Conclusie
Ymere) heeft een huurovereenkomst gesloten met een vennootschap waarvan eiser tot cassatie (hierna:
[eiser]) bestuurder was. Er ontstaat een huurachterstand, waarop Ymere zowel de – inmiddels ontbonden – vennootschap als [eiser] aanspreekt tot betaling. De kantonrechter veroordeelt [eiser] in privé tot betaling van de huurschuld. Dit oordeel wordt door het hof bekrachtigd. In cassatie wordt onder meer geklaagd dat het hof heeft miskend dat een partij die bij inleidende dagvaarding in een bepaalde hoedanigheid in een procedure wordt betrokken niet hangende de procedure in een andere hoedanigheid kan optreden dan waarin hij is gedagvaard.
1.Feiten
de vennootschap) een huurovereenkomst met een looptijd van twee jaar gesloten met betrekking tot een bedrijfsruimte met tuin in Amsterdam-Noord (hierna:
de huurovereenkomst). De huurovereenkomst is ondertekend door [eiser] als bestuurder van de vennootschap.
2.Procesverloop
de kantonrechter). Het voorblad van de dagvaarding vermeldt:
het hof). Onder aanvoering van zes grieven heeft hij gevorderd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het door Ymere gevorderde alsnog geheel zal afwijzen, met veroordeling van Ymere in de proceskosten. Ymere heeft de grieven gemotiveerd bestreden.
grief IVvan [eiser] . Volgens hem heeft Ymere op dit punt een onvoorwaardelijke toezegging gedaan en heeft [A] om die reden een investeringsovereenkomst (met een derde) gesloten.
3.Bespreking van de cassatiemiddelen
pro se). Dan zijn de hoedanigheden van formele en materiële procespartij verenigd in één (rechts)persoon. Het onderscheid tussen formele en materiële procespartij ontstaat wanneer de persoon die procedeert en de persoon wiens materiële procesbelang wordt geraakt verschillende personen zijn. Dit is bijvoorbeeld het geval indien een wettelijk vertegenwoordiger als formele procespartij optreedt voor een minderjarige of een curandus (materiële procespartij). Daarnaast is het mogelijk dat een procespartij optreedt krachtens een lastgevingsovereenkomst, al dan niet gecombineerd met een volmacht om in naam van de lastgever te handelen. [9] Indien een procespartij een andere partij vertegenwoordigt (in de zin dat wordt opgetreden ten aanzien van andermans rechten of verplichtingen), treedt deze partij op in hoedanigheid en dus
qualitate qua(
q.q.). [10]
hoedanigheiddan die waarin hij is gedagvaard. Het middel beantwoordt deze vraag ontkennend en verwijst daarbij naar de arresten van de Hoge Raad van 2 april 1993 [11] en van 22 oktober 2004. [12] Samengevat volgt uit deze rechtspraak, die steeds betrekking heeft op de
eisendepartij, dat een procespartij noch door wijziging van eis, noch anderszins, in hoger beroep of cassatie als procespartij in een andere hoedanigheid kan optreden dan die waarin hij zijn vordering in eerste aanleg heeft ingesteld. Een procespartij die alleen voor zichzelf optreedt kan in een procedure – noch hangende een instantie noch in een volgende instantie – dus niet tevens of uitsluitend in hoedanigheid gaan optreden, of omgekeerd. [13] Ik verwijs tevens haar de arresten van 14 mei 1965, [14] 21 november 2003 [15] en 12 maart 2004. [16] Deze strikte lijn acht ik gerechtvaardigd vanuit het oogpunt van rechtszekerheid en het verdedigingsbeginsel.
gedaagdepartij (in eerste aanleg), niet om de eisende partij. Aan de toepasselijkheid van het door de Hoge Raad geformuleerde uitgangspunt zou dit echter niet af moeten doen. De Hoge Raad spreekt (neutraal) van ‘een procespartij’. Zo bezien gaat het middel dus uit van een juiste rechtsopvatting, waar het aanvoert dat een gedaagde niet hangende een procedure van hoedanigheid kan wisselen.
in persoonaansprakelijk gehouden. Zowel een bestuurder als een vereffenaar moeten een eventuele veroordeling voldoen uit eigen vermogen. Het gaat niet dus niet om een aansprakelijkheid in bepaalde hoedanigheid (zoals die van een faillissementscurator, een bewindvoerder, een lastnemer, etc.). Daarom moet het er voor worden gehouden dat [eiser] in persoon is gedagvaard. Anders dan het middel tot uitgangspunt neemt, doet zich hier daarom niet de situatie voor dat [eiser]
q.q. is gedagvaard maar
pro seis veroordeeld. Reeds daarom faalt het middel.
in privéaan te spreken.
