ECLI:NL:PHR:2026:50

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
24/02890
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.B OpiumwetArt. 311 lid 1 sub 5 SrArt. 344a lid 3 SvArt. 360 lid 1 SvArt. 360 lid 4 Sv
Verwijzingen
37 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onvoldoende bewijs diefstal elektriciteit bij hennepkwekerij

De verdachte werd door het hof Amsterdam veroordeeld voor het telen van 144 hennepplanten en diefstal van elektriciteit door middel van verbreking. Het hof baseerde de bewezenverklaring op diverse bewijsmiddelen, waaronder een anonieme melding, politieprocessen-verbaal, getuigenverklaringen en technische onderzoeken.

De verdediging voerde onder meer aan dat niet vaststaat dat daadwerkelijk hennepplanten aanwezig waren en dat de verdachte niet betrokken was bij de diefstal van elektriciteit. De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de verdachte de elektriciteit heeft weggenomen, mede omdat aanwijzingen voor betrokkenheid van derden bij de hennepteelt niet zijn besproken.

De Hoge Raad vernietigt het arrest uitsluitend voor het onderdeel diefstal elektriciteit en de strafoplegging, en wijst de zaak terug aan het hof Amsterdam voor hernieuwde berechting. Voor het overige wordt het cassatieberoep verworpen.

Uitkomst: Arrest hof vernietigd voor diefstal elektriciteit en strafoplegging, zaak terugverwezen voor hernieuwde berechting.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/02890
Zitting10 maart 2026
CONCLUSIE
P.H.P.H.M.C. van Kempen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats ] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 25 juli 2024 door het gerechtshof Amsterdam (parketnr. 23-000005-21) wegens “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod” en onder 2 “diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van een maand met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 115 uren subsidiair 57 dagen hechtenis.
1.2
Er bestaat samenhang met de ontnemingszaak tegen de verdachte onder nummer 24/02891. In deze zaak concludeer ik vandaag ook.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. C. Crince Le Roy, advocaat in Amsterdam, heeft vijf middelen van cassatie voorgesteld.

2.Waar het in cassatie om gaat

2.1
Op 29 oktober 2018 is in de woning aan de [a-straat 1] in [plaats] een hennepkwekerij zonder hennepplanten aangetroffen. Het hof heeft vastgesteld dat in de ten laste gelegde periode in deze woning hennep is geteeld, dat de elektriciteit op “evident zichtbare wijze” illegaal werd afgenomen en dat de verdachte de woning in de ten laste gelegde periode heeft ondergehuurd en gebruikt. Het hof heeft het alternatieve scenario van de verdediging niet aannemelijk geacht. De verdachte is veroordeeld wegens het kort gezegd als pleger opzettelijk telen van hennep en het wegnemen van een hoeveelheid elektriciteit door middel van verbreking.
2.2
Het eerste middel brengt naar voren dat het hof zonder motivering voor het bewijs gebruik heeft gemaakt van een schriftelijk bescheid houdende een verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt. Het tweede en derde middel gaan over de verwerping van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat niet blijkt dat zich daadwerkelijk hennepplanten in de woning hebben bevonden. Het vierde middel komt op tegen de bewezenverklaring van diefstal van elektriciteit. Het vijfde middel bevat de klacht dat het verkorte arrest niet tijdig met bewijsmiddelen is aangevuld.
2.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het eerste, tweede, derde en vijfde middel en houdt in dat het vierde middel slaagt.

3.Het eerste middel

3.1
Het middel bevat in essentie de klacht dat het hof zonder motivering voor het bewijs gebruik heeft gemaakt van een schriftelijk bescheid houdende een verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt.
3.2
Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:
“hij, in de periode van 1 juni 2018 tot en met 28 oktober 2018 te [plaats] , opzettelijk heeft geteeld (in een pand aan de [a-straat 1] ) 144 hennepplanten”
3.3
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de aanvulling van het verkorte arrest:

