Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiser] , eiser
[naam]
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
ProcesverloopBij (bestreden) besluiten van 18 augustus 2021 heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond. Hierbij heeft hij eveneens bepaald dat eisers geen reguliere verblijfsvergunning krijgen. Aan eiser en dochter [naam] is bij deze besluiten tijdelijk uitstel van vertrek verleend voor de periode 11 augustus 2021 tot 11 februari 2022 of zoveel korter, als eerder op de ambtshalve beoordeling is beslist omdat ten aanzien van eiser en ten aanzien van dochter [naam] advies aan het BMA gevraagd is en dit advies nog niet gereed is. Bij besluiten van 6 januari 2022 is bepaald dat aan eiser en aan dochter [naam] geen (verder) uitstel van vertrek wordt verleend.
Overwegingen
Beoordeling rechtbank
- Verweerder had gelet op de FMMU-adviezen en de vele indicaties in de gehoren van eiser, waar eisers in de aanvullende gronden van beroep gedetailleerd op hebben gewezen, moeten vaststellen dat sprake is van relevante medische letsels en problematiek die verband houden met de kern van het relaas en dus zelf een FMO moeten entameren gelet op artikel 18 Procedurerichtlijn Pro en de neerlegging van die verplichting in nationale regelgeving en eigen beleid;
- Een FMMU-advies is een advies dat moet worden betrokken bij het horen én bij het beslissen omdat het zorgvuldig horen de door het FMMU geconstateerde beperkingen niet opheft. In de besluiten is geen enkele overweging gewijd aan de gevolgen van de beperkingen voor het beslissen en dus de beoordeling in hoeverre verweerder kan uitgaan van de afgelegde verklaringen;
- Verweerder kan het zogenoemde “onderdelenvereiste” niet ten grondslag leggen aan zijn beslissing om geen waarde toe te kennen aan de bevindingen van het iMMO;
- Verweerder miskent de bewijswaarde van forensisch medisch onderzoek door het “niet begrijpen” dat uit forensisch medisch onderzoek nu juist wel een causale relatie tussen het relaas en de vastgestelde medische problematiek en waargenomen littekens kan blijken;
- Verweerder dient, indien hij niet onverkort uitgaat van de bevindingen van het iMMO, een deskundige in te schakelen voor het verrichten van een zogenoemde contra-expertise.
ten aanzien van het horen en beslissengeconstateerd.
81 Hoewel een dergelijk verbod ook geldt zolang de betrokken lidstaat niet in staat is om de eigenlijke verwijdering van de betrokken derdelander zodanig te organiseren dat met name wordt gewaarborgd dat hij niet zal worden blootgesteld aan een risico dat zijn ziekte of zijn pijn tijdens die verwijdering aanzienlijk en op onomkeerbare wijze verergert, kan daaruit niet worden afgeleid dat het, om jegens die derdelander een terugkeerbesluit vast te kunnen stellen of om hem te kunnen verwijderen, volstaat dat deze lidstaat waarborgt dat hij tijdens zijn verwijdering passende zorg zal ontvangen. De betrokken lidstaat dient zich er namelijk van te vergewissen dat de betrokkene, wanneer zijn gezondheidstoestand zulks vereist, niet alleen tijdens de verwijdering zelf, maar ook daarna in het land van bestemming zorg ontvangt (zie naar analogie arrest van 16 februari 2017, C. K. e.a., C‑578/16 PPU, EU:C:2017:127, punten 76‑82).
4. Zal, gelet op de huidige medische inzichten, het uitblijven van de onder 2 genoemde behandeling leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn?
zalontvangen. Het Hof verwijst naar punten 76‑82 uit C.K. EU:C:2017:127) en overweegt dat de betrokken lidstaat zich moet vergewissen of eiser in het land van bestemming zorg ontvangt. Dit behelst een feitelijke beoordeling waarbij het Hof, naar het oordeel van de rechtbank, dus de bewijslast bij verweerder legt indien eiser feiten en omstandigheden heeft aangedragen die deze beoordeling regarderen.
Beslissing
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten;
- bepaalt dat verweerder opnieuw op de aanvragen van eisers dient te beslissen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 6.768,-.