ECLI:NL:PHR:2026:623

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
21 juni 2026
Zaaknummer
24/02957
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 138aa SrArt. 55 lid 1 SrArt. 359 lid 6 SvArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest hof wegens ontoereikende motivering strafoplegging bij wederrechtelijk verblijf op haventerrein

De verdachte werd door het hof Den Haag veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden wegens wederrechtelijk verblijf en toegang verschaffen tot een besloten haventerrein. Het hof motiveerde de strafoplegging mede met het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, waardoor een taakstraf of voorwaardelijke gevangenisstraf volgens het hof niet uitvoerbaar zou zijn.

De verdachte, geboren in Macedonië, verklaarde meerdere malen dat hij in Nederland verbleef en wilde blijven, maar had geen geregistreerd adres. De verdediging verzocht om een taakstraf, met het argument dat het kantooradres van de advocaat als contactadres kon dienen. Het hof wees dit af zonder nadere motivering waarom de kans op onttrekking aan een taakstraf ondanks deze omstandigheden aanzienlijk zou zijn.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom een taakstraf niet passend zou zijn, vooral gezien de jurisprudentie dat het ontbreken van een woonadres in Nederland niet zonder meer een taakstraf uitsluit, zeker niet voor EU-burgers. Hoewel de verdachte geen EU-burger is, had het hof de praktische uitvoerbaarheid van een taakstraf beter moeten onderbouwen.

De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof voor wat betreft de strafoplegging en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling. Voor het overige wordt het cassatieberoep verworpen.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor wat betreft de strafoplegging en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/02957
Zitting23 juni 2026
CONCLUSIE
P.T.C. van Kampen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 17 juli 2024 door het gerechtshof Den Haag (rolnr. 22-000267-24) wegens de eendaadse samenloop van “het wederrechtelijk verblijven bij een op een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag of overslag van goederen, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen” en “het zich wederrechtelijk toegang verschaffen tot een zodanige plaats door middel van inklimming, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen”, veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met aftrek van voorarrest.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. O.J. Much, advocaat, heeft een middel van cassatie voorgesteld. Dat middel bevat de klacht dat het hof in strijd met art. 359 lid 6 Sv Pro de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet toereikend heeft gemotiveerd. Meer in het bijzonder wordt geklaagd over de beslissing van het hof om geen taakstraf en/of voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen op de grond dat van de verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is.

2.De procedure in feitelijke aanleg

2.1
Met het oog op de (begrijpelijkheid van) de strafoplegging en -motivering door het hof is het goed kort stil te staan bij de (gehele) procedure in feitelijke aanleg.
2.2
Uit de stukken blijkt dat de verdachte is geboren in Macedonië en ten tijde van de procedure in feitelijke aanleg geen bekende vaste woon- of verblijfplaats hier te lande had. Tijdens de procedure in feitelijke aanleg is verdachte ter zitting steeds verschenen en bijgestaan door een tolk in de Albanese taal.
2.3
Tijdens de terechtzitting in eerste aanleg op 29 januari 2024 heeft de verdachte blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting over zijn persoonlijke omstandigheden verklaard:
“U vraagt naar mijn persoonlijke omstandigheden. Ik woon bij mijn vriendin maar ik sta daar niet ingeschreven. Zij onderhoudt mij. Ik woon al 5 jaren in Nederland en als ik de mogelijkheid krijg, werk ik. […].”
2.4
In eerste aanleg heeft het openbaar ministerie gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf van acht maanden onvoorwaardelijk zal worden opgelegd, alsmede een gebiedsverbod voor de duur van drie jaren. Een taakstraf zou naar het oordeel van de officier van justitie niet afschrikwekkend genoeg zijn, terwijl een taakstraf in dit geval ook niet mogelijk zou zijn, omdat verdachte de Nederlandse taal niet beheerst en hij nergens (in Nederland) staat ingeschreven, zodat contact met de reclassering niet mogelijk zou zijn.
2.5
Bij pleidooi heeft de raadsvrouw in eerste aanleg in reactie daarop het volgende betoogd:
“De officier van justitie kan zeggen dat we van het hof moeten afwijken maar daar ben ik het niet mee eens. Zware straffen werken averechts en leiden niet tot de verzochte preventie. Het klopt dat meneer geen adres heeft maar hij neemt zijn verantwoordelijkheid. Hij is vandaag aanwezig en was dat bij de vorige zitting ook. Maandenlang de gevangenis in moeten schrikt niet af, het is al afschrikwekkend genoeg dat hij wordt vervolgd. Hij gaat officieel samenwonen met zijn vriendin en hij gaat een cursus Nederlands volgen. […].”
