ook de schade die door de ontbinding wordt veroorzaakt en die bij keuze van andere rechtsmiddelen niet zou zijn geleden, voor vergoeding in aanmerking komt. [44] De omvang van deze schadevergoeding dient te worden vastgesteld door twee situatie met elkaar te vergelijken: enerzijds de hypothetische situatie waarin [gedaagden] zouden hebben verkeerd bij een in alle opzichten onberispelijke wederzijdse nakoming door Lek en, anderzijds, de feitelijke situatie waarin [gedaagden] na de gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomsten verkeren, na afwikkeling van de uit artikel 6:271 BW Pro voortvloeiende restitutieverplichtingen.
2.66.
De rechter begroot de schade op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is (artikel 6:97 BW Pro). In dit geval gaat het om vergoeding van de schade die [gedaagden] door de wanprestatie en de ontbinding hebben geleden. Die schade moet in beginsel worden berekend met inachtneming van alle omstandigheden van het concrete geval. Naar het oordeel van de rechtbank wijst Lek er in dat verband terecht op dat [gedaagden] alle installaties inmiddels via de activa-overdracht aan hun BV’s hebben overgedragen. [gedaagden] zullen dan ook niet meer tot herstel van de installaties overgaan. Hun schade bestaat dus niet uit kosten die zij voor herstel door derden moeten maken. Wel is het mogelijk dat [gedaagden] schade hebben geleden doordat zij de installaties, vanwege de daaraan klevende gebreken, tegen een lagere prijs aan hun BV’s hebben verkocht dan de prijs die zij van de BV’s zouden hebben ontvangen indien Lek ventilatiesystemen zou hebben geleverd die wel aan de overeengekomen prestatie-eisen voldeden. Lek heeft het bestaan van zulke schade betwist. [45] Op grond van de uit artikelen 149 en 150 Rv voortvloeiende regels van stelplicht en bewijslast is het aan [gedaagden] om tegenover deze betwisting voldoende gemotiveerd te stellen en zo mogelijk te onderbouwen dat wel degelijk sprake is van verminderde verkoopopbrengsten (met inachtneming van de gedeeltelijke ontbinding). Dat hebben [gedaagden] niet gedaan. [gedaagden] hebben alleen in algemene zin gesteld dat de installaties minder waard waren dan wanneer Lek haar overeenkomsten met [gedaagden] was nagekomen, [46] maar [gedaagden] hebben niet concreet gesteld of onderbouwd dat dat in dit geval daadwerkelijk tot een lagere verkoopopbrengst heeft geleid en hoeveel lager die verkoopopbrengst dan is. Hun stelling dat zij door de ontbinding schade hebben geleden is daarmee onvoldoende onderbouwd. Voor zover [gedaagden] daarvan vergoeding vorderen, wordt die dus afgewezen.
2.67.
Opgemerkt wordt dat van het vorenstaande moet worden onderscheiden de vergoeding die [gedaagden] hebben gevorderd voor extra elektriciteitskosten en gemiste energiebesparing. Dit is andere schade ten gevolge van de wanprestatie, die [gedaagden] (mogelijk) hebben geleden gedurende de tijd dat zij nog de eigendom van de installaties hadden. Op die schade gaat de rechtbank hierna onder r.o. 2.171 e.v. nog nader in.
De verwarmingstechnische installatie (onderdeel B)
2.68.
Ten aanzien van de verwarmingsinstallatie overweegt de rechtbank als volgt.
De drycooler is niet aangesloten (B1)
2.69.
Tussen partijen is niet in geschil dat aan [gedaagden] drycoolers zijn geleverd, maar dat die drycoolers nog niet zijn aangesloten. Lek betwist (thans) dat tussen Lek en [partij B sub1] de levering en aansluiting van een drycooler is overeengekomen. [47] De rechtbank acht die betwisting onvoldoende gemotiveerd, want:
  • Lek heeft wel een drycooler aan [partij B sub1] geleverd (en niet valt in te zien waarom Lek dat zou doen als dat niet was overeengekomen);
  • eerder in deze procedure heeft Lek niet betwist dat met [partij B sub 2] en [partij B sub1] de levering van een drycooler is overeengekomen;
  • de plaatsing/aansluiting van drycoolers staat op de werkpuntenlijsten van [partij B sub1] van 15 november 2012; en
  • in de eigen ‘j/n overzichten’ van Lek met alle door [gedaagden] gekozen offerteonderdelen, waarnaar [gedaagden] in productie M17 duidelijk verwijzen, staat ook bij [partij B sub1] de levering van een drycooler Alfa Laval 900 kW vermeld voor € 23.705.
De rechtbank neemt daarom als vaststaand aan dat ook tussen Lek en [partij B sub1] levering van een drycooler was overeengekomen, ook al staat dat – zoals TNO vaststelt – niet duidelijk in de overeenkomsten van 30 mei 2012. Verder staat naar het oordeel van de rechtbank als onvoldoende gemotiveerd weersproken vast dat het aansluiten van de drycoolers onderdeel was van het overeengekomen werk. Dit staat immers op de werkpuntenlijst van november 2012 en het staat ook in de ‘j/n lijsten’ (zie productie M17 [gedaagden] , p. 3, waarin [gedaagden] dit duidelijk stellen). Lek stelt dat het aansluiten meerwerk is, maar motiveert dat verder niet.
2.70.
Vast staat dat de drycoolers niet door Lek zijn aangesloten. Voor dat deel mogen [gedaagden] de overeenkomsten dus ontbinden omdat het werk nooit is uitgevoerd. Bij gebrek aan andere aangedragen aanknopingspunten schat de rechtbank de omvang van het gemiste werk op het door [gedaagden] genoemde bedrag van € 3.450 dat uit de ‘j/n lijsten’ naar voren komt (productie M17 van [gedaagden] , p. 3 bovenaan). Hiermee wordt de door [gedaagden] te betalen prijs dus verminderd.
2.71.
Uit de eisvermeerdering volgt dat [gedaagden] in verband met de drycoolers een hoger bedrag vorderen, namelijk € 10.014,86 voor [partij B sub1] en € 8.032,27 (€ 3.514,77 plus € 4.517,50) voor [partij B sub 2] . [50] Hierbij wordt verwezen naar facturen van [bedrijfsnaam 4] en K&M, zonder dat is toegelicht wat voor werkzaamheden zijn verricht, wanneer, door wie, in wiens opdracht, en waarom de kosten daarvan geheel voor rekening van Lek moeten komen. Het is aan [gedaagden] om, als zij naast gedeeltelijke ontbinding ook schadevergoeding vorderen, hun schade voldoende inzichtelijk te maken en te onderbouwen, zodat voor Lek duidelijk is waartegen zij verweer moet voeren en de rechtbank deugdelijk kan beoordelen of en in hoeverre recht bestaat op schadevergoeding. Nu [gedaagden] dat hebben nagelaten, is op dit punt voor schadevergoeding geen plaats.
Niet geïnstalleerde warmtewisselaar t.b.v. gietverwarming (B2)
2.72.
TNO heeft toegelicht dat weliswaar bij HNT geregeld gietwaterverwarming wordt geïnstalleerd wanneer – zoals bij [gedaagden] – er geen groeibuis is, maar dat dit geen automatisme is: gietverwarming is optioneel en staat niet in de overeenkomsten van 30 mei 2012. Lek heeft betwist dat [gedaagden] voorzieningen voor gietwaterverwarming hebben gekocht. [gedaagden] hebben tegenover die betwisting geen, althans onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat dit wel tot de overeenkomsten behoorde. [gedaagden] wijzen op een document ‘overzicht totaalopdracht en MEI aandeel [partij B sub 2] , [handelsnaam 2] [vestigingsplaats] ’, maar dat overzicht zit niet bij de schriftelijke overeenkomsten van 30 mei 2012 (productie I.1 en I.2 van Lek). [gedaagden] hebben niet (voldoende) onderbouwd wat de status van dat document is en waarom zij op grond daarvan mochten verwachten dat Lek voor de overeengekomen prijs ook voorzieningen voor gietwaterverwarming zou leveren. Er is daarmee niet komen vast te staan dat Lek tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen onder de overeenkomsten van 30 mei 2012 door dit niet te leveren.
Aanpassen aansluiting verhitter op warmtebuffer (B3) en extra energieverbruik ontsmetter (B10)
2.73.
[gedaagden] hebben klachten geuit over de drainwaterontsmetter. De ontsmetter zou volgens [gedaagden] niet juist zijn geïnstalleerd, waardoor veel storingen zijn ontstaan. Daarnaast kwam de retour van de ontsmetter rechtstreeks in de retour van de warmtebuffer terecht. Dit water hoort daar niet, want het is nog te warm (70 tot 80 °C), aldus [gedaagden]
2.74.
TNO heeft de ontsmetters onderzocht. Volgens TNO zijn de ontsmetters volledig en deugdelijk geplaatst, volgens de overeenkomsten. Ook de werking van de ontsmetter voldoet – na herstel – aan wat op grond van de overeenkomsten mocht worden verwacht. Aanvankelijk voerde de ontsmetter warm water af naar de onderste lagen van de warmtebuffer, met als gevolg dat de warmtekrachtkoppeling (‘WKK’) onvoldoende water had en in storing viel. Vanaf 22 november 2022 kan de ontsmetter water ook afvoeren naar de hoofdaanvoerleiding van de centrale verwarming; zo wordt voorkomen dat te warm water onderin de warmtebuffer komt. Met deze oplossing wordt de in storing vallende WKK, stilstand van de ontsmetter, en het (over)vol raken van de drainsilo voorkomen, aldus TNO.
2.75.
In het rapport is TNO ook ingegaan op de klacht van [gedaagden] dat het gebruik van de ontsmetter tot opwarming van het systeem leidt en de noodzaak om energie te vernietigen. Volgens TNO kan dit het gevolg zijn van de WKK, met name in situaties wanneer de WKK wordt gestuurd op de levering van elektra en er geen of beperkte warmtevraag is vanuit de kas. TNO concludeert ook op dit punt dus niet dat sprake is van een gebrek of tekortkoming van Lek.
2.76.
De rechtbank volgt de conclusies van TNO en oordeelt op basis daarvan dat ten aanzien van de aansluiting tussen de ontsmetter en de warmtebuffer geen sprake (meer) is van een gebrek of een tekortkoming aan de kant van Lek. De vorderingen met betrekking tot klacht B3 worden dus afgewezen.
2.77.
[gedaagden] hebben ook een vergoeding gevorderd voor verhoogde energiekosten door het niet goed functioneren van de ontsmetter en de WKK. Volgens TNO is niet na te gaan of en zo ja, in hoeverre sprake is geweest van extra energieverbruik als gevolg van de koppeling tussen de warmtebuffer en de ontsmetter. Ook [gedaagden] en hun deskundigen hebben niet onderbouwd dat sprake is van schade. De gevorderde vergoeding is daarom niet toewijsbaar.
Problemen Sotex-installatie (B4)
2.78.
[gedaagden] hebben als kernklacht geuit dat de (Sotex)expansie-installatie die het water in de warmtebuffer van stikstof voorziet, regelmatig in storing gaat als er wat meer warmtevraag is vanuit de kas. Volgens [gedaagden] komt dit doordat de expansie-installatie een te lage capaciteit heeft. [51]
2.79.
Volgens TNO is de capaciteit van de expansie-installatie voldoende voor het beoogde gebruik (het op peil houden van de druk in de warmtebuffer). TNO baseert haar conclusie onder meer op navraag bij leverancier Van Amerongen, waaruit volgt dat de benodigde capaciteit lineair is met het volume van de warmtebuffer. Dit houdt in dat bij een buffer van 1.000 m3 een stikstofcapaciteit van 1,8 m3/h voldoende is, aldus TNO.
2.80.
[gedaagden] betwisten de conclusie van TNO. Volgens hen heeft de installatie een te lage capaciteit. [gedaagden] baseren zich hiertoe op door hen opgevraagde adviezen bij Sotex, Cogas en Presscon, evenals eerder DLVGE. De rechtbank volgt in dit geval de conclusie van TNO, die de rechtbank voldoende gemotiveerd en overtuigend voorkomt. De vorderingen van [gedaagden] die zien op deze klachten worden afgewezen.
Ontbrekende radiatoren (B5)
2.81.
Bij [partij B sub 2] is de klacht over de ontbrekende radiator vervallen. TNO heeft vastgesteld dat bij inspectie bij [partij B sub1] in 2023 is vastgesteld dat twee van de zes radiatoren niet zijn geïnstalleerd, maar onduidelijk is of dat altijd zo is geweest. De rechtbank neemt, bij gebrek aan gemotiveerde betwisting van het tegendeel door Lek, als vaststaand aan dat bij [partij B sub1] c.s. twee radiatoren niet zijn geleverd. Bij gebrek aan andere aanknopingspunten schat de rechtbank de waarde van dit ontbrekende werk in op € 500.
Aanpassing koppelleiding (B6)
2.82.
Uit het TNO-rapport volgt dat geen sprake is van de gestelde problematiek met de koppelleiding. TNO heeft bij [partij B sub 2] gevraagd om documentatie waaruit blijkt dat het water van de buffer na het passeren van de koppelleiding te koud aankomt bij de ontsmetter. TNO heeft die documentatie niet ontvangen; [gedaagden] heeft op 28 september 2023 bij TNO gemeld dat de problemen inmiddels zijn opgelost. Aldus is niet komen vast te staan dat sprake is van een tekortkoming aan de kant van Lek.
Reinigen buffer en reinigen en uitvlakken teeltvloer door kas onder water (B7, B8 en D10)
2.83.
[gedaagden] hebben gesteld dat bij [partij B sub1] waterschade is ontstaan door ondeugdelijk installatiewerk van Lek. Ten eerste is op 20 november 2012 de warmtebuffer overgelopen als gevolg van ondeugdelijk geïnstalleerd leidingwerk (TNO stelt vast dat dit inderdaad zo is). En daarnaast is volgens [gedaagden] op 25 september 2012 een PE-verbinding van een HNT-verwarmingsleiding losgeschoten, door ondeugdelijk leidingwerk bij [partij B sub1] . Ook is een padgietleiding niet aangesloten door de monteur van Lek, waardoor veel water de kas van [partij B sub1] is ingekomen, aldus [gedaagden]
2.84.
