Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
ProcesverloopBij besluit van 4 november 2014 is aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Bij besluit van 12 oktober 2016 is een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
- Verschillende originele afschriften van financiële bijdragen aan OLF en de Oromo-vereniging;
- Verschillende internet- en YouTube links waarop eiser herkenbaar in beeld is;
- Uitdraaien van de Facebook-pagina van eiser;
- Documentatie van Felix Horne, Günter Schröder en Dr. Trevor Trueman;
- Brief van de Ethiopische ambassade in Brussel, d.d. 28 juni 2016;
- Rapportage van de behandelaars van eiser van de GGZ, d.d. 19 oktober 2017;
- Algemene informatie over de situatie in Ethiopië, onder andere rapport van DFAT, d.d. september 2017, bericht van AI d.d. 24 september 2018, Africa News, d.d. 18 oktober 2018, Human Rights Watch, d.d. 20 oktober 2018 en New York Times, d.d. 20 oktober 2018;
- Een rapportage van het iMMO (instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek), d.d. 2 december 2019.
FMMU (Forensisch Medische Maatschappij Utrecht)
zolang de asielprocedure loopt”. De rechtbank overweegt dat uit deze bepaling volgt dat verweerder zich steeds en gedurende de gehele procedure ervan moet vergewissen of behoefte bestaat aan bijzondere waarborgen en die waarborgen dan ook daadwerkelijk moet bieden. Ook indien de procedure, zoals in het onderhavige geval, meerdere jaren duurt en daarbij de termijnen die de Procedurerichtlijn stelt aanzienlijk worden overschreden, zal verweerder zich gedurende de gehele procedure rekenschap moeten geven van de vraag of hij bijzondere waarborgen moet verschaffen onder meer om eiser in staat te stellen adequaat te kunnen verklaren. In dit geval heeft te gelden dat eiser op 7 oktober 2018 asiel heeft gevraagd en dag later door de FMMU is gezien. Eiser is gehoord op 7 november 2018. Eiser is op 19 november 2021, ruim drie jaar later, aanvullend gehoord. Verweerder had gelet op dit aanzienlijke tijdsverloop en om invulling te geven aan artikel 24, derde lid, van de Procedurerichtlijn, nogmaals een “advies horen en beslissen” aan de FMMU moeten vragen. Een medische advies is immers niet “onbeperkt houdbaar” en dient geactualiseerd te zijn om te kunnen beslissen of de vreemdeling in staat is om (aanvullend) gehoord te worden en of er beperkingen zijn ten aanzien van het horen en ten aanzien van het beslissen. Dit geldt naar het oordeel van de rechtbank ongeacht de inhoud en strekking van het eerste uitgebrachte advies.
dat en op welke wijzedit is gedaan omdat dit door verweerder niet inzichtelijk is gemaakt. Verweerder had minstgenomen moeten motiveren, gelet op het FMMU-advies, waarom van eiser verwacht mag worden dat hij meer over zijn persoonlijke band met het OLF kan verklaren. Eiser wijst er bovendien terecht op dat - daargelaten de medische beperkingen - ook de omstandigheid dat hij afkomstig is van het platteland van Ethiopië en dat hij zijn basisschool niet heeft afgerond betrokken moet worden bij het bepalen van het referentiekader van het horen en beslissen. Ook met deze aspecten van het referentiekader heeft verweerder geen rekening gehouden, althans niet op een kenbare en dus toetsbare wijze.
FMO (forensisch medisch onderzoek)
2. Wat zijn op dit moment de belangrijkste door u geconstateerde psychiatrische klachten
4. Kunt u -gemotiveerd- en in termen van waarschijnlijkheid- een relatie leggen tussen de klachten van cliënt en de oorzaak hiervan, zoals onder meer door cliënt in zijn asielrelaas is aangegeven.
iMMO
in onderlinge samenhang en gelijktijdigmet het medische steunbewijs voor deze verklaringen en gelet op het beeld dat uit betrouwbare algemene informatie over het land van herkomst volgt, moeten onderzoek en beoordelen. Dit uitgangspunt veronderstelt ook dat verweerder, indien een vreemdeling aangeeft dat hij medisch onderzoek laat verrichten, wacht met het uitbrengen van een eerste geloofwaardigheidsbeoordeling in zijn voornemen totdat hij kennis kan nemen van de onderzoeksbevindingen.