2.6
De politierechter heeft een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden opgelegd, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en dat als volgt gemotiveerd:
“De verdachte bevond zich samen met anderen in het havengebied van [plaats] , zonder dat hij daarvoor een legitimerende verklaring heeft gegeven. Het is een feit van algemene bekendheid dat frequent personen worden aangetroffen op de besloten haventerreinen in en rond [plaats] , die daar wederrechtelijk verblijven. Deze personen trachten aldaar containers open te breken om partijen waardevolle goederen of partijen voor de gezondheid schadelijke (verdovende) middelen uit deze containers te halen. Dit soort delicten wordt in de regel in georganiseerd verband gepleegd. Een verdachte, die op een haventerrein wordt aangetroffen en daarvoor geen duidelijke en verifieerbare reden wil of kan geven, wekt daarmee de verdenking dat hij zich met dergelijke criminele activiteiten inlaat. Los daarvan veroorzaakt het wederrechtelijk verblijven op haventerreinen veel overlast en inzet van personeel, met alle daarmee gepaard gaande kosten vandien.
De politierechter is bekend met de lijn van het Hof Den haag voor wat betreft de strafmaat in dit soort zaken. Daar zal van worden afgeweken nu het een verdachte betreft zonder inschrijfadres in Nederland, zonder werk, die niet wil vertellen waar hij verblijft in Nederland en die geen persoonlijke informatie wenst te geven, ook niet ter zitting. Dit maakt dat de strafmodaliteit van de taakstraf onuitvoerbaar wordt geacht. Om deze reden zal er een deels voorwaardelijke gevangenisstraf aan de verdachte worden opgelegd.
Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie van blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Hiermee wordt in het voordeel van de verdachte rekening gehouden.
Gezien het voorgaande kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van de gevangenisstraf die hiervoor is genoemd. Bij de bepaling van die strafsoort en de hoogte daarvan is gelet op de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De gevangenisstraf is gedeeltelijk voorwaardelijk opgelegd. Deze voorwaardelijke straf dient er toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.”
2.7
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter. De appelschriftuur houdt in dat de verdachte de straf en duur ervan disproportioneel acht en van mening is dat het ontbreken van een GBA-adres ten onrechte tot een zwaardere straf heeft geleid (dan een taakstraf).
2.8
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep op 3 juli 2024 heeft de verdachte aldaar over zijn persoonlijke omstandigheden het volgende verklaard:
“Ik ben al 5 à 6 jaar in Nederland. Op dit moment woon ik in [plaats in Belgie] . Ik verblijf daar een paar maanden bij mijn familie en dan ga ik terug naar Nederland. Ik help daar soms mijn oom met schoonmaken. Mijn vriendin woont in [plaats] . Ik wil graag in Nederland blijven wonen.
U houdt mij voor dat u alleen beschikt over de gegevens van mijn adres in Macedonië. U vraagt mij of ik daar mijn post wil ontvangen. Ja, dat wil ik.”
2.9
In hoger beroep heeft het openbaar ministerie gevorderd dat de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden zal worden veroordeeld, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.
2.1
Bij pleidooi heeft de raadsvrouw verzocht om de verdachte in de gelegenheid te stellen om een taakstraf uit te voeren:
“Ik verzoek uw hof om de door de politierechter opgelegde gevangenisstraf te matigen en mijn cliënt in de gelegenheid te stellen om een taakstraf uit te voeren. Mijn kantooradres kan door de reclassering dan gebruikt worden om mijn cliënt te bereiken.”
2.11
In repliek heeft de advocaat-generaal omtrent de uitvoerbaarheid van een taakstraf het volgende opgemerkt:
“Wat betreft het opleggen van een taakstraf: dit zal een lastig verhaal worden. De verdachte verblijft momenteel in België en is de Nederlandse taal niet machtig. Wij beschikken niet over een verblijfsadres van de verdachte in Nederland. Een taakstraf zal om die reden onpraktisch en onuitvoerbaar zijn.”