Vast staat dat [partij B sub1] de klachten over de wateroverlast en de verkeerd gemonteerde leidingen op 2 en 8 oktober 2012 bij Lek heeft gemeld. [52] [gedaagden] hebben in productie M18 een nadere toelichting gegeven op de gebreken en de waterschade, voorzien van foto’s. Daarnaast volgt uit het TNO-rapport dat het niet goed monteren en het vervolgens niet goed afpersen van deze leidingen op zichzelf deze gevolgen kunnen hebben, hoewel TNO dit niet meer kan nagaan. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagden] – dit alles tezamen genomen – voldoende onderbouwd hebben gesteld en Lek daartegenover onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat sprake is geweest van gebrekkig werk van Lek, met waterschade tot gevolg. Lek is hiervoor aansprakelijk (artikel 6:74 BW Pro). De rechtbank acht het aannemelijk dat [partij B sub1] door deze gebeurtenissen schade heeft geleden in de vorm van de inzet van personeel voor herstel- en schoonmaakwerk, maar het gevorderde schadebedrag van € 1.430 is onvoldoende onderbouwd. De rechtbank schat de schade naar billijkheid op de helft, € 750.
Corrosie door ontbrekende schilderwerkzaamheden (B9)
2.85.
Op basis van het TNO-rapport staat vast dat diverse verwarmingsonderdelen niet door Lek zijn geschilderd, terwijl dat wel had moeten gebeuren. Lek heeft de daarmee gemoeide kosten (€ 1.000 zowel voor [partij B sub1] als [partij B sub 2] ) niet betwist. Het gemiste werk wordt op dat bedrag vastgesteld.
Bevestiging buisrailverwarming aan betonpad (B11)
2.86.
[gedaagden] hebben gesteld dat Lek heeft nagelaten bij [partij B sub 2] de kopeinden van de buisrailverwarming aan het betonpad te fixeren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Lek dit verwijt onvoldoende gemotiveerd betwist. Lek heeft eerder gesteld dat alle rails waren bevestigd, maar dan valt niet in te zien waarom dit punt nog op de werkpuntenlijst van 16 november 2012 stond. Tegenover TNO heeft Lek bovendien een ander standpunt ingenomen; daar heeft Lek gesteld dat met [partij B sub 2] is afgesproken dat [partij B sub 2] zelf de buisrailverwarming zou bevestigen om kosten te besparen. De rechtbank neemt als vaststaand aan dat Lek dit werk niet heeft uitgevoerd en dat dit uiteindelijk door [partij B sub 2] zelf is gedaan. [partij B sub 2] heeft aan TNO een factuur van [bedrijfsnaam 2] van 4 juli 2014 verstrekt met een onduidelijk bedrag aan kosten (volgens TNO tussen de € 250 en € 350). De rechtbank schat de kosten van het werk bij gebrek aan verdere duidelijkheid op € 250.
Ontbrekende CO-detectoren (B12)
2.87.
Uit het TNO-rapport volgt dat Lek geen CO-detectoren heeft geleverd, terwijl dat wel was overeengekomen. Lek heeft niet bestreden dat de kosten voor het leveren en installeren van de CO-detectoren op het door TNO begrote bedrag van € 2.799 voor ieder van [gedaagden] kunnen worden vastgesteld. De door [gedaagden] aan Lek verschuldigde prijs wordt met dat bedrag verminderd.
Conclusie warmte-installatie
2.88.
Samenvattend worden de overeenkomsten geacht gedeeltelijk te zijn ontbonden voor wat betreft de niet aangesloten drycoolers (B1), de ontbrekende radiatoren (B6, [partij B sub1] ), het ontbrekende schilderwerk (B9), de buisrail (B11, [partij B sub 2] ) en de ontbrekende CO-detectoren (B12). Dit leidt per saldo bij [partij B sub 2] tot een prijsverlaging van € 7.499 en bij [partij B sub1] tot een prijsverlaging van € 7.749. Daarnaast heeft [partij B sub1] recht op € 750 aan schadevergoeding (B7, B8 en D10).
De watertechnische installatie (onderdeel D)
2.89.
Ten aanzien van de – door TNO onderzochte – watertechnische installatie overweegt de rechtbank als volgt.
Te lage capaciteit ontsmetter (D1) en kosten van extra meststof wegens te weinig capaciteit (D2a)
2.90.
[gedaagden] hebben als klacht aangevoerd dat de drainwaterontsmetter een veel te lage capaciteit heeft (8 m3/h in plaats van 10 m3/h). Dit wordt volgens [gedaagden] veroorzaakt door een veel te klein filter. Door het niet goed functioneren van de ontsmetter is drainwater met kunstmest geloosd en hebben [gedaagden] extra kosten voor meststoffen moeten maken.
2.91.
Volgens TNO zijn de ontsmetter, de filter en de pomp deugdelijk geïnstalleerd conform de overeenkomsten. Ook voldoet de werking van de combinatie pomp-ontsmetter-filter aan wat verwacht mocht worden op grond van de overeenkomsten, want:
  • De capaciteit is 9 m3/h bij een specificatie van 10 ± 1 m3/h;
  • 24/7 beschikbaarheid van het filter, waarvoor het filter automatisch, zelfreinigend moet zijn; het filter is inderdaad automatisch, zelfreinigend;
  • Er is voldoende ontsmettingscapaciteit per dag, op grond van het uitgangspunt van [gedaagden] voor watergift en drainpercentage.
2.92.
TNO heeft deze conclusies in het rapport gemotiveerd en toegelicht. De rechtbank volgt de conclusies van TNO en komt tot het oordeel dat de capaciteit van de ontsmetter en de bijbehorende filter en pomp voldoen aan wat is overeengekomen. Er is daarmee dus ook geen plaats voor een vergoeding van extra meststoffen wegens gebrekkige capaciteit van de ontsmetter. Uit het TNO-rapport volgt dat de van [gedaagden] ontvangen gegevens geen basis bieden om te concluderen dat de ontsmettingscapaciteit onvoldoende was. [53] De vorderingen worden afgewezen.
Extra meststofkosten wegens te laat in bedrijf stellen (D2b, [partij B sub 2] )
2.93.
[gedaagden] stellen dat door het niet tijdig in bestelling plaatsen van de ontsmetter voor [partij B sub 2] , met de opstart enkele weken drainwater noodgedwongen de sloot in is gelopen met extra kosten tot gevolg. [gedaagden] hebben deze stellingen tegenover de betwisting van Lek niet nader toegelicht en onderbouwd, of toegelicht waarom hier sprake is van een toerekenbare tekortkoming en schadeplichtigheid van Lek. De vordering wordt afgewezen.
Schade aan de gevel door de chauffeur van Lek (D3, [partij B sub1] )
2.94.
[gedaagden] stellen dat Lek bij het lossen van materialen gevelbeplating van de kas van [partij B sub1] heeft beschadigd; [partij B sub1] vordert € 470 aan schadevergoeding. [gedaagden] hebben deze klacht tegenover de betwisting van Lek onvoldoende onderbouwd. De vordering wordt afgewezen.
Warmlopen padgietpomp (D5)
2.95.
[gedaagden] stellen dat de padgietpomp warmloopt, als tegelijkertijd ook de pomp van de fertifill aanstaat. TNO heeft geen gebrek aan de padgietpomp kunnen vaststellen. Op basis van de ontvangen schriftelijke informatie en documentatie bestaat er geen aanleiding om de werking van de padgietpomp in twijfel te trekken, aldus TNO. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagden] aldus onvoldoende hebben onderbouwd dat de padgietpomp niet naar behoren functioneert. De vorderingen worden afgewezen.
Dakberegening (D6, [partij B sub 2] )
2.96.
Uit het TNO-rapport volgt dat de dakberegening tot een jaar na installatie onvoldoende was, omdat de slangen zodanig ver boven het kasdek uitstaken dat ze een belemmering vormden voor de dakwasser. Er was daarmee sprake van een gebrekkige prestatie van Lek. [gedaagden] hebben ook onweersproken gesteld dat het gebrek door [partij B sub 2] is gemeld op de werkpuntenlijst van 16 november 2012, maar niet tijdig door Lek is opgelost. [partij B sub 2] heeft het gebrek zelf opgelost. De hiermee gemoeide herstelkosten kunnen onbetwist worden gesteld op € 600. De rechtbank zal bepalen dat de overeenkomst met [partij B sub 2] vanwege dit gebrek tot dit bedrag kon worden ontbonden.
Niveaumeting sporen en loog bak (D7)
2.97.
[gedaagden] hebben de klacht geuit dat de buisringmeter te kort was, waardoor niet de gehele inhoud van de bak wordt gemeten. Uit het TNO-rapport volgt dat het gebrek bij [partij B sub1] is opgelost. Bij [partij B sub 2] kon TNO niet meer nagaan of het gebrek is opgelost, omdat de loogbak niet meer in gebruik is. Uit het TNO-rapport volgt echter ook dat Lek op de werkpuntenlijst van [partij B sub 2] van 16 maart 2013 heeft vermeld dat dit opgelost zou worden. Gesteld noch gebleken is dat Lek dit heeft gedaan; andersom hebben [gedaagden] ook niet duidelijk gemaakt of dit tussentijds door een ander is hersteld. De rechtbank is van oordeel dat [partij B sub 2] vanwege het gemiste werk de overeenkomst gedeeltelijk kon ontbinden. Het daarmee bemoeide bedrag wordt in lijn met de inschatting van DLVE op € 250 begroot. Voor zover [partij B sub 2] in verband met dit gebrek nog vergoeding van andere schade vordert, wordt die vordering afgewezen omdat dit onvoldoende is onderbouwd.
Aanpassen en vervangen van de as van de roermenger (D8)
2.98.
Uit het TNO-rapport volgt dat de roeras van de sporenbakmixer te kort is. Ook volgt uit het rapport dat dit punt op de werkpuntenlijst van maart 13 stond. Dit is niet door Lek hersteld. [gedaagden] konden voor de gemiste prestatie gedeeltelijk ontbinden; de waarde van de gemiste prestatie wordt conform het TNO-rapport geschat op € 280.
Kosten van de problemen met a en b bak (D9, [partij B sub1] )
2.99.
Uit het DLVGE rapport volgt dat bij [partij B sub1] het zandfilter niet automatisch terugspoelde en dat dit door derden is hersteld (verwezen wordt naar een factuur van [bedrijfsnaam 3] van 14 juli 2015). [gedaagden] hebben onvoldoende onderbouwd dat en waarom dit kosten zijn die voor rekening van Lek dienen te komen. Ook TNO heeft bij gebrek aan beschikbaar ontvangen informatie niet kunnen vaststellen in hoeverre sprake is (geweest) van een gebrek. De door [partij B sub1] gevorderde kosten van € 688,01 zijn daarmee niet voor toewijzing vatbaar en worden afgewezen.
Lekkage silo (D11)
2.100. [gedaagden] hebben gesteld dat aan de dagvoorraadsilo een leiding was bevestigd met bouten die het silozeil hebben beschadigd, waardoor een lekkage is ontstaan. [54] Uit het rapport van DLVGE volgt dat in beide gevallen de lekkage verholpen zou zijn door [bedrijfsnaam 4] voor een bedrag van € 489. De rechtbank is het met Lek eens dat het opvallend is dat bij zowel [partij B sub1] als [partij B sub 2] zich exact dezelfde klacht heeft voorgedaan.
2.101. TNO heeft de klachten van [gedaagden] onderzocht. TNO heeft opgemerkt dat [partij B sub 2] ter onderbouwing van zijn klacht alleen heeft verwezen naar een factuur van [bedrijfsnaam 4] van 17 juni 2015. De factuur specificeert niet om welke silo het gaat en een (storings)melding aan Lek over het lekken van de dagvoorraadsilo is in de beschikbare informatie niet gevonden, aldus TNO. Ook bij [partij B sub1] heeft TNO geen (storings)melding over het lekken van de dagvoorraadsilo kunnen vinden. TNO heeft [gedaagden] gevraagd om een onderbouwing van het gebrek, maar uit de daarop ontvangen foto’s (beide kennelijk genomen maart 2021) valt volgens TNO niet af te leiden hoe de oude leiding verkeerd gemonteerd zou zijn of hoe die het zeil door beweging/trilling had kunnen beschadigen. Het valt voor TNO niet na te gaan of sprake is geweest van ondeugdelijke installatie.
2.102. Aldus hebben [gedaagden] niet deugdelijk kunnen onderbouwen dat sprake is van een tekortkoming aan de kant van Lek. Niet valt dan ook in te zien waarom Lek aansprakelijk is voor de afkeuring van de silo’s van [partij B sub1] in 2024, wegens corrosie aan de platen.
2.103. De vorderingen worden afgewezen.
Conclusie watergeefinstallatie
2.104. Samenvattend kon [partij B sub 2] in verband met gebreken aan de watergeefinstallatie de overeenkomst gedeeltelijk ontbinden tot een bedrag van € 1.130 en [partij B sub1] tot een bedrag van € 280.
Elektrische installatie (onderdeel C)
2.105. Bij de verdere beoordeling van het geschil over de elektra-installatie en de belichtingsinstallatie stelt de rechtbank het volgende voorop.
2.106. De rechtbank heeft FW Techniek benoemd om als onafhankelijke deskundige een onderzoek uit te voeren naar de elektra-installaties en de belichtingsinstallaties. FW Techniek heeft op 23 april 2021 een definitief rapport opgemaakt. [gedaagden] betogen dat het rapport van FW Techniek onvoldoende bruikbaar is om de vragen van de rechtbank te beantwoorden. Zij verwijzen hiertoe onder meer naar de kritiek van hun partijdeskundige [partijdeskundige] B.V. (productie M5 [gedaagden] ). Ook hebben [gedaagden] een eigen partijdeskundigenrapport van Building Services Research institute (‘BSRi’) van 7 oktober 2025 overgelegd. BSRi komt hierin op onderdelen tot andere conclusies dan FW Techniek, met name ten aanzien van de oorzaak van de oververhitting van de panelen en de vraag of wel of geen dambord-functionaliteit is overeengekomen. [gedaagden] vinden dat het rapport van FW Techniek ter zijde moet worden geschoven en dat het rapport van hun deskundigen moet worden gevolgd.
