Uitspraak
wonende te [woonplaats],
gevestigd te Amsterdam,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
20 december 2013.
Hoge Raad
De zaak betreft een vordering van eiser tegen het UWV wegens onrechtmatige intrekking van zijn AAW/WAO-uitkering per 1 december 1979. Eiser werd jarenlang onterecht in een bijstandsituatie gehouden, waarna de onrechtmatigheid in 1999 werd erkend. Hij vordert onder meer immateriële schadevergoeding en kosten voor psychologisch onderzoek.
De rechtbank wees de vordering af, het hof kende immateriële schadevergoeding toe maar wees de kosten van het psychologisch onderzoek af omdat deze volgens het hof niet het rechtstreeks gevolg waren van het onrechtmatig handelen. De Hoge Raad oordeelt dat redelijke kosten ter vaststelling van schade, zoals psychologisch onderzoek, ook voor vergoeding in aanmerking komen zonder dat zij rechtstreeks gevolg hoeven te zijn van het onrechtmatig handelen.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof voor zover het de kosten van het psychologisch onderzoek betreft en wijst deze kosten alsnog toe, inclusief wettelijke rente vanaf respectievelijk 22 december 1999 en 11 januari 2000. De overige klachten worden verworpen en partijen dragen elk hun eigen kosten in cassatie.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst de redelijke kosten van psychologisch onderzoek toe als schadevergoeding wegens onrechtmatige intrekking van de AAW/WAO-uitkering.