Uitspraak
- eiser stelt te zijn [eiser] , 16 jaar oud, van Afghaanse nationaliteit en behorend tot de Turkmeense bevolkingsgroep (1e element); en
- eiser stelt in Afghanistan te zijn ontvoerd en vervolgens te zijn misbruikt als dansjongen (Bacha Bazi) gedurende circa één maand. Eiser is gevlucht en heeft Afghanistan verlaten. Na zijn vertrek uit Afghanistan heeft zijn oom ook problemen gekregen, waardoor hij is moeten verhuizen (2e element).
- eiser ontkent een paspoort in de Duitse procedure te hebben getoond en ontkent de geboortedatum die op dat document staat, terwijl uit contact met de Duitse autoriteiten blijkt dat eiser een op zijn naam gesteld paspoort heeft getoond met een andere geboortedatum dan [geboortedatum] 2000;
- eiser heeft te summier verklaard over zijn etnische afkomst die daarom niet aannemelijk wordt geacht;
- eiser heeft ongerijmde verklaringen afgelegd over de gestelde ontvoering en zijn gestelde gedragingen zijn bevreemdingwekkend;
- eiser voldoet niet aan de kenmerken van slachtoffers van Bacha Bazi want eiser is niet minderjarig, eiser is geen weeskind en eiser stelt verkracht te zijn door meerdere mannen in plaats van door één commandant;
- eiser kan geen concrete en gedetailleerde verklaringen over de daders te geven;
- de ontsnapping is relatief eenvoudig;
- omdat de ontvoering, mishandeling en verkrachtingen niet aannemelijk zijn, is het relaas dat oom hierdoor problemen heeft ondervonden ook niet aannemelijk en bovendien verklaart eiser summier hierover.
steeds relevant moet achtenom te onderzoeken of door medisch onderzoek steun kan worden gevonden voor het relaas van eiser als eiser medische klachten of littekens heeft en eiser verklaart dat zijn vermogen om te verklaren of de klachten en/of littekens een gevolg zijn van de gebeurtenissen op grond waarvan hij bescherming vraagt en dit bovendien verband houdt met de kern van het relaas. Verweerder is hiertoe gehouden om invulling te geven aan zijn samenwerkingsplicht en om een goede beoordeling te kunnen maken inzake de behoefte aan internationale bescherming en/of er een risico bestaat op schending van artikel 3 EVRM Pro bij terugkeer.
FMMU I;
Aanvraagformulier iMMO-onderzoek van 26 maart 2018;
FMMU II;
“(…)
Correcties en aanvulling op het eerste gehoor van 9 april 2018.
Rapportageformulier Bijwonen Gehoor Vluchtelingenwerk” is gevoegd. Dit document betreft een door een medewerker van Vluchtelingewerk opgemaakt verslag van het bijwonen van het nader gehoor dat heeft plaatsgevonden op 10 april 2018. De rechtbank kan niet vaststellen of verweerder eerder dan door overlegging hiervan bij de beroepsgronden kon beschikken over deze waarnemingen. De rechtbank zal dit stuk daarom buiten beschouwing laten bij het onderzoeken of er voor het uitbrengen van het voornemen op 12 april 2018 reeds indicaties waren voor het relevant achten van medisch onderzoek.
(…)
Bacha Bazi”. Uit het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van 1 maart 2019 (pagina 85-86) blijkt dat Bacha Bazi de benaming is voor het in Afghanistan voorkomende ontvoeren en gevangenhouden van jongens door machtigde mannen zoals krijgsheren of commandanten. Deze jongens worden gedwongen om, vaak gehuld in meisjeskleding, te dansen op feesten voor de gasten. Het komt hierbij veelvuldig voor dat deze jongens als seksslaaf worden gebruikt en hierbij seksueel worden misbruikt en verkracht en mishandeld. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser geen slachtoffer van Bacha Bazi is geweest omdat hij niet dezelfde kenmerken vertoont die slachtoffers in het algemeen hebben. Verweerder motiveert dit door te zeggen dat dit uit algemene informatie blijkt, zoals het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over Afghanistan van 15 november 2016 en het Country of Origin-rapport van European Asylum Support Office (EASO) uit 2017. Zo verwijst verweerder naar de informatie dat bijvoorbeeld weeskinderen vaak slachtoffer worden. Hieruit blijkt nu echter juist wel dat eiser, een weeskind dat bij zijn oom woont sinds zijn ouders zijn overleden, in het risicoprofiel past.
