Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
2 juli 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die in hoger beroep is veroordeeld voor poging tot diefstal door verbreking en medeplegen van erfvredebreuk. Het hof legde een gevangenisstraf van zes weken op en zag af van een taakstraf omdat de verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland had, waardoor afspraken met de Reclassering niet mogelijk zouden zijn.
De verdachte woont in Roemenië en verklaarde tijdens de terechtzitting dat hij naar Nederland was gekomen om hier legaal te werken. Zijn raadsman stelde dat de taakstraf via zijn kantooradres kon worden betekend en dat de verdachte bereid was de consequenties te dragen.
De Hoge Raad oordeelt dat het enkele feit dat de verdachte in een andere EU-lidstaat woont niet in de weg staat aan het opleggen en uitvoeren van een taakstraf in Nederland of elders binnen de EU. Het hof heeft onvoldoende gemotiveerd waarom het niet mogelijk zou zijn om de taakstraf uit te voeren, mede gelet op de verklaring van de verdachte en het toepasselijke juridische kader.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het deel van het arrest dat betrekking heeft op de strafoplegging en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting. Het overige beroep wordt verworpen.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt strafoplegging wegens onvoldoende motivering en wijst zaak terug voor hernieuwde berechting.