2.12
In dupliek heeft de raadsvrouw ter zake opgemerkt:
“Mijn cliënt wil liever niet de adresgegevens geven van zijn vriendin. Hij heeft steeds gewerkt via uitzendbureaus en doet dat nu nog steeds. Hij wil zich graag vestigen in Nederland.”
2.13
Bij arrest van 3 juli 2024 heeft het hof aan de verdachte een onvoorwaardelijk gevangenisstraf voor de duur van twee maanden opgelegd en ter zake het volgende overwogen:
“Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het zich wederrechtelijk begeven op en het zich de toegang verschaffen tot het haventerrein van [A] als bedoeld in artikel 138aa Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Dit zijn strafbare feiten die veel hinder en schade veroorzaken bij deze containerterminal en bij andere havenbedrijven. Zo komen bijvoorbeeld werkzaamheden vaak tijdelijk stil te liggen als indringers zijn gesignaleerd en moeten de douane en havenbedrijven veel investeringen doen om het terrein te controleren en te beveiligen. Ook is het een schending van de openbare orde. Het zich ophouden op een haventerrein gebeurt veelal met het doel om drugs uit containers te halen en is daarmee een onmisbare schakel in de keten rond de invoer en verdere verspreiding van drugs en heeft daarmee een ontwrichtende invloed op de samenleving.
Het hof is van oordeel dat met betrekking tot beide feiten sprake is van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid, Sr en houdt daar in het voordeel van verdachte rekening mee. De bewezen verklaarde gedragingen leveren in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex op dat de verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt, terwijl de strekking van de desbetreffende strafbepalingen slechts enigszins uiteenloopt.
Bij het bepalen van de (hoogte van de) straf verwijst het hof naar de algemene lijn die in recente jurisprudentie rond artikel 138aa Sr is uitgezet. In beginsel is de oplegging van een taakstraf voor de duur van 90 uren in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden aangewezen voor zogeheten first offenders. De duur van die taakstraf kan oplopen tot 160 uren, afhankelijk van de vraag of sprake is van strafverzwarende omstandigheden, zoals medeplegen en/of inklimming/braak. Indien sprake is van bijzondere omstandigheden, dan kan van dit uitgangspunt worden afgeweken (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:GHDHA:2022:985, herhaald en nader genuanceerd in onder meer ECLI:NL:GHDHA:2023:461 en ECLI:NL:GHDHA:2023:1818).
Van de verdachte in deze zaak is geen vaste woon- of verblijfplaats bekend in Nederland. Dit maakt dat de kans dat de verdachte zich zal onttrekken aan het uitvoeren van een eventueel op te leggen taakstraf, aanzienlijk is en een voorwaardelijke gevangenisstraf weinig zinvol lijkt. Het hof zal daarom afwijken van het hierboven aangehaalde uitgangspunt. Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 18 juni 2024.
Conclusie
Het hof is – alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.”

3.Bespreking van het middel

3.1
Volgens het middel heeft het hof de strafoplegging in strijd met art. 359 lid 6 Sv Pro niet toereikend gemotiveerd. Niet zonder meer valt volgens de toelichting op het middel in te zien waarom bij een gevangenisstraf in het onderhavige geval wel een (reëel) vooruitzicht bestaat op tenuitvoerlegging en bij een taakstraf (of een voorwaardelijke gevangenisstraf) niet, temeer nu de raadsvrouw ter zitting heeft aangegeven dat haar kantooradres door de reclassering kan worden gebruikt om de verdachte te bereiken.
3.2
Bij de beoordeling van het middel kan het volgende vooropgesteld worden.