meestalminderjarige jongens betreft. Niet valt in te zien waarom verweerder de minderjarigheid als een harde scheidslijn beschouwt. Eiser was volgens zijn aangenomen leeftijd 21 jaar gedurende de gestelde feiten. Verweerder heeft niet gemotiveerd dat daders van Bacha Bazi de leeftijd van een potentieel slachtoffer verifiëren voordat ze tot ontvoering en seksueel geweld overgaan. Ook blijkt uit zowel ambtsberichten, de EASO-rapporten en de door eiser overgelegde producties dat het
meestalom minderjarige jongens gaat. De rechtbank is niet bekend met een bron van algemene informatie waaruit blijkt dat zodra jongens meerderjarig zijn ze zijn gevrijwaard van het risico om slachtoffer te worden. Bovendien heeft verweerder niet gemotiveerd dat het voor de drie personen waarvan eiser stelt dat die hem hebben ontvoerd en voor de personen die hem hebben mishandeld, misbruikt en verkracht duidelijk moet zijn geweest dat eiser (wellicht) niet minderjarig was. Uit de informatie blijkt dat krijgsheren, politiecommandanten, invloedrijke stamleiders en leiders van criminele organisaties jongens,
meestaljonger dan achttien jaar, ontvoeren en gevangen houden voor sociaal vermaak en seksueel misbruik. Hieruit volgt dus niet dat minderjarigheid een dwingend voorgeschreven selectiecriterium voor Bacha Bazi vormt. Dit betekent dat ook indien moet worden aangenomen dat eiser ten tijde van zijn relaas 21 jaar oud was, hij daarmee nog niet direct buiten het profiel van de slachtoffers van Bacha Bazi valt. Verweerder heeft deze tegenwerping niet afdoende gemotiveerd. Ook is verweerder hierbij niet inhoudelijk ingegaan op de door eiser overgelegde publicaties maar heeft deze terzijde geschoven omdat dit slechts algemene informatie is over Bacha Bazi. De rechtbank acht dit onbegrijpelijk omdat eiser juist met algemene informatie opkomt tegen het algemene beeld dat verweerder afleidt uit het ambtsbericht.
meestaléén persoon opdracht tot ontvoering geeft en de het slachtoffer dwingt te dansen en onderwerpt aan seksueel geweld betekent niet dat het relaas van eiser niet past in het algemeen bekende beeld van Bacha Bazi.
relatief eenvoudig” niet aan de orde. Eiser heeft verklaard dat hij is ontvoerd en gedurende 25-30 dagen meermaals is verkracht en slachtoffer is geweest van ander lichamelijk geweld. Eiser heeft ook verklaard dat tegen hem werd gezegd dat als hij zou ontsnappen hij zou worden gedood. Dat eiser in die omstandigheden, volgens zijn verklaringen, beslist dat hij liever wordt gedood dan daar te blijven en tracht de deur te openen, een ladder vindt en over een muur klimt en midden in de nacht een vreemde om een lift naar de stad te vraagt kan zonder nadere motivering niet als zodanig eenvoudig worden beschouwd dat de ontsnapping daardoor niet aannemelijk zou zijn. Bovendien wijst de rechtbank er op dat er verklaringen over de lift die eiser heeft gekregen van de plaats waar hij is vastgehouden naar zijn oom gedetailleerd zijn en dat dit had moeten worden betrokken bij verweerders integrale geloofwaardigheidsbeoordeling van de verklaringen over de gestelde ontsnapping.