2.107. De rechtbank volgt [gedaagden] hierin niet. FW Techniek is als onafhankelijke deskundige benoemd. De rechtbank ziet geen aanleiding om eraan te twijfelen dat FW Techniek het onderzoek onafhankelijk en onpartijdig heeft uitgevoerd. Dat FW Techniek gaande het onderzoek tot de ontdekking is gekomen dat hij op 28 november 2012 een lichtmeting heeft uitgevoerd in kas van [partij B sub1] , diskwalificeert FW Techniek niet als deskundige. FW Techniek heeft toegelicht dat hij deze uitgevoerde opdracht bij de uitvraag van de rechtbank abusievelijk niet had gevonden, omdat hij had gezocht op de naam Mans en niet op de bedrijfsnaam ( [handelsnaam 1] ). FW Techniek heeft toegelicht dat hij zich geen details van die lichtmeting meer kon herinneren. Hij heeft deze pas na het lezen van het partijcommentaar van [gedaagden] in zijn oude rapportages gevonden. Het betrof bovendien een lichtmeting in opdracht van armaturenfabrikant Light Interaction (zoals FW Techniek er destijds tientallen uitvoerde), waarbij uitsluitend is gekeken naar de lichtopbrengst en niet naar de elektrische installatie. Volgens FW Techniek heeft het bezoek in 2012 geen invloed gehad op zijn opname en rapportage in deze zaak. [55] De rechtbank ziet geen reden om daaraan te twijfelen.
2.108. De rechtbank acht het verder begrijpelijk dat FW Techniek in dit geval de partijdeskundigenrapporten van DLVGE van 13 mei 2014 en 17 mei 2018 als vertrekpunt heeft genomen voor zijn beoordeling. Immers, de in die rapportages geformuleerde klachtpunten (door [gedaagden] gerubriceerd onder C en F) vormden de basis van de door [gedaagden] ingestelde vorderingen in reconventie. De rechtbank heeft FW Techniek in het benoemingsvonnis van 21 oktober 2020 gevraagd zich op die klachten te richten. Bovendien diende FW Techniek zich in 2021 een oordeel te vormen over de stand van het werk, zoals dat in 2012/2013 door Lek tot stand was gebracht (acht jaar later).
2.109. Het is tegen die achtergrond bezien logisch dat FW Techniek voor zijn oordeelsvorming de oudere partijdeskundigenrapporten heeft meegenomen, ook omdat de toenmalige toestand van de installaties (door tijdsverloop en/of tussentijdse aanpassing) zich in 2021 soms nog maar lastig liet vaststellen. Uit het rapport van FW Techniek volgt dat de deskundige zich in zijn oordeel voldoende rekenschap heeft gegeven van dit verstreken tijdsverloop en eventuele tussentijdse aanpassingen en dat de deskundige het DLVGE-rapport alleen als vertrekpunt heeft genomen en zich een zelfstandig oordeel heeft gevormd over de daarin geformuleerde klachten. Het deskundigenrapport biedt geen enkel aanknopingspunt dat FW Techniek kritiekloos is meegegaan in het DLVGE-rapport. Integendeel, FW Techniek trekt op meerdere onderdelen juist andere conclusies.
2.110. Ten slotte heeft FW Techniek (in de persoon van [naam] ) blijkens zijn cv jarenlange ervaring in het uitvoeren van elektrotechnische inspecties en keuringen in de glastuinbouw (o.a. NEN1010 en NEN3140). De rechtbank ziet geen grond om aan de deskundigheid van FW Techniek of aan de zorgvuldigheid van het door FW Techniek uitgevoerde onderzoek te twijfelen. De rechtbank zal, bij de beoordeling van de geschilpunten over de elektra en de belichting, dan ook in beginsel afgaan op de conclusies en bevindingen van FW Techniek en niet op het later ingebrachte partijdeskundigenrapport van BSRi.
Monteren van padverlichting (C1, [partij B sub1] )
2.111. [gedaagden] stellen dat het pad ter plaatse van de werkruimte bij [partij B sub1] op sommige plekken onvoldoende wordt verlicht. Er ontbreken armaturen. Lek heeft aangevoerd dat het betreffende armatuur na overleg tussen de monteur ter plaatse en [partij B sub1] op een andere plaats is gemonteerd. [gedaagden] hebben hiertegenover onvoldoende onderbouwd dat sprake is van een tekortkoming van Lek.
Diverse wijzigingen om de installatie aan NEN1010-norm te laten voldoen (C2)
2.112. Niet in geschil is dat tussen partijen het volgende is overeengekomen:
  • de door Lek op te leveren installatie voldoet aan de eisen van NEN1010, veiligheidsbepalingen voor laagspanning installaties;
  • voor het onder spanning zetten en in bedrijfstellen van de elektrische installaties wordt deze volgens NEN1010 geïnspecteerd;
  • bij oplevering wordt een tekeningenmap met een inspectierapport van alle bevindingen overhandigd.
2.113. Naar de rechtbank uit de stellingen van [gedaagden] begrijpt, heeft Lek wel zelf NEN1010-inspecties uitgevoerd in december 2012 (bij [partij B sub1] ) en in januari 2013 (bij [partij B sub 2] ). [57] Het staat echter als niet (voldoende) weersproken vast dat Lek heeft geweigerd om die inspectierapporten vrij te geven. In het Tussenvonnis is geoordeeld dat Lek niet mocht opschorten. [gedaagden] hebben onweersproken gesteld dat zij een NEN1010-keuringsrapport nodig hadden voor hun verzekering. De rechtbank is met [gedaagden] van oordeel dat het onder deze omstandigheden redelijk is dat [gedaagden] eind 2013 zelf een NEN1010-keuring hebben laten uitvoeren door DLVGE. De kosten daarvan (€ 2.117,50 zowel voor [partij B sub1] als [partij B sub 2] ) komen voor rekening van Lek.
2.114. DLVGE heeft de elektrische installaties in november en december 2013 gekeurd. DLVGE heeft destijds geconcludeerd dat de installaties op diverse punten niet aan de toepasselijke NEN1010-normen voldoen. Uit de reactie van Lek van 4 september 2014 (productie VII.17 Lek), waarnaar Lek heeft verwezen, volgt dat Lek in elk geval niet bestrijdt dat een aantal punten uit de rapporten (o.a. nog niet uitgevoerd tekenwerk) inderdaad nog terechte overgebleven werkpunten betrof, namelijk punten 1 tot en met 5 ( [partij B sub1] ) en 1 tot en met 7 ( [partij B sub 2] ). Met het afronden van die punten was volgens Lek respectievelijk € 952,22 ( [partij B sub1] ) en € 1.266,42 ( [partij B sub 2] ) gemoeid. DLVGE begroot de kosten op een hoger bedrag, ten minste € 1.600 voor alleen al het tekenwerk, maar die kosteninschatting is niet nader onderbouwd. De rechtbank schat de met de openstaande punten gemoeide kosten naar billijkheid voor [partij B sub1] in op een bedrag van € 1.500 en voor [partij B sub 2] in op € 2.000.
2.115. FW Techniek heeft de eerdere inspectierapporten van DLVGE beoordeeld. Uit het commentaar van FW Techniek begrijpt de rechtbank dat FW Techniek van oordeel is dat bij [partij B sub1] de punten 11 (railkast), 12 (aardedraad), 13 (potentiaalvereffening), 14 (patroonkast), 16 (kabelgoot) en 20 (voeding osmose) terechte werkpunten zijn die nog moeten worden hersteld. [58] De met die punten gemoeide herstelkosten zijn door FW Techniek ingeschat op opgeteld € 1.000.
2.116. Voor het overige (zowel bij [partij B sub1] als bij [partij B sub 2] ) heeft FW Techniek niet, althans niet met voldoende zekerheid, kunnen concluderen dat door DVLGE benoemde restpunten terecht waren, hetzij omdat dit volgens FW Techniek geen gebrek is, dan wel omdat dit inmiddels is hersteld. FW Techniek merkt naar het oordeel van de rechtbank terecht op dat voor zover bepaalde punten niet door Lek maar door derden zijn hersteld, het aan [gedaagden] om dit aan de hand van facturen inzichtelijk te maken en te onderbouwen, zodat inzichtelijk wordt of en in hoeverre sprake is van schade aan de kant van [gedaagden] hebben die nader onderbouwing evenwel niet, althans niet voldoende, gegeven. De vorderingen die daarmee verband houden worden afgewezen.
2.117. De rechtbank komt aldus tot het oordeel dat Lek in verband met het keuren en het NEN1010-conform maken van de installaties (inclusief het verstrekken van oplevertekeningen) het werk niet volledig en niet deugdelijk heeft afgerond. Voor dat deel konden [gedaagden] de overeenkomsten gedeeltelijk ontbinden. De waarde van het ontbrekende en gebrekkige werk wordt geschat op de hiervoor beschreven herstelkosten, dus € 2.500 bij [partij B sub1] en een bedrag van € 2.000 bij [partij B sub 2] . Daarnaast hebben [gedaagden] recht op vergoeding van de kosten van het DLVGE-rapport (€ 2.117,50 ieder).
Noodstroomvoorziening is niet aanwezig (C3)
2.118. [gedaagden] hebben gesteld dat Lek heeft nagelaten een passende stekkerverbinding of vaste aansluiting te realiseren voor de noodstroomvoorziening. Lek heeft betwist dat het realiseren van een aansluiting onderdeel was van de overeenkomsten en haar betwisting wordt door FW Techniek gestaafd; volgens FW Techniek omvat de opdrachtbevestiging alleen levering van een omkeerschakelaar en die is geleverd. [gedaagden] hebben hiertegenover onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat zij wel mochten verwachten een noodstroomaansluiting geleverd te krijgen. Het is daarmee niet komen vast te staan dat Lek op dit punt niet al haar verplichtingen is nagekomen. De vorderingen die hiermee verband houden worden afgewezen.
Ontbrekende armaturen (C4)
2.119. [gedaagden] stellen dat op cruciale plaatsen armaturen ontbreken; bij [partij B sub1] twee bij de sanitaire ruimten en één in het hoofdkantoor en bij [partij B sub 2] ontbreekt een lichtpunt bij de hoofdingang.
2.120. Lek heeft aangevoerd dat het ontwerp van het kantoor en de sanitaire ruimte is aangepast, waardoor aantallen zijn verschoven. Van sommige types is meer geleverd, van sommige minder. De uiteindelijke uitvoering is in overleg met [gedaagden] bepaald, aldus Lek.
2.121. FW Techniek constateert dat bij [partij B sub 2] twee stuks gevelarmaturen ontbreken, maar dat Lek in haar restpuntenlijst van 23 april 2013 heeft opgeschreven dat de levering van armaturen geen onderdeel van de opdracht was. Bij [partij B sub1] heeft FW Techniek vastgesteld dat het hem niet is opgevallen dat er te weinig licht in de kantoren is. Wel is bij de toiletten te weinig licht en zijn de toiletten niet geplaatst waar de armaturen hangen (of andersom), maar FW Techniek vermoedt dat de toiletten later zijn geplaatst dan de armaturen. [59]
2.122. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagden] in het licht van dit een en ander tegenover de betwisting van Lek onvoldoende hebben onderbouwd dat Lek is tekortgeschoten in een op haar rustende verplichting (en zo ja: welke). De vorderingen op dit onderdeel wordt afgewezen.
Aansluiten en monteren van deurintercom (C7, [partij B sub1] )
2.123. Als niet (voldoende) weersproken staat vast dat Lek bij [partij B sub1] de deurintercom moest aansluiten en monteren. [partij B sub1] heeft dit door een ander laten uitvoeren. De kosten daarvan zijn – zo begrijpt de rechtbank uit het Finqa overzicht – € 2.035,77. Lek heeft niet gemotiveerd betwist dat dit een redelijk bedrag is voor het ontbrekende werk. [partij B sub1] wil gedeeltelijke ontbinding, hetgeen volgens hem dient te leiden tot een prijsvermindering met dit bedrag. Bij gebrek aan gemotiveerde betwisting wordt dit standpunt gevolgd. De prijs die [partij B sub1] dient te betalen wordt met een bedrag van € 2.035,77 verminderd.
De ventilatoren in de kas voldoen niet aan de eisen (C8)
2.124. [gedaagden] hebben gesteld dat de ventilatoren niet aan de daaraan te stellen veiligheidseisen voldoen omdat deze niet van roosters zijn voorzien; de arbodienst gaat hier volgens hen niet mee akkoord.
2.125. Volgens FW Techniek werd dit type ventilatoren van het merk Multifan destijds standaard zonder rooster geleverd. Uit de overeenkomsten volgt niet dat ervoor is gekozen om de ventilatoren mét rooster te leveren. [60] De rechtbank is van oordeel dat [gedaagden] aldus onvoldoende hebben onderbouwd dat Lek op dit punt haar leveringsverplichtingen niet is nagekomen. [gedaagden] zijn geen levering met roosters overeengekomen. De vorderingen worden op dit punt afgewezen.
Te weinig stopcontacten gemonteerd ( [partij B sub1] , C9 en C4a)
2.126. [partij B sub1] vordert kennelijk – zo leidt de rechtbank af uit het overzicht van Finqa – ook kosten voor het ontbreken van stopcontacten, maar die vordering maakte geen deel uit van de oorspronkelijke klachten die [gedaagden] in mei 2018 hebben opgesteld naar aanleiding van de nadere rapporten van DLVGE. [gedaagden] hebben de klacht ook verder niet inzichtelijk onderbouwd, zodat de vordering reeds bij gebrek aan deugdelijke grondslag wordt afgewezen.
Monteren van kantoorkabelgoot (C12, [partij B sub 2] )
2.127. [gedaagden] stellen stelt dat de kantoorkabelgoot bij [partij B sub 2] met diverse aansluitingen nooit door Lek is aangelegd. Lek heeft dit betwist en het rapport van FW Techniek biedt geen aanknopingspunten om te kunnen vaststellen of hier sprake is van een gebrek. [61] De rechtbank is van oordeel dat [gedaagden] de gestelde tekortkoming tegenover de betwisting van Lek onvoldoende hebben onderbouwd. De vordering wordt afgewezen.
Conclusie elektrische installatie
2.128. Samenvattend kan [partij B sub1] in verband met gebreken en niet voltooide werken aan de elektrische installatie de overeenkomst ontbinden voor een bedrag van € 4.535,77 en [partij B sub 2] tot een bedrag van € 2.000. Daarnaast heeft ieder van hen recht op een bedrag van € 2.117,50 voor het keuringsrapport van DLVGE. Omdat [gedaagden] die laatste post vorderen als onderdeel van de kosten gemaakt tot vaststelling van schade en aansprakelijkheid zal de rechtbank die daar meenemen.