3.3
De strafoplegging wordt bepaald door uiteenlopende factoren, waaronder de ernst van het feit en de persoon van de verdachte. De feitenrechter is – binnen de grenzen van het ter zake geldende strafmaximum – vrij in de keuze van de straf, waaronder ook is te verstaan de keuze van de strafsoort, en in de waardering van de factoren die hij daartoe van belang acht. [1] Indien en voor zover een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende sanctie wordt opgelegd, dient uit de strafmotivering op grond van art. 359 lid Pro 6, eerste volzin, Sv expliciet te blijken dat de rechter onder ogen heeft gezien dat hij een straf of maatregel oplegt die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt, door in de strafmotivering tot uitdrukking te brengen dat zo'n sanctie wordt opgelegd en die sanctieoplegging te verbinden met in de strafmotivering opgegeven redenen. [2]
3.4
In het onderhavige geval gaat het om een verdachte met een woonadres in Macedonië. Op de terechtzitting in hoger beroep heeft hij verklaard dat hij al vijf à zes jaar in Nederland woont, dat hij op het moment van de terechtzitting een aantal maanden bij familie in [plaats in Belgie] verblijft, maar voornemens is terug te keren naar Nederland en hier te willen blijven wonen. Het hof heeft de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gemotiveerd met verwijzing naar het feit dat van de verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is; dit maakt de kans dat de verdachte zich zal onttrekken aan het uitvoeren van een eventueel op te leggen taakstraf volgens het hof “aanzienlijk” is en een voorwaardelijke gevangenisstraf “weinig zinvol”. Daaraan voorafgaand verwijst het hof naar de algemene lijn die in de jurisprudentie van het hof rond art. 138aa Sr is uitgezet. Die algemene lijn is dat voor first offenders in beginsel de oplegging van een taakstraf voor de duur van 90 uren, in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden is aangewezen, waarbij de duur van de taakstraf kan oplopen tot 160 uren, afhankelijk van de vraag of er sprake is van strafverzwarende omstandigheden, zoals medeplegen en/of inklimming/braak. Indien sprake is van bijzondere omstandigheden, kan van dit uitgangspunt worden afgeweken.
3.5
Dat in de onderhavige zaak sprake is van dergelijke bijzondere omstandigheden, blijkt uit de motivering van het hof niet, zodat het ervoor moet worden gehouden dat dergelijke omstandigheden niet (ook) ten grondslag hebben gelegen aan de beslissing van het hof om geen taakstraf en/of een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Daarmee resteert dus de overweging dat de kans aanzienlijk is dat de verdachte zich aan de tenuitvoerlegging van een taakstraf zal onttrekken en een voorwaardelijke gevangenisstraf weinig zinvol is, nu van de verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is.
3.6
Ik begin met de klacht over de beslissing van het hof om niet een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen omdat dit “weinig zinvol” is. In eerste aanleg heeft de politierechter een gevangenisstraf van vier maanden waarvan twee maanden voorwaardelijk opgelegd. In hoger beroep was dit tevens de eis van de advocaat-generaal. Het hof heeft het voorwaardelijk deel niet opgelegd, maar heeft volstaan met de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden. De overweging van het hof ter zake een voorwaardelijke gevangenisstraf moet mijns inziens dan ook worden gezien als motivering voor de beslissing van het hof om in afwijking van de vordering van de advocaat-generaal – in het voordeel van de verdachte – niet
tevenseen voorwaardelijk deel op te leggen. Het hof heeft de twijfel over de vraag of een voorwaardelijke gevangenisstraf in dit geval “zinvol” is, aldus verdisconteerd in het besluit om in het geheel geen voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Hoewel ik niet zonder meer inzie waarom een voorwaardelijke gevangenisstraf weinig zinvol is bij deze verdachte, die zegt in Nederland te (gaan) verblijven, heeft de verdachte gelet op het voorgaande onvoldoende belang bij zijn klacht over dit deel van de straftoemetingsbeslissing van het hof. Daarbij speelt mee dat door of namens de verdachte in hoger beroep niet om de oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf is verzocht. In zoverre is het middel tevergeefs voorgesteld.
3.7
Dan kom ik toe aan de beslissing van het hof om niet een taakstraf op te leggen omdat de kans op onttrekking bij deze verdachte zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland volgens het hof aanzienlijk is.