advies horen en beslissen” op te vragen bij het FMMU. Echter, indien eiser tevens zelf een onderzoek bij het iMMO laat verrichten valt, zonder nadere motivering, niet in te zien waarom verweerder zich niet gehouden acht de bevindingen van dit onderzoek af te wachten. De vraag of eiser bijzondere procedurele waarborgen behoeft is niet dezelfde vraag als of de verklaringen die eiser vervolgens in het zorgvuldig ingerichte gehoor heeft afgelegd integraal kunnen worden betrokken bij de geloofwaardigheidsbeoordeling. Dat verweerder dus rekening houdt met het FMMU-advies en het gehoor conform de in dat advies geconstateerde beperkingen inricht, brengt niet (zonder meer) mee dat dat eiser is staat moet worden geacht om compleet, coherent en consistent te verklaren. Het zorgvuldig horen heft immers de geconstateerde beperkingen niet zonder meer op. Verweerder kan dus niet aan het iMMO‑onderzoek met betrekking tot het vermogen om te verklaren voorbij gaan door te verwijzen naar het FMMU-advies waarin is aangegeven dat en hoe eiser kan worden gehoord.
niet horen”, “
wel horen” en “
overige opmerkingen”. Bij het onderdeel “wel horen” is in de vraagstelling wel “horen & beslissen” genoemd, maar er wordt over het beslissen niets vermeld terwijl beperkingen worden geconstateerd en bovendien niet wordt gerefereerd aan het eerste advies. De rechtbank gaat er hierbij vanuit dat het advies met betrekking tot het beslissen niet moet worden ingevuld bij het kopje “overige opmerkingen”. In het bestreden besluit is bovendien geen enkele referentie aan de twee FMMU-adviezen te vinden. Verweerder zal echter voor zover hij wil tegenwerpen dat eiser tegenstrijdig, ongerijmd of summier heeft verklaard wel kenbaar rekenschap moeten geven van geconstateerde beperkingen. Om (nader) actief te onderzoeken of sprake is van beperkingen in het vermogen om coherent, compleet en consistent te verklaren kan medisch onderzoek in de vorm van een FMO of iMMO-onderzoek de vereiste informatie verschaffen.
Leeswijzer maart 2019” die dus deel uitmaakt van het deskundigenbericht. In deze leeswijzer wordt onder meer, onder verwijzing naar wetenschappelijke literatuur, uiteengezet wat de functie van het geheugen is, hoe het geheugen werkt en wat de invloed van psychische problematiek is op de werking van het geheugen.
Beoordeling van forensisch medische rapportages in de asielprocedure, A&MR 2020-4) is gedegen en met verwijzing naar diverse wetenschappelijke publicaties uiteengezet dat het medisch gezien niet mogelijk is om uitspraken te doen over welke beperkingen op welk deel van de verklaringen betrekking hebben. Verweerder heeft zijn standpunt dat deze eis gesteld mag worden aan een medisch rapport uitsluitend onderbouwd met jurisprudentie van de Afdeling en niet met medische bevindingen. Anders dan de Afdeling zal de rechtbank het in deze publicatie vervatte onderbouwde standpunt van –kort gezegd- het iMMO volgen. De rechtbank overweegt dat artsen, psychiaters en psychologen kunnen aangeven waar medisch gezien uitspraken over kunnen worden gedaan. De rechtbank is niet medisch onderlegd en baseert zich bij de beoordelingen van forensisch medische stukken daarom op de uitleg over de aard en strekking van de bevindingen door die medisch deskundigen. De rechtbank heeft weliswaar geen deskundige benoemd om deze uitleg te verschaffen over het in deze procedure ingebrachte rapport. Maar gelet op de omstandigheid dat de auteurs van de publicatie ook betrokken zijn bij het iMMO en in die hoedanigheid uitgebreide ervaring hebben bij het verrichten van forensisch medisch onderzoek zal de rechtbank de overwegingen uit de publicatie in ogenschouw nemen bij het beoordelen van de standpunten van partijen. De rechtbank overweegt dat aan de in jurisprudentie van de Afdeling neergelegde eis vanuit medisch wetenschappelijk oogpunt eenvoudigweg niet kan worden voldaan.