Computerinstallatie (onderdeel E)
2.129. [gedaagden] hebben gesteld dat er problemen zijn geweest met de gelijkloopregeling van de scherminstallaties. Er zijn verschillende storingen geweest en de beveiliging heeft een aantal keer gefaald waardoor er schade aan het doek is ontstaan. [gedaagden] hebben in verband hiermee verschillende schadebedragen van Lek gevorderd: eerst € 1.500 (in mei 2015), later (in mei 2018) € 5.058 ( [partij B sub 2] ) en € 1.856 ( [partij B sub1] ) en ten slotte (in oktober 2025) € 5.509 ( [partij B sub 2] ) en € 4.232 ( [partij B sub1] ).
2.130. [gedaagden] hebben tegenover de betwisting van Lek onvoldoende inzichtelijk gesteld en onderbouwd dat (en zo ja: in hoeverre) schade is ontstaan waarvoor Lek op grond van haar contractuele verplichtingen aansprakelijk is; het is op grond van de artikelen 149 en 150 Rv aan [gedaagden] om dit voldoende duidelijk te stellen. Nu [gedaagden] dat niet hebben gedaan, wordt hun vordering afgewezen.
De belichtingsinstallatie (onderdeel F)
2.131. Ten aanzien van de belichtingsinstallatie overweegt de rechtbank als volgt.
Defecte strengen (F1.a)
2.132. [gedaagden] stellen dat strengen niet of verkeerd waren aangesloten door Lek. Lek heeft dit betwist. Lek verwijst naar de werkpuntenlijst van [partij B sub1] van 21 maart 2013, waarin alleen over een probleem met streng 33 wordt gesproken; dat probleem is volgens Lek toen opgelost.
2.133. FW Techniek heeft niet kunnen constateren dat strengen binnen de garantieperiode niet hebben gefunctioneerd, zonder dat dit door Lek is opgelost. [gedaagden] hebben dit verder ook niet kunnen onderbouwen. Niet duidelijk is ook welke concrete schade (in de vorm van herstelkosten) [gedaagden] in verband hiermee vorderen. De hiermee samenhangende vorderingen worden afgewezen.
2.134. FW Techniek heeft in zijn rapport nog opgemerkt dat wel een juiste bevinding is dat bij [partij B sub1] oververhitting van strengen plaatsvindt, maar de rechtbank zal dat hierna bij gebrek F4 (aanpassing belichtingskasten) bespreken nu die oververhitting van strengen volgens FW Techniek samenhangt met de oververhitting in de panelen.
Wel of geen dambordschakeling (F2)
2.135. Tussen partijen is in geschil of de schakeling van de belichtingsinstallatie voldoet aan wat tussen partijen is overeengekomen. [gedaagden] stellen dat zij zijn overeengekomen dat de installatie volgens het dambord principe moet kunnen worden geschakeld, waarbij de lampen om en om aan- en uitgezet kunnen worden, in een ‘dambordpatroon’. Lek heeft een ander standpunt. Volgens Lek is geen dambordschakeling maar een schakeling per tralierij overeengekomen (in een ‘zebrapad-patroon’), en dat is ook wat is geleverd, aldus Lek. De rechtbank zal dus, aan de hand van de Havilex-maatstaf (zie 2.37), de overeenkomsten op dit punt moeten uitleggen.
2.136. Lek heeft onbetwist gesteld dat Lek tijdens de offertefase, in het prijzenblad van 20 november 2011, de volgende opties heeft aangeboden aan [gedaagden] :
Ook stond in de eerste offerte het volgende ten aanzien van de besturing:
2.137. Op 30 mei 2012 zijn de schriftelijke overeenkomsten gesloten. Hierin staat onder meer het volgende bij het onderdeel ‘assimilatie belichting installatie’:
(…)
(…)
2.138. De rechtbank is met Lek van oordeel dat hieruit volgt dat [gedaagden] met Lek geen schakeling in dambord zijn overeengekomen. Uit het prijzenblad volgt duidelijk dat [gedaagden] twee opties hadden om de belichting in de kas niet volledig maar gedeeltelijk (voor 50%) in te schakelen: (1) een schakeling in dambord (dus lampen over het veld aan- en uit in een dambordpatroon) of (2) een schakeling per tralierij (dus de lampen per gehele tralierij aan en uit, in een “zebrapadpatroon”). Uit het prijzenblad blijkt tevens dat de tweede optie (per rij geschakeld) € 11.170 goedkoper was. Uit de overeenkomsten volgt dat [gedaagden] voor die tweede (goedkopere) optie hebben gekozen: zowel bij de uitgangspunten als bij de leveringsvoorwaarden staat immers dat gekozen is voor een schakeling
per rij. Dat bij de besturing tussen haakjes het woord ‘dambord’ is blijven staan
“de schakeling zal uitgevoerd worden in twee secties (dambord)”, maakt niet dat [gedaagden] een dambordschakeling mochten verwachten. Als [gedaagden] dat laatste hadden gewild, dan hadden zij voor de (duurdere) schakeling per dambord moeten kiezen en niet voor de schakeling per rij. Dit volgt ook uit het rapport van FW Techniek, die bevestigt dat de bekabeling van de streng het effect van het sturen in twee secties bepaalt. [62]
2.139. Het is niet in geschil dat het voor [gedaagden] mogelijk is om de opgeleverde installatie per rij (in zebrapadpatroon) te schakelen. Lek heeft daarmee geleverd wat is overeengekomen. De vorderingen op dit onderdeel worden afgewezen.
Schade belichtingsinstallatie en scherminstallatie door foutieve bekabeling (F2 en F3)
2.140. Vast staat dat sprake is van een gebrek, omdat niet alle lasdozen van belichtingsarmaturen zijn vastgezet aan de kasconstructie. Hierdoor is schade ontstaan aan de scherminstallatie en de bekabeling. De elektrakabels raken de trekdraden van de scherminstallatie en slijten in of worden soms meegenomen door de scherminstallatie.
2.141. Uit het rapport van FW Techniek volgt dat de oorzaak ligt in het ontbreken van de beugels waarmee de lasdozen aan de tralie moeten worden bevestigd. [63] Tussen partijen staat als niet (voldoende) weersproken vast dat die beugels door [gedaagden] zelf zouden worden geleverd. Overeengekomen is dat [gedaagden] zelf de armaturen zou leveren, en dat omvat – naar FW Techniek bevestigt – ook de lasdozen, ophangbeugels en klemmen om de lasdozen te monteren (dit werd door Light Interaction als pakket aangeleverd). [64] Lek heeft aangevoerd dat de door [gedaagden] aangeleverde beugels niet pasten en dat Lek heeft aangeboden om naderhand beugels aan te brengen, maar wel tegen een meerwerkprijs. Daarmee gingen [gedaagden] volgens Lek niet akkoord.
2.142. FW Techniek merkt op dat deze toelichting van Lek bij zijn onderzoek naar boven is gekomen, maar dat de verhalen wisselend zijn: FW Techniek heeft later weer gehoord dat de lasdozen er wel waren maar dat Lek heeft gevraagd om andere dozen die er een dag later waren. Ook heeft FW Techniek in zijn rapport opgemerkt dat hij niet kan beoordelen waarom de schermdraden direct langs de kabels van de belichting zijn gelegd en dat het erop lijkt dat een deel van de scherminstallatie vóór en een deel van de scherminstallatie ná de montage van de bekabeling is aangelegd. [65] Wat FW Techniek wel zonder voorbehoud en ondubbelzinnig concludeert, is dat het in deze situatie onvermijdelijk en voorzienbaar was (ook voor [gedaagden] ) dat er schade zou ontstaan, indien de scherminstallatie al in gebruik zou worden genomen terwijl nog niet alle belichtingskabels aan de tralies waren bevestigd. De installatie had door [gedaagden] niet in bedrijf mogen worden genomen vóór installatie van deze beugels, aldus FW Techniek. [66]
2.143. De rechtbank stelt vast dat Lek gemotiveerd heeft betwist dat de door [gedaagden] geleden schade door een tekortkoming van Lek is ontstaan, en ook het rapport van FW Techniek biedt geen dragende aanknopingspunten dat sprake is van een tekortkoming aan de kant van Lek. [gedaagden] hebben hiertegenover ook niet deugdelijk onderbouwd dat (en zo ja, waarom) Lek in dit geval aansprakelijk is voor de ontstane schade aan de kabels en draden van de belichting- en scherminstallatie. Hun vordering wordt dan ook afgewezen.
Aanpassing belichtingskasten (F4)
2.144. [gedaagden] hebben melding gemaakt van verbrandingsschade aan de rails van de panelen (onderdeelverdeelkasten). DLVGE heeft in haar rapport van 17 mei 2018 gesteld dat dit komt doordat de schakelpanelen te veel armaturen voeden. Hierdoor worden de panelen te heet en branden delen van de panelen uit.
2.145. FW Techniek heeft de panelen onderzocht. In het ontwerp is uitgegaan van maximaal negen armaturen op een groep. FW Techniek ziet geen aanknopingspunten dat er te veel armaturen op een groep zijn aangesloten, omdat hij tijdens een rondgang door de kas al het licht zag branden en tijdens de thermografische metingen geen abnormale verschillen zijn geconstateerd in de temperaturen en daarmee ook in de stroom per streng. Daarnaast is het volgens FW Techniek technisch niet goed mogelijk om te veel lampen op een streng aan te sluiten, zonder dat beveiligingen worden aangesproken en daardoor voortdurend storingen zullen optreden. [67] Dat is niet het geval. Volgens FW Techniek kan op basis hiervan met een voldoende mate van zekerheid worden geconcludeerd dat niet te veel lampen op een groep zijn aangesloten, ook al heeft FW Techniek niet alle strengen in de kas stuk voor stuk onderzocht. De rechtbank acht deze conclusie van FW Techniek voldoende onderbouwd en neemt deze over.
2.146. FW Techniek heeft ook onderzoek gedaan naar andere mogelijke oorzaken van de verbrandingsschade in de panelen. Uit het rapport van FW Techniek volgt dat hierbij verschillen zijn geconstateerd in de beide kassen, in die zin dat bij de panelen van [partij B sub 2] geen gebrek is vastgesteld en bij de panelen van [partij B sub1] wel. In zijn definitieve onderzoeksrapport heeft FW Techniek hierover het een en ander opgeschreven.
2.146.1. Ten aanzien van de onderzochte installatie bij
[partij B sub 2]concludeert FW Techniek, voor zover hier van belang:

b. Voldoet de werking ... ?
Na het verhelpen van de fout aangesloten strengen, iets dat normaal tijdens de in bedrijfstelling wordt uitgevoerd, werkt de installatie naar behoren.
De verkleuringen op de verbindingsblokken tussen de beveiliging en magneetschakelaar zijn gebruikelijk en verkorten de levensduur van de magneetschakelaars. Dat is de reden dat deze, standaard toegepaste verbindingen later door de fabrikant (ABB) zijn afgeraden en zijn vervangen door losse bedrading. (zoals uitgevoerd bij [partij B sub1] ).
Op de thermografische opnamen tijdens de opleverinspectie door DLV zijn deze temperaturen al aanwezig, maar volgens de NPR 8040-1,
Inspectiemethoden voor elektrische installaties - Deel 1: Thermografie - Beoordelen van de gemeten temperatuur, is de toegestane temperatuur van 105°C (90°C) niet overschreden. (zie tabel 3). (
dit gaat over de isolatiematerialen, met name die van de verbindingsblokken)” [68]
2.146.2. Naar aanleiding van het partijcommentaar namens [partij B sub 2] heeft FW Techniek in zijn definitieve rapport nog het volgende opgemerkt:
“De conclusie van mij tijdens het onderzoek en in de rapportage is gelijk en de conclusie is dat de magneetschakelaars zijn belast tot op de grens van de mogelijkheden.
Echter de verkleuringen op de verbindingsblokken zijn oorzaak van de onvoldoende warmteafvoer van de blokken. Dit is een reden geweest voor ABB om de blokken te vervangen door losse draden.
De levensduur kan nadelig worden beïnvloed, maar nu is het merendeel van de magneetschakelaars vanaf het begin in bedrijf, dat betekent dat de magneetschakelaars gedurende 8 jaar zonder problemen functioneren en gezien de temperaturen van de contacten is er nog geen reden om aan te nemen dat de magneetschakelaars aan het einde van hun leven zijn. Pas wanneer er veel uitval is van meerdere magneetschakelaars per paneel en een hoge temperatuur van alle contacten is de veroudering zo ver dat men moet nadenken over het vervangen van alle magneetschakelaars.
De opmerking dat ook bij [partij B sub1] bruine verkleuring is te zien staat niet in verhouding tot de verkleuring van de verbindingsblokken en is niet relevant voor de toestand van de panelen bij [partij B sub 2]. In de rapportage van [partij B sub1] ga ik daar nader op in. Het is wel een van de problemen die door deze zaken heen doorlopen, maar elk een andere oorzaak hebben.
In de installatie van [partij B sub 2] zie ik geen aanleiding om aanpassingen of, vervroegd, onderhoud te doen.” [69]
2.146.3. Met betrekking tot de verbrandingsschade in de panelen van
[partij B sub1]heeft FW Techniek het volgende bevonden en geconcludeerd:

3. Knetterende panelen en uitval van strengen.
Het blijkt dat de stroomrails is beschadigd ter plaatse van de verbindingen met de adapters waar de beveiliging en magneetschakelaar op zijn gemonteerd.
De oorzaak is mij niet duidelijk, maar het lijkt niet aan het ontwerp en toepassing van de componenten te liggen;
• de adapters zijn geschikt voor 32 A. de stroom bedraagt ca. 14 Ampère per streng;
• de toegepaste rail heeft een afmeting van 5 x 20 mm, dit is geschikt voor deze adapters, tot een totaalstroom van 250 Ampère. De totaalstroom zou maximaal 17 groepen van elk 14 Ampère = 235 Ampère bedragen.;
• De adapters en rail voldoen.
Echter uit het rapport van DLV en de problemen beschreven door installatiebedrijf [bedrijfsnaam 3] blijkt dat er al in mei 2014 thermische problemen te zien zijn op de thermografische foto's in het rapport. De hoogste temperaturen worden gemeten op de adapters. En niet op de magneetschakelaar of beveiliging. Een mogelijke oorzaak kan zijn dat de rails niet goed zijn schoongemaakt voor montage, of dat er een productiefout in de adapters zit.
Bij navraag door mij bij verschillende paneelbouwers en installateurs is een dergelijk probleem niet eerder voorgekomen.
Onderhoud aan railsysteem is niet gebruikelijk of noodzakelijk.