3.8
Juridisch gezien is (bekendheid met) een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland geen vereiste om een taakstraf op te (kunnen) leggen. Dat laat onverlet dat de rechter bij de beantwoording van de vraag of een taakstraf is aangewezen, mede kan betrekken of een reëel vooruitzicht bestaat dat die straf ook zal (kunnen) worden tenuitvoergelegd. [3] Daarbij kan een rol spelen of van de verdachte een woon- of verblijfplaats bekend is of anderszins voldoende zekerheid bestaat dat de verdachte bereikbaar is om de taakstraf uit te voeren, zo volgt onder meer uit HR 31 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6429. [4] In die zaak bracht het ontbreken van een woon- of verblijfplaats het hof ertoe om af te zien van de oplegging van een in beginsel passend en geboden geachte (en door de verdachte verzochte) taakstraf, omdat met de verdachte als gevolg daarvan naar het oordeel van het hof geen afspraken konden worden gemaakt over de tenuitvoerlegging van een dergelijke straf. Dat het hof zich daarbij niet uitdrukkelijk had uitgelaten over de mededeling van de raadsman ter zitting dat de verdachte via zijn kantoor bereikbaar zou zijn, leidde niet tot cassatie. De Hoge Raad maakte uit de beslissing van het hof op dat het hof onvoldoende zekerheid had verkregen dat de verdachte zich via zijn advocaat bereikbaar zou houden, waarbij een rol speelde dat de verdachte niet ter zitting was verschenen. De Hoge Raad overwoog:
“Kennelijk heeft het hof uit de opmerking van de raadsman ter terechtzitting dat de verdachte via zijn kantoor bereikbaar zou zijn, onvoldoende zekerheid verkregen dat de verdachte, die niet ter terechtzitting was verschenen, zich langs die weg bereikbaar zou houden. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Het kan, verweven als het is met de aan de feitenrechter voorbehouden keuze van de straf en de waardering van de factoren die hij voor de strafoplegging van belang acht, in cassatie niet verder worden getoetst.”
3.9
Bereikbaarheid en de vraag of volbrenging van een taakstraf reëel is, zal in de praktijk ook een vraagpunt (kunnen) zijn bij verdachten die in het buitenland woonachtig zijn of – zoals in de onderhavige zaak – in ieder geval daar hun geregistreerde adres aanhouden. In zo’n geval volstaat voor de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in elk geval niet de enkele, niet nader ingevulde motivering dat “verdachte kennelijk niet meer in Nederland verblijft”, zo oordeelde de Hoge Raad in een zaak tegen een Mongoolse verdachte. [5]
3.1
Een bijzondere situatie doet zich voor als de verdachte inwoner is van een andere EU-lidstaat. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de rechter in dat geval een taakstraf niet zal kunnen uitsluiten op de enkele grond dat de verdachte niet in Nederland woonachtig is. [6] De WETS voorziet immers (in beginsel [7] ) in de mogelijkheid een taakstraf in een andere lidstaat ten uitvoer te leggen. [8] Een strafrechtelijk vonnis waarbij een vrijheidsbenemende of vrijheidsbeperkende sanctie is opgelegd in een lidstaat van de EU, kan immers aan een andere EU-lidstaat worden toegezonden, indien de veroordeelde onderdaan is van die lidstaat en/of aldaar zijn vaste woon- of verblijfplaats heeft. Ontvangt een lidstaat een dergelijk vonnis, dan is deze in beginsel gehouden het vonnis overeenkomstig de bepalingen van de kaderbesluiten te erkennen en de opgelegde sanctie ten uitvoer te leggen. [9]
3.11
Overigens staat ook bij EU-burgers geen rechtsregel eraan in de weg dat de rechter bij de beantwoording van de vraag of de oplegging van een taakstraf aangewezen is, mede betrekt of een reëel vooruitzicht bestaat dat die straf ook in de andere lidstaat zal (kunnen) worden tenuitvoergelegd. Dat dit niet het geval is, zal echter niet te lichtvaardig kunnen worden aangenomen. Zo werd het oordeel van het hof dat een gevangenisstraf passend en geboden was nu de tenuitvoerlegging daarvan in Litouwen “vooralsnog niet realiseerbaar blijkt”, door de Hoge Raad niet zonder meer begrijpelijk gevonden, nu het hof daarbij slechts had verwezen naar de toelichting van de advocaat-generaal die niet meer inhield dan: “In het verleden is er een zaak overgedragen door de Nederlandse autoriteiten, maar deze is door Litouwen geweigerd. Ik durf daarom niet te zeggen dat een overdracht aan Litouwen succesvol gaat zijn.” [10]
3.12
In dit verband verdient ook het arrest van de Hoge Raad van 2 juli 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1066) vermelding. De zaak betrof een uit Roemenië afkomstige verdachte die verklaarde – en in zoverre is er een vergelijking met de onderhavige zaak te trekken – in Nederland te verblijven maar die ten tijde van de behandeling in hoger beroep hier (nog) geen bekende woon- of verblijfplaats had. Het hof overwoog af te zien van de in beginsel passend geachte en namens de verdachte verzochte werkstraf “op de grond dat de verdachte niet beschikt over een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, zodat met hem geen afspraken met de Reclassering kunnen worden gemaakt over de tenuitvoerlegging van een dergelijke straf.” De Hoge Raad herhaalde zijn rechtspraak dat de enkele omstandigheid dat de verdachte in een andere lidstaat van de Europese Unie dan Nederland woonachtig is, niet in de weg staat aan de oplegging van een taakstraf vanwege de voornoemde mogelijkheid die taakstraf in die lidstaat ten uitvoer te leggen. De Hoge Raad voegde daar aan toe: “Die enkele omstandigheid belet evenmin de tenuitvoerlegging van een taakstraf in Nederland.” Tegen die achtergrond was de strafoplegging ontoereikend gemotiveerd, waarbij de Hoge Raad in aanmerking nam dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep had verklaard weer naar Nederland te zijn gekomen om hier te werken.