dat de Afdeling verweerder wel degelijk ruimte laat om ook zonder dat hij een medisch deskundige raadpleegt vast te houden aan zijn conclusie dat het asielrelaas niet geloofwaardig is” onbegrijpelijk. Verweerder is immers gelet op zijn samenwerkingsplicht gehouden om actief en welwillend te onderzoeken of eiser behoefte heeft aan internationale bescherming. Dit betekent dat verweerder zelf moet onderzoeken of er medisch steunbewijs is voor het relaas van eiser en of eiser wel in staat is (geweest) om compleet, coherent en consistent te verklaren. Deze bewoordingen van het standpunt in het verweerschrift duiden echter veeleer op een zoektocht van verweerder naar argumenten om de medische bevindingen buiten beschouwing te kunnen laten en zodoende vast te houden aan zijn beoordeling van de verklaringen van eiser. Dit leidt tot de conclusie dat het besluit van verweerder op dit punt onvoldoende is voorbereid en gemotiveerd.
samenmet de andere elementen van het verzoek. Naar het oordeel van de rechtbank kan deze bepaling niet anders worden uitgelegd dan dat de verklaringen van eiser
samen en dus tegelijkertijdmoeten worden beoordeeld met medische bevindingen en andere bewijsmiddelen zoals bijvoorbeeld documenten. De werkwijze van verweerder waarbij eerst de verklaringen worden beoordeeld en vervolgens de medische bevindingen worden gepasseerd omdat de verklaringen reeds zijn beoordeeld en het relaas niet aannemelijk is geacht is dan ook niet in lijn met hetgeen de Europese wetgever voor ogen gehad moet hebben bij de redactie van artikel 18. Verweerder kan dus niet beargumenteren dat het iMMO-rapport niet afdoet aan het besluit omdat eiser op onderdelen ongerijmd of summier heeft verklaard of omdat zijn verklaringen niet geheel passen in het beeld van wat bekend is uit het AAB. Juist nu het iMMO heeft geconcludeerd dat eiser beperkingen heeft in het vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren had verweerder dit moeten betrekken bij de beoordeling van de verklaringen die eiser heeft afgelegd. Het door iMMO vastgestelde causale verband tussen de letsels, littekens en het geweldsrelaas had verweerder moeten betrekken bij de beoordeling van het deel van het relaas dat hierop ziet. Verweerder had vervolgens moeten beoordelen of hij dan nog steeds tot de conclusie komt dat het relaas ongeloofwaardig is. Het element dat ondersteund wordt door de medische bevindingen dient in de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling dan zwaarder te wegen dan dat dit is geschied op basis van uitsluitend de verklaringen. Dat geconstateerd letsel ook op andere wijze dan volgens de verklaringen van eiser kan zijn ontstaan brengt niet mee dat dit letsel op generlei wijze het relaas kan ondersteunen. Eiser hoeft immers geen sluitend bewijs te leveren maar zijn relaas slechts aannemelijk te maken, zodat elk medisch steunbewijs moet worden betrokken, ook als slechts sprake is van medische bevindingen met een geringe ondersteunende waarde. De rechtbank verwijst hierbij naar eerdergenoemde jurisprudentie van het EHRM, waaruit volgt dat zodra er uit medisch onderzoek blijkt van een causaal verband, ook als dit een lichtere gradatie uit het Istanbul Protocol betreft, dit steunbewijs moet worden betrokken bij de beoordeling van de vraag naar internationale bescherming. Verweerder moet deze verzwaarde weging kenbaar verrichten.