In mijn opinie zou, wanneer er uit een partij van 15 stuks meerdere problemen zijn geconstateerd, bij alle panelen moeten worden onderzocht of deze dezelfde problemen hebben.
Afhankelijk van de uitkomst zou dan preventief het railsysteem en adapters moeten worden vervangen. Nu zijn er panelen, wij hebben paneel 8, 6, 7 en 9 onderzocht. Bij de panelen waar geen rails is vervangen zijn hoge temperaturen. Helaas is in het begin niet goed geacteerd op de problemen en is er onnodig ergernis en teeltschade ontstaan.
De oplossing is om bij de panelen waar dat nog niet is gebeurd het railsysteem en adapters te vervangen. Verhalen op de leverancier of toe te schrijven aan een montagefout is heel lastig zeker na de verstreken periode.
Opmerking
In dezelfde periode is ook de installatie bij [partij B sub 2] gebouwd, daar zijn geen problemen met de rails en/of adapters. Ook uit de thermografische foto's van die installatie blijkt dat de hoogste temperaturen niet op de adapters zit maar in de verbindingsblokken tussen de beveiliging en de magneetschakelaar. Deze blokken zijn later op advies van ABB (de fabrikant) niet meer toegepast vanwege de hoge temperaturen hierin. Dit zou de reden kunnen zijn dat bij [partij B sub 2] deze blokken zijn toegepast en bij [partij B sub1] deze zijn vervangen door bedrading.
Vraag 2c:
Als de installatie niet overeenkomstig de overeenkomst is geleverd, wat zijn dan de kosten?
Eigenlijk is de installatie conform de overeenkomst uitgevoerd.
De oorzaak van problemen met het railsysteem is niet geheel duidelijk.
Het ligt niet aan het ontwerp en is geen algemeen probleem, terwijl de panelen tot op heden op deze manier worden gebouwd.
Wel is het raadzaam om de bedrijfszekerheid te vergroten de panelen, die nog niet zijn aangepast, te voorzien van nieuw railsysteem.
in de panelen waar het railsysteem nog niet is vervangen:
• Vervangen railsysteem en adapters
• Overzetten van de aanwezige beveiligingen en magneetschakelaars
• Opnieuw aansluiten van de strengen
De raming van de kosten, uitgevoerd door een paneelbouwer ter plaatse, maximaal € 1.000- per paneel.” [70]
2.146.4. Naar aanleiding van het partijcommentaar van Lek heeft FW Techniek onder meer opgemerkt:
“Het blijkt, ook in de rapportage van DLV dat er wel verschillen waren in de afwijkingen die geconstateerd zijn op de beide bedrijven. De resolutie van de camera is echter zodanig dat weinig details zichtbaar zijn, maar wel is zichtbaar dat de warmte bij [partij B sub 2] op de verbindingsblokken zichtbaar is en bij [partij B sub1] op de adapters. Dat beeld is tijdens onze meting ook naar voren gekomen.
Dat betekent dat de benadering van de problemen bij de verschillende problemen anders is.
Bij [partij B sub1] zijn daadwerkelijk de adapters en rails verbrand, waarbij, zoals ik in mijn rapportage uitleg, de oorzaak niet direct is vast te stellen.
Wel is het een terugkerend probleem, dit in tegenstelling van de temperatuur bij [partij B sub 2], die is hoger dan je zou willen, dit is de reden geweest voor ABB om te adviseren op een andere wijze de verbinding tot stand te gaan brengen (losse draden), maar het was te voorzien dat de problemen niet tot een directe schade zou leiden, daarom zijn de met blokken uitgevoerde verbindingen niet teruggeroepen.
De problemen bij [partij B sub1] zijn van andere aard en zullen zeker leiden tot problemen als er temperatuurverhogingen op de adapters en railsystemen zichtbaar zijn. Vandaar mijn advies dit op te lossen.
Het is niet duidelijk of dit probleem er vanaf dag 1 is geweest, waarschijnlijk wel, omdat de temperatuurbeveiliging van de panelen tot op de dag van vandaag (tuin 8 jaar na dato) nog steeds panelen uitschakelen op te hoge temperatuur. Wij hebben bij minstens 1 paneel gezien dat de temperatuurbeveiliging is overbrugd in plaats van dat het probleem is opgelost.
(…)
Mijn conclusie is volgens mij heel duidelijk, ik geef aan dat dit geen ontwerpfout van Lek is, dat blijkt uit de panelen bij [partij B sub 2], die deze problemen niet hebben.
Ook geef ik aan dat men niet kan vaststellen of het een verkeerde montage was, wat onwaarschijnlijk is, want bij [partij B sub 2] zijn deze problemen er niet en het zit ook niet in alle panelen bij [partij B sub1].
In mijn opinie is dit te wijten aan een of meer van de volgende oorzaken: slechte verbinding van de adapter op de rail, een constructiefout in de adapter, verkeerde montage van de adapter.
Als het eenmaal is verbrand is dat moeilijk te achterhalen, als we nu naar de verstreken tijd gaan kijken denk ik dat we niet meer bij de fabrikant aan kunnen kloppen. Ik heb bij een paneelbouwer gevraagd of hij een prijs kon geven voor herstel ter plaatse. Zijn opgave was rond de € 700 - €800.” [71]
2.146.5. En ten slotte heeft FW Techniek, naar aanleiding van het partijcommentaar van [gedaagden] , nog het volgende opgemerkt in zijn definitieve rapport:

Omvang van de opname (Linssen punt 3)
Om een conclusie te kunnen trekken ten aanzien van het ontwerp en de uitvoering van 15 stuks identiek belichtingspanelen hoef ik niet alle 15 panelen te onderzoeken.
Dat er meerdere gebreken kunnen ontstaan door gebruik is juist, maar daarvoor zijn de, tegenwoordig door de verzekering voorgeschreven, periodieke inspecties voor bedoeld.
Als er een ontwerpfout, montagefout of verkeerde toepassing van materialen aanwezig is kan dat op basis van het onderzoeken van een aantal, in dit geval drie, panelen worden geconstateerd.” [72]
2.147. [gedaagden] zijn het niet eens met de conclusies van FW Techniek. Volgens hen is wel sprake van constructie- en montagefouten van Lek, zowel bij [partij B sub 2] en als bij [partij B sub1] . [gedaagden] verwijzen naar het rapport van hun partijdeskundige BSRi van 7 oktober 2025. Volgens BSRi schiet, kort samengevat, zowel bij [partij B sub 2] als bij [partij B sub1] het thermisch ontwerp en de kastinrichting van de panelen tekort, door een te geringe verticale vrije ruimte, een ongunstige (verticale) opstelling (terwijl in de overeenkomsten een horizontale montage staat), een onderschatte zoninstraling en niet gemodelleerde contactverliezen, die samen tot structureel te hoge kasttemperaturen en versnelde veroudering van componenten en kabels leiden.
Verder doet zich bij [partij B sub1] volgens BSRi nog een aanvullend montageprobleem voor. BSRi heeft hierover het volgende opgemerkt in haar rapport:
“De hoofdoorzaak van de verbrande adapters bij [partij B sub1] is mechanisch-elektrisch en ligt in deonvolledige dan wel ondeskundige montage (ontbrekende fixeerplaat/support-frame) van de Riline-adapters. Dit leidt aantoonbaar tot te hoge overgangsweerstanden, lokale oververhitting en inbranding. Het gedrag is in strijd met NEN-EN-IEC 60439 (productconformiteit), NEN 1010 (keuze/toepassing; oververhitting; uitwendige invloeden, hfdst. 705) en met de fabrikantvoorschriften. Herstel door volledige vervanging of revisie met correcte montage en verificatiemeting (Kelvin + thermografie) is noodzakelijk.
Oorzaak: ontbrekende fixeerplaat / onjuiste samenbouw
Volgens het Rittal Riline GO-systeem (type 9340.660) moet na het inklikken van de adapter op de busbar een fixeerplaat in drie stappen worden aangebracht, waarna pas de DIN-rail en componenten worden gemonteerd. De fixeerplaat borgt de contactdruk op de stroomvoerende koperen rail en voorkomt microbeweging. In alle onderzochte panelen waar nog oude adapters zaten, en bij alle verzamelde verbrande oude adapters - ontbreekt deze borging structureel, waardoor onvoldoende contactdruk en microbogen ontstaan. De waargenomen inbranding en verkoolde contacten sluiten hiermee rechtstreeks aan.” [73]
2.148. De conclusies van BSRi sluiten volgens [gedaagden] naadloos aan op de bevindingen en conclusies van hun andere partijdeskundigen (DLVGE en [partijdeskundige] ). [gedaagden] bepleiten dat de conclusies van hun deskundigen door de rechtbank moeten worden gevolgd en dat het rapport van FW Techniek, dat volgens hen in kwaliteit tekortschiet, terzijde wordt geschoven.
2.149. De rechtbank overweegt ten aanzien van dit betoog als volgt. Vooropgesteld wordt dat de bewijslast – en daarmee ook het bewijsrisico – dat Lek is tekortgekomen in de nakoming van een op haar rustende verbintenis, op grond van artikel 150 Rv Pro op [gedaagden] rust. Naar aanleiding van de klachten van [gedaagden] heeft FW Techniek als onafhankelijke deskundige de conformiteit en veiligheid van de panelen beoordeeld. FW Techniek komt – anders dan BSRi – tot de conclusie dat met betrekking tot de panelen geen sprake is van een ondeugdelijk ontwerp van Lek. Met betrekking tot de panelen van [partij B sub 2] heeft FW Techniek toegelicht dat weliswaar op de verbindingsblokken tussen de beveiliging en magneetschakelaar verkleuringen ontstaan als gevolg van hoge temperaturen, maar die belemmeren volgens FW Techniek de goede werking van de installatie niet. De installatie van [partij B sub 2] voldoet aan de daaraan te stellen eisen. De conclusies van FW Techniek zijn toegelicht en onderbouwd en de rechtbank ziet geen reden om aan de deskundigheid van FW Techniek te twijfelen. Het is daarmee in elk geval niet komen vast te staan dat bij de bij [partij B sub 2] geïnstalleerde panelen sprake is van een tekortkoming van Lek. De vordering van [partij B sub 2] wordt afgewezen.
2.150. Ook ten aanzien van de panelen bij [partij B sub1] Lek concludeert FW Techniek duidelijk dat die panelen op zichzelf op deugdelijke wijze zijn gebouwd en ontworpen. Voor zover BSRi anders oordeelt, legt dat – gezien de conclusies van FW Techniek – onvoldoende gewicht in de schaal. Wel zijn de deskundigen het erover eens dat bij [partij B sub1] sprake is van een bepaald gebrek in de panelen, omdat te hoge temperaturen ontstaan in de adapters, waardoor zowel de adapters en de stroomrails verbranden en panelen uitschakelen. Dat is op zichzelf niet een gevolg dat [partij B sub1] redelijkerwijs hoeft te verwachten.
2.151. De vraag is echter of Lek voor dit gebrek aansprakelijk is. [gedaagden] stellen dat dit zo is, omdat de verbrandingsschade is terug te voeren op een montagefout van Lek, te weten het structurele ontbreken van de door de fabrikant voorgeschreven fixeerplaten bij alle door Lek gemonteerde adapters bij [partij B sub1] . [gedaagden] wijst hiertoe op de hiervoor weergegeven conclusie van hun deskundige BSRi. Deze conclusie valt echter niet terug te lezen in het rapport van FW Techniek. FW Techniek constateert wel dat sprake is van terugkerende oververhitting in de adapters, maar kan de oorzaak daarvan niet direct vaststellen. Hoewel FW Techniek een montagefout van Lek niet uitsluit, acht FW Techniek dit onwaarschijnlijk, ook omdat de problemen zich bij [partij B sub 2] niet voordoen. Ook heeft FW Techniek navraag gedaan bij verschillende panelenbouwers en installateurs, die een dergelijk probleem als hier aan de orde nog niet eerder zijn tegengekomen, terwijl de panelen volgens FW Techniek tot op heden op deze manier worden gebouwd. FW Techniek heeft aldus voldoende onderzoek gedaan naar de oorzaak van het probleem en is een ervaren deskundige op het gebied van elektra en kasbelichting. Indien inderdaad het structurele ontbreken van verplichte supportframes de oorzaak van de verbrandingsschade is, had het – naar de rechtbank voorkomt – voor de hand gelegen dat dit ook al bij het onderzoek van FW Techniek als waarschijnlijke oorzaak naar boven was gekomen. Dat FW Techniek ondanks dit onderzoek niets opmerkt over het ontbreken van supportframes, maakt dat niet voldoende duidelijk is dat dit de oorzaak van de verbrandingsschade is (en aldus sprake is van een montagefout van Lek). Niet uitgesloten is dat sprake is van constructie- of productiefouten in de adapters.
2.152. Bij die stand van zaken is de rechtbank, al het voorgaande overwegende, van oordeel dat [gedaagden] niet erin is geslaagd te bewijzen dat de schade in de panelen van [partij B sub1] het gevolg is van een montagefout of een ontwerpfout van Lek. Ook op andere gronden is de aansprakelijkheid van Lek niet komen vast te staan. Weliswaar heeft Lek jegens [partij B sub1] een garantie gegeven op de goede werking van de installaties en deugdelijkheid van materialen en onderdelen, maar die garantie geldt op grond van de overeenkomst en artikel 24 AV Pro tot één jaar na inbedrijfstelling. Op grond van deze garantie is Lek ook aansprakelijk voor gebreken in de panelen die binnen één jaar na inbedrijfstelling zijn ontstaan en bij Lek zijn gemeld, ook als die gebreken niet het gevolg zijn (montage)fouten van Lek. Het is niet gesteld of gebleken dat die situatie hier aan de orde is. In het rapport van FW Techniek wordt verwezen naar geconstateerde problemen in mei 2014, maar als onvoldoende weersproken staat vast dat de installatie op dat moment al minstens een jaar in bedrijf was en de garantieperiode dus al was verstreken. Ook anderszins hebben [gedaagden] niet onderbouwd dat de onderhavige problemen met de panelen binnen de garantietermijn van één jaar aan het licht zijn gekomen en bij Lek zijn gemeld. Lek is dus ook niet op grond van de garantie aansprakelijk voor het gebrek. Ook de vordering van [partij B sub1] wordt daarmee afgewezen.