3.13
Waar het hof dus in het gebrek aan een (bekende) woon- of verblijfplaats in Nederland een praktisch bezwaar zag bij een (in Nederland) uit te voeren taakstraf, ziet de Hoge Raad daarin voor wat betreft EU-burgers uit een andere lidstaat die in Nederland verblijven in ieder geval dus niet zonder meer een doorslaggevend bezwaar. Dit kan mijns inziens niet los worden gezien van de achtergrond van het Kaderbesluit waarop de WETS mede is gebaseerd, dat tot doel heeft het gebrek aan een woon- of verblijfplaats in de lidstaat waar de berechting plaatsvindt nu juist niet in de weg te laten staan aan de oplegging van een taakstraf. Enige onzekerheid bij de oplegging over de (plaats van) tenuitvoerlegging en de vraag of de verdachte in Nederland bereikt zal kunnen worden, zal dan niet steeds de oplegging van een taakstraf moeten beletten. Wellicht heeft de Hoge Raad daarbij ook gedacht aan de mogelijkheid dat de verdachte – als Unieburger die in Nederland wil werken – zich alsnog in Nederland zou inschrijven.
3.14
Zou de onderhavige zaak betrekking hebben op de inwoner van een andere lidstaat van de EU, dan zou de enkele verwijzing door het hof in deze zaak naar het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland en een daarmee verband houdende kans op onttrekking aan in taakstraf in Nederland, gezien dit juridisch kader, vermoedelijk dus niet hebben volstaan.
3.15
In de onderhavige zaak is de uit Macedonië afkomstige verdachte evenwel geen Unieburger. Macedonië is immers geen EU-lidstaat. In deze zaak geldt dus niet het op EU-recht gebaseerde vangnet dat de taakstraf in het land van herkomst zal kunnen worden tenuitvoergelegd. Het hof heeft dan ook begrijpelijkerwijs gewicht toegekend aan de vraag in hoeverre tenuitvoerlegging in Nederland reëel is. Daarbij kan, zoals al aan de orde kwam, een rol spelen of van de verdachte een woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is en/of in hoeverre hij zich naar inschatting van de rechter bereikbaar zal houden. In dat verband valt op dat het straftoemetingsverweer door de verdediging in deze zaak niet uitmunt in zorgvuldigheid. Zowel uit het verhandelde ter zitting in eerste aanleg als de strafmaatoverwegingen van de politierechter bleek waar de kneep voor de politierechter precies zat voor wat betreft het al dan niet opleggen van een taakstraf: een verdachte zonder inschrijfadres in Nederland, zonder werk, die niet wil vertellen waar hij in Nederland verblijft en die geen persoonlijke informatie wenst te geven, ook niet ter zitting. Getuige de dupliek in eerste aanleg was dat ook de verdediging helder. Niettemin wordt, na het instellen van hoger beroep precies vanwege de opgelegde straf, die openheid ook in hoger beroep niet gegeven. De verdachte heeft verklaard zijn post op zijn adres in Macedonië te willen ontvangen terwijl hij tevens stelt in Nederland te willen verblijven; de raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte het adres van zijn vriendin in [plaats] niet wil verstrekken.