Kroniek advisering in het bestuursrecht(A&MR 2020-4), M. Kollen, L. Heeffer, A. Keunen, E. Kors,
Beoordeling van forensisch medische rapportages in de asielprocedure(A&MR 2020-4), M. Reneman,
Europese verplichting tot het laten doen van forensisch medisch onderzoek?(JNVR 2018, nr. 1 /7.) De rechtbank heeft hiervan kennis genomen en is bovendien ambtshalve bekend met de inhoud van de notitie
Forensisch medisch onderzoek in Europees rechtvan de Commissie Strategisch Procederen (CSP). De rechtbank zal zich echter in deze zaak niet tot het Hof van Justitie wenden voor nadere uitleg over de door de CSP opgeworpen vragen. In de onderhavige zaak is naar het oordeel van de rechtbank immers volstrekt helder dat verweerder zijn verplichting om medisch onderzoek te laten verrichten en zodoende invulling te geven aan zijn samenwerkingsplicht heeft geschonden. Ook is zonder meer duidelijk dat verweerder niet afdoende gemotiveerd is ingegaan op de door eiser overgelegde medische rapportage van het iMMO.
- de verplichting om op grond van artikel 18 Procedurerichtlijn Pro forensisch medisch onderzoek te doen verrichten moet worden gelezen in samenhang met de samenwerkingsplicht zoals die is opgenomen in artikel 4 van Pro de Kwalificatierichtlijn;
- verweerder had op grond van de twee adviezen van het FMMU, de informatie van de gemachtigde en het verzoek van eiser actief moeten onderzoeken of medisch onderzoek relevant was;
- verweerder had forensisch medisch onderzoek vóór het komen tot een definitieve geloofwaardigheidsbeoordeling en dus vóór het uitbrengen van het voornemen relevant moeten achten en moeten opstarten gelet op het bepaalde in artikel 18, derde lid, Pri gelezen in samenhang met artikel 4 Kri Pro;
- de tegenwerpingen dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over het bezit van een op zijn naam gesteld paspoort en over of hij naar school is geweest zijn terecht;
- de tegenwerping dat eiser de Turkmeense etniciteit niet aannemelijk heeft gemaakt houdt geen stand;
- de tegenwerpingen die verband houden met de kern van het relaas, te weten de ontvoering, de vrijheidsberoving, het (seksuele) geweld en de ontsnapping, houden wegens motiveringsgebreken geen stand;
- verweerder heeft bij de beoordeling van de kern van het relaas onvoldoende rekenschap gegeven van de landeninformatie;
- verweerder had het voor het nader gehoor (reeds) aangevraagde iMMO-rapport moeten betrekken bij de geloofwaardigheidsbeoordeling en daarom het verzoek van eiser om de besluitvorming aan te houden totdat het iMMO-rapport beschikbaar zou zijn moeten inwilligen;
- verweerder heeft eiser niet in staat gesteld om medische bevindingen in te brengen om tegenwerpingen dat hij ongerijmd en summier heeft verklaard te voorkomen of te verklaren, terwijl er vóór het uitbrengen van het voornemen aanwijzingen waren voor het bestaan van medische problemen;
- verweerder heeft eiser niet in staat gesteld om zijn asielrelaas met medische bevindingen te staven terwijl er vóór het uitbrengen van het voornemen aanwijzingen waren voor het bestaan van medische problemen, littekens en een door eiser gesteld causaal verband;
- de eis die verweerder stelt aan de rapporteurs van het iMMO om aan te geven op welke onderdelen van het relaas de conclusies ten aanzien van het vermogen om compleet, coherent en consistent te kunnen verklaren betrekking hebben, is wetenschappelijk niet aanvaardbaar en zal om die reden buiten beschouwing worden gelaten;
- door niet elke gradatie van het door medisch deskundigen vastgestelde causale verband te kwalificeren als medisch steunbewijs handelt verweerder in strijd met de jurisprudentie van het EHRM;
- het iMMO-rapport is een deskundigenbericht en kan als het zorgvuldig tot stand is gekomen en naar inhoud inzichtelijk en concludent is alleen worden weerlegd met een contra-expertise en niet door verweerder.
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 5.496,75.