Ontbreken van spanningsverliesberekening (F5)
2.153. [gedaagden] stellen dat Lek heeft nagelaten een spanningsverliesberekening uit te voeren, maar volgens Lek is een spanningsverliesberekening geen zelfstandig onderdeel dat geleverd wordt, maar alleen een uitgangspunt voor de engineering. Niet valt in te zien dat [gedaagden] in dit verband aanspraak kunnen maken op enige terugbetaling, te minder nu FW Techniek bevestigt dat het spanningsverlies in de installatie vrijwel volledig binnen de norm van 2,5% valt; als er al afwijkingen zijn, zijn die verwaarloosbaar klein en aanvaardbaar. [74] De vorderingen op dit onderdeel worden afgewezen.
Conclusie belichtingsinstallatie
2.154. De rechtbank komt voor wat betreft de belichtingsinstallatie tot de conclusie dat alle vorderingen van [gedaagden] moeten worden afgewezen.
Conclusies ten aanzien van de omvang de tegenvordering van [gedaagden] en verdere consequenties voor de vorderingen in conventie en reconventie
2.155. Uit het voorgaande volgt dat [gedaagden] een tegenvordering van de volgende omvang op Lek hebben. [partij B sub1] kan de overeenkomst gedeeltelijk ontbinden tot een bedrag van € 144.575,77 en [partij B sub 2] kan de overeenkomst gedeeltelijk ontbinden tot een bedrag van € 148.080. Daarnaast heeft [partij B sub1] aanspraak op € 750 aan schadevergoeding (naast de hierna nog te bespreken kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid).
Opschorting en gedeeltelijke ontbinding
2.156. In het Tussenvonnis is overwogen dat [gedaagden] op 22 maart 2013 de betaling van openstaande facturen bevoegdelijk hebben opgeschort. Het contractuele verrekenverbod van
artikel 27, tweede lid V staat volgens vaste rechtspraak niet aan een opschortingsbevoegdheid in de weg. [75] De rechtbank is van oordeel dat de opschorting voldoende in verhouding was. In het Tussenvonnis is geoordeeld dat Lek – met aftrek van onvoldoende onderbouwd meerwerk en inclusief btw – nog een bedrag van maximaal € 186.946,70 aan hoofdsom van [partij B sub1] en een bedrag van € 87.180,65 aan hoofdsom van [partij B sub 2] te vorderen had. [76] Hiervoor is vastgesteld dat [gedaagden] in verband met afronding en herstel van het werk een vordering van elk ongeveer € 150.000 op Lek hadden. De rechtbank acht dit bedrag ook in het geval van [partij B sub1] voldoende proportioneel om de opschorting van de openstaande vordering van Lek te rechtvaardigen, ook omdat [partij B sub1] een forse tegenvordering had en de opschorting binnen het rechtsverkeer een belangrijk rechtsmiddel voor de schuldenaar/opdrachtgever is om nakoming af te dwingen en zekerheid te hebben voor het geval het tot een ontbinding of schadevergoeding wegens verzuim komt. [77]
2.157. [gedaagden] hebben in hun conclusie van eis in reconventie van 25 januari 2017 verklaard de overeenkomsten per die datum gedeeltelijk te ontbinden, voor zover Lek de werkzaamheden nog niet heeft afgerond en/of deze gebrekkig zijn en/of achterblijven bij hetgeen partijen zijn overeengekomen. Die gedeeltelijke ontbinding is gerechtvaardigd. De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat die ontbinding op grond van artikelen 6:270 en 6:271 BW ertoe leidt dat [partij B sub1] voor een bedrag van € 144.575,77 van zijn betalingsverplichtingen is bevrijd en [partij B sub 2] voor een bedrag van € 148.080.
Contractuele rente (vanaf vervaldata facturen tot datum ontbinding)
2.158. Voor de vordering in conventie heeft de gedeeltelijke ontbinding de volgende consequenties. Uit het Tussenvonnis volgt dat Lek € 186.946,70 aan hoofdsom van [partij B sub1] en € 87.180,65 aan hoofdsom van [partij B sub 2] te vorderen heeft. Lek stelt dat [gedaagden] naast de hoofdsommen ook op grond van artikel 27 vierde Pro lid AV contractuele rente van 1,25% per maand verschuldigd zijn, te rekenen vanaf de vervaldata van de openstaande facturen waarvan Lek betaling vordert. Partijen zijn in de overeenkomsten overeengekomen dat naar rato van inkopen en arbeid zou worden gefactureerd en dat betaling binnen twee weken zou plaatsvinden. In beginsel is dat een fatale betalingstermijn. Onbetwist is echter dat [gedaagden] het werk deels zouden financieren met een MEI-subsidie. Lek had zich (tegen betaling van € 12.500) ertoe verbonden om documentatie aan te leveren ten behoeve van het verkrijgen die subsidie.
2.159. Vast staat dat de subsidieaanvraag eind 2012 nog niet was afgerond. Vast staat ook dat (de adviseur) van [gedaagden] op 10 december 2012 aan Lek betalingsuitstel heeft gevraagd, totdat de MEI-subsidie was ontvangen. Lek heeft niet betwist dat zij hieraan medewerking heeft verleend en heeft geholpen de noodzakelijke informatie aan de subsidieverstrekker te verstrekken. Lek heeft in diezelfde periode geen aanspraak gemaakt op betaling van rente. De rechtbank is van oordeel dat Lek aldus geen rente kan vorderen vanaf de vervaldatum van de facturen omdat Lek zelf heeft ingestemd met een uitstel van betaling tot na de noodzakelijke afronding van de subsidieaanvraag. Partijen hebben daarmee immers een nadere invulling gegeven van de afspraken omtrent betaling en verzuim. De subsidie is in het voorjaar van 2013 verleend. Er zijn daarna nog betalingen gedaan door [gedaagden] , maar [gedaagden] hebben op 22 maart 2013 ook bevoegdelijk het restant van hun betalingsverplichtingen opgeschort wegens niet-nakoming door Lek. Als gevolg van die gerechtvaardigde opschorting zijn [gedaagden] vanaf die datum evenmin contractuele rente verschuldigd.
Conclusie vorderingen Lek versus [partij B sub 2] (in conventie en reconventie)
2.160. De vorderingen van Lek per datum van gedeeltelijke ontbinding (25 januari 2017) zijn dus beperkt tot de hiervoor genoemde bedragen aan hoofdsom. Voor
[partij B sub 2]betekent dit het volgende. Met ingang van de datum van gedeeltelijke ontbinding heeft Lek niets meer van [partij B sub 2] te vorderen. De vordering in conventie ten opzichte van [partij B sub 2] wordt dus afgewezen. [partij B sub 2] heeft wegens ongedaanmaking per 25 januari 2017 een bedrag van (€ 148.080 – € 87.180,65 =) € 60.899,35 van Lek terug te vorderen (artikel 6:271 BW Pro). Op grond van artikel 6:119 BW Pro heeft [partij B sub 2] ook aanspraak op betaling van wettelijke rente wegens de vertraging in de voldoening van de ongedaanmakingsverbintenis. De door [partij B sub 2] gevorderde wettelijke rente vanaf 25 januari 2017 is niet weersproken en wordt toegewezen.
Conclusie vorderingen Lek versus [partij B sub1] (in conventie en reconventie)
2.161. Voor
[partij B sub1]geldt het volgende. Met ingang van de datum van gedeeltelijke ontbinding (25 januari 2017) heeft Lek van [partij B sub1] nog een bedrag van (€ 186.946,70 – € 144.575,77 =) € 42.370,94 te vorderen. [partij B sub1] is met de betaling van dat bedrag vanaf 25 januari 2017 in verzuim en is op grond van artikel 27, vierde lid AV vanaf dat moment contractuele rente van 1,25% per maand verschuldigd. De rechtbank gaat niet mee in de stelling van [gedaagden] dat Lek jegens [partij B sub1] geen aanspraak meer kan maken op rente omdat Lek met de op 29 november 2013 gemaakte minnelijke afspraken onvoorwaardelijk afstand heeft gedaan van al haar renteaanspraken. De rechtbank leest dit niet terug in het verslag van die bespreking.
2.162. [gedaagden] hebben een beroep gedaan op (substantiële) matiging van de contractuele rente op grond van artikel 6:94 BW Pro, tot ofwel nihil, ofwel de helft van de toegewezen bedragen in conventie, ofwel het normale wettelijke rente tarief. Dit beroep slaagt niet. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
2.163. De in artikel 6:94 BW Pro opgenomen maatstaf dat voor matiging slechts grond kan zijn indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist, brengt mee dat de rechter pas van zijn bevoegdheid tot matiging gebruik mag maken als de toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Daarbij zal de rechter niet alleen moeten letten op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen. [78]
2.164. Het gaat hier om een rentebeding tussen twee professionele partijen. De rechtbank heeft in het Tussenvonnis al overwogen dat de hoogte van de rente niet buitensporig is en niet onevenredig is gelet op het belang dat Lek heeft bij tijdige betaling van de vaak substantiële bedragen. De rente is in dit geval bovendien alleen verschuldigd over het resterende factuurbedrag van € 42.370,94 dat [partij B sub1] , na gedeeltelijke ontbinding, vanaf 27 januari 2017 nog aan Lek moet betalen. Dat die rente inmiddels door de lange duur van de procedure tot een hoog bedrag is opgelopen komt voor rekening en risico van [partij B sub1] , omdat die langlopende procedure ertoe diende de door hem gepretendeerde tegenvordering op Lek aan te tonen, terwijl die vordering uiteindelijk kleiner blijkt te zijn dan het bedrag dat Lek nog – eveneens al lange tijd – van [partij B sub1] tegoed heeft. Het is daarmee niet onaanvaardbaar dat [partij B sub1] de rente volledig verschuldigd is.
2.165. De vordering van Lek op [partij B sub1] in conventie wordt dus toegewezen tot een bedrag van € 42.370,94, vermeerderd met de contractuele rente van 1,25% per maand vanaf 25 januari 2017.
2.166. [partij B sub1] heeft zelf – in reconventie – nog een bedrag van € 750 aan schadevergoeding te vorderen wegens de ontstane waterschade. Dit bedrag wordt zoals gevorderd en onweersproken vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 januari 2017. [gedaagden] hebben in dit verband een beroep gedaan op verrekening met de openstaande vordering in conventie. Dit beroep wordt afgewezen, omdat op grond van artikel 27, tweede lid AV tussen partijen een verrekeningsverbod geldt. [gedaagden] hebben geen goede argumenten aangevoerd waarom dit verrekeningsverbod ten opzichte van [partij B sub1] onredelijk bezwarend moet worden geacht. Voor ‘reflexwerking’ van het wettelijke vermoeden van de (voor consumenten geldende) grijze lijst (artikel 6:237, aanhef en onder g BW) is geen plaats, omdat [partij B sub1] de overeenkomst met Lek in de uitoefening van zijn bedrijf is aangegaan en de overeenkomst op de kern van zijn bedrijfsactiviteiten ziet. [79]
Kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid ( [gedaagden] , in reconventie)
2.167. [gedaagden] hebben in reconventie vergoeding gevorderd voor alle kosten van hun partijdeskundigen (onder meer DLVGE, [partijdeskundige] , Hortivision e.a.). Het gaat bij [partij B sub1] om een bedrag van opgeteld € 44.736,32 en bij [partij B sub 2] om een bedrag van opgeteld € 46.418,82.
2.168. Degene die aansprakelijk is voor de schade die het gevolg is van een toerekenbare tekortkoming is in beginsel binnen de grenzen van artikel 6:98 BW Pro aansprakelijk voor alle schade die de benadeelde heeft geleden. Ook de redelijke kosten ter vaststelling van de schade als bedoeld in art. 6:96, tweede lid, aanhef en onder b, BW kunnen voor vergoeding in aanmerking komen. Bij de beantwoording van de vraag of de kosten voor vergoeding in aanmerking komen, dient te worden onderzocht of het redelijk was de kosten te maken en of de kosten redelijk zijn. [80]
2.169. De rechtbank komt, met inachtneming van deze maatstaf, tot het volgende oordeel.
- De kosten voor de NEN1010-keuringsrapporten van DLVGE uit 2014 (2 x € 2.117,50) zijn al toewijsbaar geoordeeld (zie r.o. 2.117).
- De kosten van [gedaagden] voor de eerste Climeco rapporten uit 2013 zijn eveneens toewijsbaar, omdat de klachten over de non-conformiteit van het ventilatiesysteem voor grote delen gegrond zijn gebleken. Het was redelijk dat [gedaagden] destijds onderzoek hiernaar lieten doen en ook de kosten (€ 6.390 voor [partij B sub1] en € 2.390 voor [partij B sub 2] ) zijn naar hun omvang redelijk.
- De kosten voor de DLVGE-rapporten uit mei/juni 2018 zijn bij ieder van [gedaagden] voor 50% toewijsbaar, nu een deel van de klachten gegrond is gebleken maar een deel ook niet. Toewijsbaar is dus (50% x € 1.868,75 =) € 935 zowel voor [partij B sub 2] als voor [partij B sub1] .
- Ten aanzien van de in 2024 gemaakte kosten voor het partijcommentaar op het derde conceptrapport van TNO geldt het volgende. Gelet op de technische en complexe aard van de materie is het op zichzelf redelijk dat [gedaagden] eigen deskundigen hebben ingeschakeld om inhoudelijk commentaar op het conceptrapport van TNO te leveren. Uit het TNO-rapport komt naar voren dat een deel van het partijdeskundigencommentaar terecht is gebleken. Welk deel van welke deskundige tot welke aanpassing heeft geleid, laat zich bezwaarlijk tot in detail vaststellen. Door [gedaagden] is onvoldoende onderbouwd waarom het naast alle andere deskundigen ook noodzakelijk was om [partijdeskundige] commentaar te laten leveren. Diens kosten komen dus niet voor toewijzing in aanmerking. De rechtbank acht, alles afwegende, een vergoeding van 50% van de kosten voor de deskundigenkosten van Hortivision, Sauvage, [bedrijfsnaam 5] en de WUR redelijk. Uit het overzicht van Finqa maakt de rechtbank op dat de totale in 2024 gemaakte kosten van Hortivion, [bedrijfsnaam 5], Sauvage en de WUR opgeteld € 18.320 zijn [81] en dat die kosten door [partij B sub1] en [partij B sub 2] ieder voor de helft zijn gedragen. Van die kosten is de helft toewijsbaar, dus € 9.160. Het totaal toewijsbare deel voor het partijcommentaar komt daarmee voor zowel [partij B sub1] als [partij B sub 2] uit op (50% x € 9.160 =) € 4.580.