ongeacht het medische steunbewijs, dat het standpunt van verweerder dat aan de drie geloofwaardig geachte periodes van ondergane detentie geen waarde toekomt bij het beoordelen van de vrees van eiser bij terugkeer niet wordt gevolgd. Ook indien concrete gebeurtenissen geen directe aanleiding voor vertrek zijn geweest en/of door de vreemdeling niet uitdrukkelijk als asielmotief worden benoemd, heeft te gelden dat verweerder het gehele relaas integraal en in samenhang met zijn kennis over het land van herkomst moet onderzoeken om te kunnen beoordelen of de vreemdeling internationale bescherming behoeft. Verweerder heeft een samenwerkingsplicht. Dit betekent niet alleen dat hij de door eiser aangedragen asielmotieven moet onderzoeken. Het brengt – tenminste - ook mee dat verweerder alle feiten en omstandigheden zoals bedoeld in artikel 4 van Pro de Kwalificatierichtlijn, het eerste en tweede lid, die eiser in het kader van zijn inspanningsplicht aandraagt moet onderzoeken en moet beoordelen. Indien eiser verklaart dat hij driemaal in zijn land van herkomst door de autoriteiten gedetineerd is geweest waarvan één keer tegelijk met zijn vader en de andere twee keer in verband met het niet deelnemen aan dorpsbijeenkomsten tegen het OLF en dit dus verband houdt met betrokkenheid van zijn vader bij het OLF en zijn vader deze detentie niet heeft overleefd, moet verweerder dus actief onderzoeken of hieruit volgt dat eiser bescherming behoeft. In de omstandigheid dat eiser niet aanstonds na vrijlating uit detentie is gevlucht mag verweerder weliswaar aanleiding zien om eiser te bevragen naar het tijdsverloop en of dit is gelegen in het eenvoudig niet eerder hebben kunnen vluchten of het hierin geen aanleiding hebben gezien om te vluchten. Verweerder kan echter niet op grond van het enkele tijdsverloop zonder meer aannemen dat de detenties ofwel niet geloofwaardig zijn, ofwel geen verband houden met de asielmotieven die zijn aangevoerd. Dit zou immers met zich brengen dat de situatie waarin asielzoekers zich veelal bevinden wordt miskend, omdat “later vertrek” vanwege gevaarzetting, financiële beperkingen of eenvoudigweg gebrek aan kennis en ervaring over hoe feitelijk te reizen in dat geval ten onrechte afbreuk zou doen aan de geloofwaardigheid en zwaarwegendheid van het relaas. Ook indien eiser bepaalde gebeurtenissen niet uitdrukkelijk als asielmotief benoemt of niet onverwijld nadat deze gebeurtenissen zich hebben voorgedaan is gevlucht, zal verweerder toch, gelet op zijn eigen expertise, deze gebeurtenissen grondig moeten onderzoeken en beoordelen indien hij niet onwetend kan zijn dat uit deze gebeurtenissen de noodzaak tot bescherming kan volgen.
maghouden aan het onderdelenvereiste en voorbij
kangaan aan de conclusies van het iMMO en geen deskundige
hoeftin te schakelen, geen blijk geeft van het daadwerkelijk invulling geven aan zijn samenwerkingsplicht die immers een actieve en welwillende houding bij het grondig onderzoeken van de beschermingsbehoefte vereist. Het buiten beschouwing laten van de iMMO-rapportage leidt tot de conclusie dat het besluit van verweerder ook op dit punt onvoldoende is voorbereid en gemotiveerd en ook een zelfstandige grond voor vernietiging van het bestreden besluit is.
kánworden voldaan.
in opvolgende procedures de iMMO-kosten niet vergoedt ook indien het rapport aandeelhebbend is in de uiteindelijke inwilliging omdat de betrokken vreemdeling het iMMO-rapport in de eerste procedure had kunnen en had moeten inbrengen” niet verenigbaar is met de eerder genoemde uitspraken van het Hof in de zaak LH en de zaak XY tegen Oostenrijk.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 6.723,75.