3.16
Daar staat tegenover dat (a) het in dit geval gaat om een verdachte die bij alle zittingen aanwezig is geweest – en daarmee dus gehoor heeft gegeven aan de oproep(en) om ter zitting te verschijnen, heeft aangegeven graag voor langere tijd in Nederland te willen blijven wonen en werken en door de verdediging uitdrukkelijk (zij het mager) is verzocht om het opleggen van een taakstraf, terwijl (b) het hof het opleggen van een taakstraf, gelet op de algemene lijn in de jurisprudentie en de aard van het delict en de omstandigheden waaronder het werd begaan, kennelijk in dit geval als zodanig ook passend achtte. Niettegenstaande dat laatste legt het hof die straf uiteindelijk niet op. De enkele motivering die het hof daarvoor gebruikt is het feit dat van de verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is en de kans dat de verdachte zich aan de tenuitvoerlegging van een taakstraf zal onttrekken, dus wel “aanzienlijk” zal zijn. Waarom die kans – niettegenstaande de onder (a) genoemde omstandigheid – als aanzienlijk wordt ingeschat heeft het hof evenwel niet nader gemotiveerd.
3.17
Het kan zijn dat het hof, gelet op het antwoord van de verdachte dat hij bereikt kan worden op zijn adres in Macedonië, de nodige praktische problemen voorzag bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf en in dat verband ook onvoldoende comfort meende te kunnen ontlenen aan de opmerking van de raadsvrouw dat de verdachte via haar kantooradres bereikt kan worden. Wellicht hebben bij de inschatting van de kans op onttrekking ook (een gebrek aan) informatie over de vreemdelingrechtelijke positie van de verdachte en de daarmee gepaard gaande (juridische) (on)mogelijkheid in Nederland te verblijven een rol gespeeld. [11] Feit is evenwel dat het hof daaromtrent niets heeft overwogen. In plaats daarvan heeft het hof bij het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf volstaan met de enkele verwijzing naar het ontbreken van een bekende woon- of verblijfplaats van de verdachte en een niet geconcretiseerde mogelijkheid op onttrekking. Nu de aard van het delict en de omstandigheden waaronder het werd begaan als zodanig in de optiek van het hof kennelijk het opleggen van een taakstraf rechtvaardigde, is de oplegging van een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf door die enkele verwijzing wat mij betreft niet toereikend gemotiveerd.

4.Slotsom

4.1
Het middel slaagt.
4.2
Ambtshalve merk ik op dat de – in dit geval op twee jaren te stellen – redelijke termijn voor de behandeling van de zaak in cassatie zal worden overschreden indien de Hoge Raad uitspraak doet na 30 juli 2026. Verder heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7805, rov. 3.3; HR 15 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:46, rov. 3.5.
2.Vgl. HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2191.
3.HR 15 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:46, rov. 3.5.
4.Vgl. ook HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO2455 (art. 81 lid 1 RO Pro), waarin het hof omtrent zijn beslissing geen taakstraf op te leggen overwoog dat uit het onderzoek ter terechtzitting was gebleken dat de verdachte geen bekend verblijfadres had en onbereikbaar was voor zowel haar raadsvrouw als de justitiële instanties.
5.Vgl. HR 11 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:229. De uitkomst in cassatie is mogelijk mede bepaald door het feit dat de strafmotvering verder geen enkele overweging inhield over omstandigheden rond het strafbare feit, die op zichzelf een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf maanden rechtvaardigden.
6.Anders kan het worden als de rechter tevens andere factoren meeneemt bij zijn beslissing geen taakstraf op te leggen. Vgl. HR 5 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1592 (tweede middel, art. 81 lid 1 RO Pro) en de voorafgaande conclusie van AG Paridaens (ECLI:NL:PHR:2019:855), alsmede HR 12 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1758 (art. 81 lid 1 RO Pro) en de conclusie van (destijds) AG Bleichrodt (ECLI:NL:PHR:2019:933).
7.Zo is het openbaar ministerie op grond van Kaderbesluit 2008/947/JBZ en de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (WETS) niet verplicht om een rechterlijke uitspraak waarbij een taakstraf is opgelegd aan een andere lidstaat toe te zenden, terwijl voor de door het openbaar ministerie in dit verband te nemen beslissingen onder meer van belang is of die andere lidstaat zich kan beroepen op de in art. 11 van Pro het Kaderbesluit genoemde weigeringsgronden, waaronder die met betrekking tot de (minimale) duur van de taakstraf.
8.Vgl. HR 15 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:46, HR 2 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1066 en HR 23 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:428.
9.Zie de conclusie van AG Spronken (ECLI:NL:PHR:2018:1237) voor HR 15 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:46.
10.HR 23 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:428.
11.Opmerking verdient daarbij wel dat een illegale verblijfstatus niet op zichzelf aan de oplegging van een taakstraf in de weg staat. Vgl. HR 20 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6196.