2.170. Resumerend acht de rechtbank voor [partij B sub1] een bedrag van € 14.022,50 (€ 2.117,50 + € 6.390 + € 935 + € 4.580) toewijsbaar als redelijke kosten in de zin van artikel 6:96, tweede lid sub b BW en voor [partij B sub 2] een bedrag van € 10.022,50 (€ 2.117,50 + € 2.390 + € 935 + € 4.580). De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf de dag van eiswijziging in reconventie (15 oktober 2025). Voor het overige worden de kosten afgewezen.
Vorderingen van [gedaagden] ter zake gemiste energiebesparing en teeltschade
2.171. [gedaagden] hebben in deze procedure ook vergoeding gevorderd van aanvullende schade. Het betreft kosten van gemiste energiebesparing en teeltschade. De schade komt kernachtig weergegeven op het volgende neer: een hoger elektraverbruik van de ventilatoren, een ongelijkmatige temperatuurs- en luchtverdeling en daardoor teeltschade (lagere bloemproductie, uitval van planten door hogere ziektedruk) en het niet realiseren van de beoogde energiebesparing (zelfs een hogere warmtevraag).
2.172. Het begroten van deze schade vraagt een vergelijking tussen de situatie waarin [gedaagden] over de periode van het gebruik van de (deels gebrekkige) installaties daadwerkelijk verkeerden en de hypothetische situatie waarin zij hadden verkeerd, indien Lek haar verplichtingen volledig en deugdelijk zou zijn nagekomen. De rechtbank heeft eerder in de procedure met partijen afgesproken dat het geschil over dit onderdeel wordt geparkeerd en dat eerst een deskundigenonderzoek zou worden uitgevoerd naar de vraag in hoeverre (de prestaties van) de door Lek geleverde installaties volledig, deugdelijk en conform de overeenkomsten zijn. Die vraag is inmiddels in dit vonnis beantwoord.
2.173. De door [gedaagden] geclaimde aanvullende schade (in de vorm van meerkosten energie en teeltschade) laat zich uitermate lastig begroten, en vergt veel aanvullende gegevens. Dat volgt reeds uit het rapport van de eigen deskundige van [gedaagden] (Exitus):
“De benodigde informatie om een goede onderbouwing te geven van de meerkosten energieverbruik is zeer complex en afhankelijk van zeer uiteenlopende factoren waarbij er weer onderlinge verbanden en relaties zijn.”Dat volgt ook uit de antwoorden in het rapport van TNO, naar aanleiding van de volgende vragen van de rechtbank: Kunt u al een voldoende gefundeerde uitspraak doen over deze extra energiekosten of is daarvoor naar uw oordeel een aanvullend onderzoek nodig? Als dat laatste het geval is, kunt u toelichten waaruit dat onderzoek volgens u moet bestaan, welke gegevens daarvoor nodig zijn en wat de waarschijnlijke kosten zijn van dat onderzoek? Daarop antwoordde TNO:
ten aanzien van het berekenen van de meerkosten van het elektraverbruik van de ventilatoren:
“TNO ziet zichzelf niet als de deskundige om het extra elektriciteitsverbruik te vertalen naar bijbehorende meerkosten, omdat dit samenhangt met onder andere de prijzen waartegen energie op verschillende momenten ingekocht of geleverd werd, de mate waarin de WKK ingezet werd voor elektriciteitsopwekking en -levering, de mate waarin dat samenhangt met gebruik van de opgewekte/ingekochte elektriciteit voor andere systemen.” [82]
ten aanzien van de meerkosten van extra warmte- en energieverbruik 2013:
“Op basis van een evaluatie van de ontvangen informatie zijn er indicaties dat het extra verbruik kan samenhangen met de omvang van de WKK t.o.v. het kasoppervlak in 2012-2015, met het nog inregelen in 2013 van de systemen via de klimaatcomputer, met het hanteren van suboptimale computerinstellingen en met de variatie in de informatie uit diverse bronnen qua wat als haalbare energiebesparing wordt gezien en in 2012-2013 werd gezien. Omdat deze aspecten voor een onderbouwde beantwoording van de vraag naar extra energieverbruik meegenomen moeten worden, heeft TNO hiernaar nog geen onderzoek uitgevoerd. Voor zo’n onderzoek is gedetailleerde informatie over een langere periode nodig, onder andere uit de klimaatcomputers. Het gaat om onder andere systeeminstellingen en setpoints, inregelactiviteiten, gemeten temperaturen en luchtvochtigheden, weersomstandigheden, gas- en elektriciteitsverbruik voor de verschillende componenten en opbrengsten van teruggeleverde elektriciteit vanuit de WKK.
Of met zo’n analyse een voldoende onderbouwde schatting gedaan kan worden voor het extra energieverbruik, is nog allerminst zeker. TNO kan hiervoor geen kostenschatting geven en ziet zichzelf niet als de deskundige om deze analyse uit te voeren.” [83]
2.174. De
mogelijkheiddat [gedaagden] enige schade in de vorm van extra energiekosten en/of teeltschade hebben geleden is op dit moment wel aannemelijk, op basis van de conclusies die de rechtbank heeft getrokken ten aanzien van de non-conformiteit van het energiesysteem. Het gaat dan echter slechts om de mogelijkheid van schade; de beantwoording van de vraag of en zo ja, in hoeverre daadwerkelijk schade door [gedaagden] is geleden, zal – gezien het bovenstaande – waarschijnlijk om een omvangrijk en complex debat vragen, met mogelijk nog aanvullend deskundigenonderzoek (met een onzekere uitkomst, gelet op de complexiteit). De omvang van de schade is bovendien afhankelijk van de vastgestelde mate van afwijking tussen hetgeen [gedaagden] op grond van de overeenkomsten hadden behoren te krijgen en hetgeen zij daadwerkelijk hebben gekregen. De rechtbank heeft daarover weliswaar in dit vonnis een oordeel geveld, maar dat oordeel heeft nog geen gezag van gewijsde. Onmiddellijke voortzetting van het debat over de schadebegroting is ook daarom minder doelmatig.
2.175. Op grond van artikel 612 Rv Pro kan de rechtbank, indien directe schadebegroting niet mogelijk is, de zaak naar de schadestaat verwijzen. Dat kan de rechter ook ambtshalve doen. De rechtbank ziet – gelet op al het voorgaande – aanleiding om het verdere debat over de aanvullende schade (extra energiekosten en teeltschade) naar de schadestaat te verwijzen en zal daartoe overgaan in de beslissing van dit vonnis.
Buitengerechtelijke kosten (conventie Lek)
2.176. Lek heeft – na wijziging van eis – nog drie (thans nog resterende) vorderingen ingesteld.
Onder III vordert Lek na wijziging van eis hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] tot een deelbetaling van € 10.000 op de door Lek gemaakte kosten als bedoeld in artikel 27, vijfde lid AV, vermeerderd met rente, welke deelbetaling niet in mindering strekt op hetgeen [gedaagden] uit hoofde van het gevorderde onder V moeten voldoen.
Onder IV vordert Lek een veroordeling van zowel [partij B sub1] als [partij B sub 2] tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van 15% over de door ieder van hen verschuldigde hoofdsom met rente.
En onder V vordert Lek ten slotte, een hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten, inclusief de beslagkosten.
2.177. Lek heeft in haar akte eiswijziging toegelicht dat
“nu een schadestaatprocedure voor deze contractuele vordering”is afgesneden, Lek ervoor kiest slechts een deelbetaling van € 10.000 te vorderen bovenop wat de rechtbank aan de wettelijke proceskostenveroordeling zal toewijzen. [84] Daaruit begrijpt de rechtbank dat vordering IV (een vergoeding van 15% voor buitengerechtelijke incassokosten) niet langer aan de orde is en dat uitsluitend vorderingen III en V nog voorliggen.
2.178. Ten aanzien van de gevorderde deelbetaling van € 10.000 overweegt de rechtbank als volgt. Lek beroept zich als grondslag voor deze vordering op artikel 27, vijfde lid AV. Hierin is bepaald dat Lek gerechtigd is om, naast de hoofdsom en rente, van de opdrachtgever ook alle kosten, zowel gerechtelijke als buitengerechtelijke, door de niet betaling veroorzaakt te vorderen, waaronder begrepen advocaatkosten, deurwaarderskosten en incassokosten. Bij gebrek aan nadere toelichting gaat de rechtbank ervan uit dat het bedrag van € 10.000 ziet op zowel kosten die zijn gemaakt ten opzichte van [partij B sub 2] als ten opzichte van [partij B sub1] . Bij gebrek aan een nadere toelichting gaat de rechtbank uit van een gelijke verdeling, dat wil zeggen dat € 5.000 ziet op de vordering tegen [partij B sub1] en € 5.000 ziet op de vordering tegen [partij B sub 2] . De vordering tegen [partij B sub 2] is echter afgewezen zodat die kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen.
2.179. Daarmee ligt uitsluitend nog ter beoordeling voor of [partij B sub1] op grond van artikel 27, vijfde lid AV een bedrag van € 5.000 aan Lek moet betalen in verband met jegens hem gemaakte kosten. Lek heeft onweersproken gesteld dat onder de in artikel 27, vijfde lid AV bedoelde kosten ook de kosten vallen van het inschakelen van Lengkeek, welke kosten Lek heeft gemaakt om zich te verweren tegen de tegenvordering van [partij B sub1] . Lek heeft met facturen onderbouwd dat die kosten ten minste € 16.000 exclusief btw bedragen. [85] Nu het verweer van Lek in elk geval voor belangrijke delen is geslaagd, is voldoende aannemelijk dat een redelijk deel van de kosten van Lengkeek (rond de 25%) ten opzichte van [partij B sub1] voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank is van oordeel dat Lek, ook andere gestelde interne en externe buitengerechtelijke incassokosten in aanmerking genomen, voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de door de niet-betaling van [partij B sub1] veroorzaakte kosten – los van de proceskosten – in elk geval € 5.000 bedragen. De rechtbank ziet geen grond of aanleiding voor verder ambtshalve matiging van dit bedrag op grond van artikel 242 Rv Pro.
2.180. Lek heeft over dit bedrag vergoeding van contractuele rente als bedoeld in artikel 27, vierde lid AV gevorderd, maar Lek heeft niet deugdelijk toegelicht waarom de in het vierde lid genoemde rente ook van toepassing is op de in het vijfde lid genoemde kosten, aangezien de contractuele rente volgens het vierde lid wordt gerekend als ‘de betaling van het verschuldigde niet binnen de gestelde termijn is ontvangen’, en ‘vanaf de dag van verzending der fakturen’. Dit alles duidt op betaling van de hoofdsom en niet op de betaling van de (buiten)gerechtelijke kosten. Evenmin is de wettelijke handelsrente (als bedoeld in artikel 6:119a BW) van toepassing. Artikel 6:119a BW heeft alleen betrekking op de primaire betalingsverplichting uit de handelsovereenkomst (de betaling van de facturen) en ziet dus niet op andere geldelijke verplichtingen waartoe zo’n overeenkomst aanleiding kan geven (zoals betaling van (juridische) kosten). [86] De meer subsidiair gevorderde wettelijke rente (als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro) is wel toewijsbaar.
Buitengerechtelijke kosten (reconventie [gedaagden] )
2.181. [gedaagden] hebben in reconventie eveneens vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. Ten aanzien van [partij B sub1] wordt die vordering afgewezen, bij gebrek aan een gebleken hoofdvordering. [partij B sub 2] heeft wel aanspraak op vergoeding van incassokosten. Het is voldoende gesteld en onderbouwd dat [partij B sub 2] als gevolg van de wanprestatie van Lek kosten heeft gemaakt voor buitengerechtelijke werkzaamheden die meer omvatten dan voorbereiding van de gedingstukken en de instructie van de zaak, waarvoor de proceskostenveroordeling al een vergoeding geeft. Dit is schade die voor vergoeding in aanmerking komt (artikel 6:96, tweede lid sub c BW). De rechtbank begroot de vergoeding op het tarief van de staffel van artikel 2 BIK Pro, dat als een redelijke vergoeding wordt aangemerkt. Dit komt neer op een bedrag van € 1.383,99.
Kosten deskundigenonderzoek
2.182. Ten aanzien van de kosten van het deskundigenonderzoek oordeelt de rechtbank als volgt. De kosten van TNO (€ 145.200) zijn door partijen elk voor 1/3e deel voorgeschoten, dus ieder € 48.400. Op basis van het rapport van TNO hebben [partij B sub1] en [partij B sub 2] ieder voor een deel gelijk gekregen ten opzichte van Lek (bijvoorbeeld als het gaat om de capaciteit en gelijkmatigheid van de luchtverdeling van het ventilatiesysteem), maar voor een deel ook niet. De rechtbank acht het daarom redelijk dat in hun onderlinge verhouding partijen (eiser en gedaagde) elk de helft van de kosten van TNO dragen, waarbij ervan wordt uitgegaan dat 50% van de deskundigenkosten zijn gemaakt in de zaak van [partij B sub1] en 50% in de zaak van [partij B sub 2] . Daarvan uitgaande geldt de volgende verdeling:
  • in de zaak van [partij B sub 2] : [partij B sub 2] 25% (€ 36.300) en Lek eveneens 25% (€ 36.300);
  • in de zaak van [partij B sub1] : [partij B sub1] en Lek ieder eveneens 25% (€ 36.300).
Per saldo leidt dit ertoe dat Lek aan ieder van [gedaagden] nog € 12.100 moet betalen ter vergoeding van de kosten van TNO.
2.183. De kosten van het onderzoek van FW Techniek – die in gelijke delen door [gedaagden] zijn voorgeschoten – blijven voor hun rekening, omdat de vorderingen ten aanzien van de elektrische installatie en de belichtingsinstallatie vrijwel volledig zijn afgewezen.
Proceskosten (in conventie)
2.184. Lek wordt veroordeeld in de proceskosten van [partij B sub 2] in conventie omdat in conventie alle vorderingen tegen [partij B sub 2] zijn afgewezen.
De proceskosten in conventie aan de kant van [partij B sub 2] worden begroot op in totaal € 11.992 (€ 1.548 aan griffierecht en € 10.255 (5 punten x liquidatietarief V € 2.051) aan salaris advocaat en € 189 aan nakosten), plus de verhoging bij betekening. De wettelijke rente (artikel 6:119 BW Pro) over de proceskosten wordt toegewezen zoals in de beslissing vermeld.