“ondubbelzinnig het verweer dat hij niet viel te beschouwen als huurder [heeft] prijsgegeven (artikel 348 Rv Pro).”Het onderdeel stelt daartoe dat het hof heeft miskend dat dit betoog niet (zonder meer) meebrengt dat voornoemd verweer ondubbelzinnig is prijsgegeven. [22] Zo het hof dit niet heeft miskend, is het bestreden oordeel volgens het onderdeel onbegrijpelijk, nu uit de motivering van het oordeel van het hof niet volgt dat en/of waarom [eiser] voornoemd verweer ondubbelzinnig zou hebben prijsgegeven. Het oordeel zou voorts onbegrijpelijk zijn omdat Ymere niet heeft aangevoerd dat dit verweer door [eiser] ondubbelzinnig zou zijn prijsgegeven. Daarom is het hof in strijd met art. 24 Rv Pro buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden, zo besluit het onderdeel.
Ymere niet heeft aangevoerddat [eiser] het meergenoemde verweer ondubbelzinnig had prijsgegeven. Gelet op de verwijzing naar art. 24 Rv Pro strekt het onderdeel kennelijk ten betoge dat het hof door te oordelen dat sprake is van een gedekt verweer de feitelijke grondslag van het verweer van Ymere zou hebben aangevuld. [30]
“na het omschakeling van vennootschap naar de eenmanszaak werd de huur door betaald en de benaming van de facturen werd omgezet van [A] naar [B] ”. Opnieuw een gerechtelijke erkenning ex artikel 154 Rv Pro van de zijde van [eiser] dat er een indeplaatsstelling heeft plaatsgevonden. Het thans ingenomen standpunt van [eiser] staat haaks op de erkenning, wordt door Ymere uitdrukkelijk betwist en kan derhalve niet worden gevolgd.”
“dan wel”) als alternatief voor het oordeel dat sprake is van een gerechtelijke erkentenis in de zin van art. 154 Rv Pro. Het oordeel dat sprake is van een gedekt verweer kan het eindoordeel van het hof op dit punt dan ook zelfstandig dragen. Nu de tegen dit oordeel gerichte klachten falen (zie de bespreking van onderdeel 2) kan onderdeel 1 geen grond voor cassatie (meer) vormen.
tot betaling van de huurachterstand. [34] De aan dit oordeel ten grondslag liggende overwegingen houden stand in cassatie. Het falen van onderdeel 2 betekent bovendien dat het oordeel van het hof dat sprake is van een gedekt verweer overeind blijft staan. [eiser] kan zich bijgevolg tegen de stelling van Ymere dat hij als huurder heeft te gelden [35] c.q. tegen de vordering tot betaling van de huurachterstand niet (langer) verweren door zich op het standpunt te stellen dat hij niet als huurder valt te beschouwen.
andere schadeheeft geleden, die door Ymere moet worden vergoed. Het hof had ook dit betoog in zijn oordeel moeten betrekken, zo begrijp ik het middel. [37]
dezeschade heeft hij vergoeding gevorderd. [41]
bodemprocedureop het punt van (de uitbouw in) de tuin. [42] Uit dit betoog volgt dat [eiser] in hoger beroep stelt (ook) schade te hebben geleden door het (enkele) feit dat Ymere de tuin simpelweg niet meer ter beschikking kón stellen, onder meer in de vorm van een te hoge huurprijs. Aan de kantonrechter kon daarom niet het verwijt worden gemaakt dat hij het standpunt van [eiser] te beperkt heeft opgevat, omdat [eiser] het bovenstaande in de bodemprocedure simpelweg niet heeft aangevoerd. Daarom mocht het hof aan de stellingen ter zake voorbijgaan en zich beperken tot het beantwoorden van de vraag of Ymere was gehouden tot vergoeding van de schade
wegens het niet kunnen realiseren van de uitbouw in de tuin.