2.185. [partij B sub1] wordt veroordeeld in de proceskosten van Lek in conventie. De ten opzichte van [partij B sub1] gemaakte proceskosten in conventie aan de kant van Lek worden begroot op in totaal € 4.817,07 (€ 96,57 aan dagvaardingskosten, € 1.951,50 aan griffierecht, € 2.580 (2 punten x liquidatietarief IV € 1.290) aan salaris advocaat tot op heden en € 189 aan nakosten), plus de kosten bij betekening. Alle kosten van de eiswijziging van 18 december 2024 en daarna komen voor eigen rekening van Lek, omdat die eiswijziging voor het grootste deel niet toelaatbaar was (zie r.o. 2.4). De gevorderde wettelijke handelsrente wordt afgewezen want de wettelijke handelsrente is niet op proceskosten van toepassing. De wettelijke rente (artikel 6:119 BW Pro) wordt toegewezen zoals in de beslissing vermeld.
Proceskosten (in reconventie)
2.186. Uit dit vonnis volgt dat een deel van de vordering in reconventie gegrond is maar dat ook een heel groot deel ongegrond is. Ieder van partijen is daarmee deels in het gelijk en deels in het ongelijk gesteld. De rechtbank ziet hierin aanleiding om de proceskosten in reconventie tussen partijen te compenseren, in die zin dat iedere partij in beginsel de eigen kosten in reconventie draagt. Uitzondering hierop betreffen de proceskosten die [gedaagden] ná 2024 hebben gemaakt in verweer op de door Lek betwiste vorderingsgerechtigdheid van [gedaagden] , nu die betwisting ongegrond was en de kosten nodeloos zijn veroorzaakt. De hiermee gemoeide kosten worden als volgt begroot: 3 punten voor de conclusie van 15 oktober 2025, de antwoordakte van 14 januari 2026 en de mondelinge behandeling van 6 februari 2026 x liquidatietarief V, waarbij voor de eerstgenoemde conclusie en de mondelinge behandeling een factor 0,5 wordt toegepast omdat daarin ook op andere onderdelen van het geschil is ingegaan. De aan [gedaagden] te vergoeden proceskosten komen daarmee uit op € 4.102 (2 x € 2.051).

3.De beslissing

De rechtbank
In conventie
3.1.
wijst de vorderingen van Lek tegen [partij B sub 2] af;
3.2.
veroordeelt Lek in de proceskosten van [partij B sub 2] , tot op heden begroot op € 11.992, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na aanschrijving tot de dag waarop de proceskosten volledig zijn betaald; als Lek niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Lek c.s. € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag waarop de proceskosten volledig zijn betaald;
3.3.
veroordeelt [partij B sub1] tot betaling aan Lek van een bedrag van € 42.370,94, vermeerderd met de contractuele rente van 1,25% per maand, te rekenen vanaf 25 januari 2017 tot aan de dag van volledige voldoening;
3.4.
veroordeelt [partij B sub1] tot betaling aan Lek van een bedrag van € 5.000 op de door Lek gemaakte kosten als bedoeld in artikel 27, vijfde lid AV, te vermeerderen met de wettelijke rente (als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro), te rekenen vanaf 18 december 2024 tot aan de dag van volledige voldoening;
3.5.
veroordeelt [partij B sub1] in de proceskosten van Lek, tot op heden begroot op € 4.817,07, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na aanschrijving tot de dag waarop de proceskosten volledig zijn betaald; als [partij B sub1] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [partij B sub1] c.s. € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf vedertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag waarop de proceskosten volledig zijn betaald;
3.6.
verklaart de veroordelingen onder 3.2 tot en met 3.5 uitvoerbaar bij voorraad;
3.7.
wijst het meer of anders gevorderde af;
In reconventie
3.8.
verklaart voor recht dat de overeenkomst die Lek en [partij B sub 2] op of omstreeks 30 mei 2012 hebben gesloten voor de complete installaties ten behoeve van de kas, gedeeltelijk is ontbonden per 25 januari 2017, en wel voor zover Lek de werkzaamheden niet heeft afgerond en/of deze gebrekkig zijn en/of de prestaties van Lek achterbleven bij hetgeen partijen zijn overeengekomen;
3.9.
veroordeelt Lek tot betaling aan [partij B sub 2] van een bedrag van € 60.899,35 wegens ongedaanmakingsverbintenissen, te vermeerderen met de wettelijke rente (als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro), te rekenen vanaf 25 januari 2017 tot aan de dag van volledige voldoening;
3.10.
veroordeelt Lek tot vergoeding aan [partij B sub 2] van de door [partij B sub 2] geleden en nog te lijden schade (in de vorm van extra elektrakosten, gemiste energiebesparing en teeltschade), nader op te maken bij staat;
3.11.
veroordeelt Lek tot betaling aan [partij B sub 2] van een bedrag van € 10.022,50 voor deskundigenkosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid, te vermeerderen met de wettelijke rente (als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro), te rekenen vanaf 15 oktober 2025 tot aan de dag van volledige voldoening;
3.12.
veroordeelt Lek tot betaling aan [partij B sub 2] van een bedrag van € 1.383,99 voor kosten van buitengerechtelijke rechtsbijstand, te vermeerderen met de wettelijke rente (als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro), te rekenen vanaf 15 oktober 2025 tot aan de dag van volledige voldoening;
3.13.
veroordeelt Lek tot betaling aan [partij B sub 2] van een bedrag van € 12.100 voor de kosten van het deskundigenonderzoek van TNO;
3.14.
verklaart voor recht dat de overeenkomst die Lek en [partij B sub1] op of omstreeks 30 mei 2012 hebben gesloten voor de complete installaties ten behoeve van de kas, gedeeltelijk is ontbonden per 25 januari 2017, en wel voor zover Lek de werkzaamheden nog niet heeft afgerond en/of deze gebrekkig zijn en/of de prestaties van Lek achterblijven bij hetgeen partijen zijn overeengekomen;
3.15.
veroordeelt Lek tot betaling aan [partij B sub1] van een bedrag van € 750 aan schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente (als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro), te rekenen vanaf 25 januari 2017 tot aan de dag van volledige voldoening;
3.16.
veroordeelt Lek tot vergoeding aan [partij B sub1] van de door [partij B sub1] geleden en nog te lijden schade (in de vorm van extra elektrakosten, gemiste energiebesparing en teeltschade), nader op te maken bij staat;
3.17.
veroordeelt Lek tot betaling aan [partij B sub1] van een bedrag van € 14.022,50 aan deskundigenkosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid, te vermeerderen met de wettelijke rente (als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro), te rekenen vanaf 15 oktober 2025 tot aan de dag van volledige voldoening;
3.18.
veroordeelt Lek tot betaling aan [partij B sub1] van een bedrag van € 12.100 voor het deskundigenonderzoek van TNO;
3.19.
veroordeelt Lek tot betaling aan [gedaagden] € 4.102 aan (nodeloos veroorzaakte) proceskosten, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na aanschrijving tot de dag waarop de proceskosten volledig zijn betaald; als Lek niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Lek c.s. € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige voldoening;
3.20.
bepaalt dat de proceskosten voor het overige worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
3.21.
verklaart de veroordelingen onder 3.9 tot en met 3.13 en onder 3.15 tot en met 3.19 uitvoerbaar bij voorraad;
3.22.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.L.M. Luiten, mr. P. Dondorp en mr. B.A. Sturm en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026. [87]

Voetnoten

1.Zie o.a. HR 22 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1435 en conclusie A-G Drijber 22 februari 2019, ECLI:NL:PHR:2019:277, nr. 3.9.
2.Conclusie van antwoord tevens eis in reconventie, randnummers 1 en 35.
3.Zie ook HR 11 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI4198.
4.Zie de schriftelijke bekrachtiging, volmacht en lastgeving voor zover vereist van [vennoot 2] van 13 januari 2026, door [gedaagden] overgelegd als productie M32.
5.Zie o.a. conclusie A-G Rank-Berenschot 30 augustus 2019, ECLI:NL:PHR:2019:845, 2.16-2.18.
6.HR 26 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN8521.
7.Zie o.a. HR 12 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3593.
8.Zie conclusie van antwoord tevens eis in reconventie van [gedaagden] , randnummer 27.
9.TNO-rapport, bijlage S, E.a.
10.TNO-rapport, bijlage S, E.b.
11.De overeenkomst met [partij B sub1] , p. 85 en de overeenkomst met [partij B sub 2] , p. 95.
12.Zie HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 (
13.TNO-rapport, par. 3.1.2.1 en bijlage S, opmerking B.i.
14.TNO-rapport, par. 3.1.2.1.
15.Productie 5 [gedaagden] , Climeco-rapporten 18 juli 2013.
16.TNO-rapport, par. 3.1.1.
17.TNO-rapport, bijlage S, G.a.
18.TNO rapport, par. 3.1.2.1, par. 3.1.2.2. (p. 21) en bijlage S, par. B.k.
19.TNO-rapport, par. 3.1.1, 3.1.2.1 en 3.1.2.2.
20.TNO-rapport, par. 3.1.2.1 en par. 3.1.2.2 (p. 20).
21.TNO-rapport, par. 3.1.2.2. (p. 21).
22.TNO-rapport, par. 3.1.2.2 (p. 19) en par. 3.2.2.
23.TNO-rapport, bijlage S, par. C.a.
24.TNO-rapport, par. 3.2.1 en 3.2.2.1.
25.TNO-rapport, bijlage S, par. C.a en par. C.n.
26.TNO-rapport, par. 3.5.1 en 3.5.2.
27.TNO-rapport, bijlage S, E.a en E.b.
28.TNO-rapport, par. 3.2.1.
29.TNO-rapport, par. 3.2.2.1 (p. 22).
30.TNO-rapport, par. 3.5.2 (p. 27).
31.TNO-rapport, par 3.5.2.
32.TNO-rapport, par. 3.3.1.
33.TNO-rapport, par. 3.4.1.
35.HR 29 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8175.
36.HR 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1156.
37.Antwoordakte na tussenvonnis van 10 oktober 2018 van Lek, randnummers 38, 39 en 45 (p. 19).
38.Productie VIII.9 Lek, 1e prijsoverzicht en productie VIII.10 Lek, 1e prijsoverzicht.
39.Productie V.10 Lek.
40.Zie Hof Arnhem-Leeuwarden 25 mei 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:5023, r.o. 3.9.
41.TNO-rapport, par. 3.1.1. en par. 3.2.1.
42.TNO-rapport, par. 3.1.2.2 (p. 21) en 3.6.2 (p. 29).
43.Zie o.a. Hof Arnhem-Leeuwarden 24 mei 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:3985.
45.Antwoordakte 10 december 2025 Lek, nrs. 109-111, 167-168.
46.Antwoordakte [gedaagden] 14 januari 2026, nr. 149.
47.Antwoordakte Lek 10 december 2025, nr. 63.
48.Zie o.a. akte Lek na tussenvonnis 100 oktober 2018, randnummer 110, punt 2.
49.Productie VIII.9 Lek (overzicht afdeling CV/WKK).
50.Productie M22 [gedaagden] , overzicht Finqa.
51.Producties 17 en 18 [gedaagden] , rapport DLVGE 17 mei 2018, par. 2.1.3.
52.Productie 14 [gedaagden] bij akte 23 mei 2018, p. 33-36.
53.TNO-rapport, par. 5.2.2 (p. 52).
54.Producties 12 en 13 (overzichtslijsten [gedaagden] ) en producties 17 en 18 (rapportage DLVGE 17 mei 2018), punten D11, gevoegd bij akte na tussenvonnis van [gedaagden] van 23 mei 2018.
55.Rapport FW Techniek, reactie op algemeen commentaar Linssen CS advocaten, punt 16.
56.Overeenkomst [partij B sub1] , p. 23 en 58 en overeenkomst [partij B sub 2] , p. 32 en 61.
57.Conclusie na deskundigenbericht 15 oktober 2025 [gedaagden] , nr. 109.
58.Rapport FW Techniek [partij B sub1] , p. 22-24.
59.Rapport FW Techniek, [partij B sub 2] p. 13 en [partij B sub1] , p. 13.
60.Rapport FW Techniek, [partij B sub 2] , p. 13 en [partij B sub1] , p. 15.
61.Rapport FW Techniek [partij B sub 2] , p. 14.
62.Rapport FW Techniek, [partij B sub 2] p. 16 en [partij B sub1] , p. 17.
63.Rapport FW Techniek [partij B sub 2] , p. 16 en [partij B sub1] , p. 17.
64.Rapport FW Techniek [partij B sub 2] , p. 16 en [partij B sub1] , p. 17.
65.Rapport FW Techniek, [partij B sub 2] , p. 17 en [partij B sub1] , p. 17-18.
66.Rapport FW Techniek [partij B sub 2] , p. 16 en [partij B sub1] , p. 17-18.
67.Rapport FW Techniek [partij B sub 2] , p. 5 en 17, [partij B sub1] , p. 18.
68.Rapport FW Techniek [partij B sub 2] , p. 11.
69.Rapport FW Techniek, [partij B sub 2] , p. 7.
70.Rapport FW Techniek [partij B sub1] , p. 19 en 20.
71.Rapport FW Techniek [partij B sub1] , p. 5.
72.Rapport FW Techniek Commentaar Linssen CS, p. 4.
73.Rapport BSRi van 7 oktober 2025 (Productie M3 [gedaagden] ), p. 11.
74.Rapport FW Techniek, [partij B sub 2] , p. 11 en [partij B sub1] , p. 19.
75.HR 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3072.
76.[partij B sub1] : € 189.786,36 -/- € 2.839,66 aan afgewezen meerwerk en [partij B sub 2] : € 145.943 -/- € 58.762,35 aan afgewezen meerwerk.
77.Zie o.a. HR 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA9610, r.o. 4.6.
78.HR 27 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6638.
79.Zie HR 8 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1197.
80.HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2102.
81.Hortivision: € 453,13 + € 1.984,38 + € 1.625, [bedrijfsnaam 5] € 1.012,50 + € 4.125,- Sauvage € 6.720 en WUR € 2.400.
82.TNO-rapport, p. 29.
83.TNO-rapport, p. 30.
84.Akte eiswijziging 18 december 2024 Lek, nr. 71.
85.Antwoordakte 10 december 2025 Lek, randnummer 127, waar wordt verwezen naar productie XIII.15.
86.HR 8 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3106.
87.type: 2431