1. Een proces-verbaal van aantreffen hennepkwekerij van 29 oktober 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [doorgenummerde pagina 24].
Dit proces-verbaal houdt in, als
mededeling van verbalisanten (of één of meer van hen):
Op maandag 29 oktober 2018 omstreeks 16:30 uur stelden wij naar aanleiding van
- een MMA melding, d.d. 28 oktober 2018, hennep knippen in [plaats] . Op zondag 28 oktober 2018, rond 13.00 uur, wordt er hennep geknipt in de woning aan de [a-straat 1] in [plaats] . De planten staan in de huiskamer van de woning. De woning staat op naam van een Turkse vrouw. Ze heeft de woning onderverhuurd aan haar neef;
- De huurster van de woning wilde de woning weer in, maar die kennis stelde steeds de datum uit. Zij had nu zelf een sleutelsmid geregeld en de woning open laten maken. Zij trof vervolgens een hennepkwekerij aan zonder planten en heeft vervolgens de politie gebeld;
een onderzoek in op het adres de [a-straat 1] [plaats] , vanwege een verdenking van overtreding van de Opiumwet.
Na het binnentreden zagen wij het volgende: In de “woonkamer” was een zogenaamde henneptent geplaatst. In deze tent waren 9 assimilatielampen opgehangen. Verder was er een koolstoffilter en ventilatoren afwezig. De stroom was illegaal afgetapt. In deze ruimte was een groepen/schakelkast opgehangen. Op de bodem van de tent waren afdrukken te zien van (in totaal) 144 potten.
Alle hennepplanten werden door middel van een irrigatiesysteem van een vloeistof voorzien. In de kweekruimte bevonden zich 2 koolstoffilters. De luchtverversing en luchtafvoer werd geregeld door een aan- en afzuiginstallatie.
Stroomvoorziening
De stroomvoorziening van de hennepkwekerij is onderzocht door een piket monteur van [netwerkbeheerder] , in aanwezigheid van ons, verbalisanten. Hierbij werd geconstateerd dat de stroomvoorziening ten behoeve van de hennepkwekerij illegaal werd afgenomen. Het bleek dat, vanaf de meterkast was aan de achterzijde een dikke stroomkabel gemonteerd, die naar de kweekruimte liep.
Beslag
In beslag genomen:
9 assimilatielampen
1 schakelbord
2 snelheidsregelaars
1 tuinschakelaar
4 transformatoren koper
5 transformatoren aluminium
2 koolstoffilters
3 slakkenhuizen
1 dompelpomp
4 cans groeimiddelen
1 hygro/thermometer
1 weegschaal
4 droogrekken.
2. Een proces-verbaal van bevindingen van 30 oktober 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [doorgenummerde pagina’s 47-48].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, een als
mededeling van verbalisant:
Op maandag 29 oktober 2018, omstreeks 10:00 uur, heb ik naar aanleiding van een anonieme melding van 28 oktober 2018, een onderzoek ingesteld. De inhoud van de melding was dat er in de woning gelegen aan de [a-straat 1] hennep geknipt zou worden en dat de planten in de woonkamer zouden staan.
Volgens de Gemeentelijke basis administratie (gba) bleek dat er op [a-straat 1] te [plaats] een (1) persoon ingeschreven te staan, namelijk:
*** [getuige 1] geboren op [geboortedatum] -1978 te [plaats] ***
Op maandag 29 oktober 2018, omstreeks 15.45 uur, werd ik gebeld door [getuige 1] , met de mededeling dat zij met een sleutelsmid voor de woning ( [a-straat 1] ) stond en graag politieassistentie wil hebben. Kort hierna hoorde ik dat de sleutelsmid de deur had geopend en dat er in de woning een hennepkwekerij aanwezig was.
3. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 14 juli 2023, opgemaakt door de raadsheer-commissaris belast met de behandeling van strafzaken van dit hof.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op voornoemde datum tegenover de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van
[getuige 1]:
U vraagt mij aan wie ik mijn woning heb onderverhuurd. Aan de man die ik ken als [verdachte] .
4. Een proces-verbaal van bevindingen van 29 oktober 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [doorgenummerde pagina’s 27-28].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als
mededeling van verbalisanten (of één of meer van hen):
Op 29 oktober 2018, omstreeks 16.40 uur, waren wij ter plaatse bij de woning op de [a-straat 1] , [plaats] . Wij zagen in de woonkamer een kweektent staan, waarin alle aanwezige apparatuur aanwezig was voor het in stand houden van een hennepkwekerij. Wij zagen aan afdrukken op de vloer dat er 144 potten hebben gestaan.
Wij zagen onder andere 9 assimilatielampen, 2 koolstoffilters, aarde, waterpompinstallatie, vaten met plantenvoeding en diverse elektrische componenten. Wij zagen dat er vanaf de woonkamer, een dikke stroomkabel liep door de muur naar de naastgelegen slaapkamer en dat de kabel daar weer door de muur liep naar de meterkast. In de meterkast was deze kabel niet zichtbaar. Wij zagen dat de kabel onder de elektriciteitsmeter uit zou moeten komen nabij de hoofdzekeringskast. Hierdoor kregen wij het vermoeden dat de stroom werd afgetapt voor de meter.
Ruimte B WC/douche: filter, slakkenhuis, doorvoer slangen naar buiten via achtergevel, watervoorraad in vuilcontainer met slangen en dompelpomp.
5. Een proces-verbaal berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij van 23 oktober 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (digitale pagina 7-8 van het ontnemingsdossier).
Dit proces-verbaal houdt in, als
mededeling van verbalisant:
Kalkafzetting
In de kweekruimte bevond zich kalkafzetting op het zeil op de plaatsen waar eerder de plantenpotten hebben gestaan. Op het grondzeil van de kweekruimte werden 144 afdrukken aangetroffen van plantenpotten die naast elkaar waren opgesteld. Op het grondzeil werd in en rond de afdrukken kalkafzetting aangetroffen, wat er op duidt dat er sprake is geweest van een eerdere oogst.
Stof op koolstoffilters
De aangetroffen koolstoffilters waren in de kwekerij bevestigd middels spanbanden. Het filterdoek van de koolstoffilters was vervuild. Bij het verplaatsen van de bevestiging bleek dat op de plaats(en) waar deze was aangebracht, het filterdoek een aanzienlijk lichtere kleur vertoonde ten opzichte van de kleur van het overige filterdoek. Het is aannemelijk dat de vervuiling van het filterdoek in de kwekerij is opgetreden nadat de koolstoffilters in de kwekerij waren bevestigd. De vervuiling van het filterdoek treedt pas na langere tijd op en wordt veroorzaakt door kleine stofdeeltjes, voornamelijk afkomstig van het droge kweekmedium waarin hennepplanten worden gekweekt. Door de sterke afzuiging van de afgewerkte lucht in de kwekerij, komen deze stofdeeltjes op het filterdoek terecht.
Verpakkingsmaterialen
In de badkamer werden jerrycans aangetroffen waarin groeimiddel heeft gezeten ter bevordering van de groei van onder andere hennepplanten.
6. Een proces-verbaal van aangifte namens [netwerkbeheerder] door [aangever] van 5 april 2019, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [doorgenummerde pagina’s 3-5].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Op 29 oktober 2018 is door [netwerkbeheerder] een onderzoek ingesteld naar de aansluiting in het perceel op de [a-straat 1] .
De monteur zag dat de zegels van de hoofdaansluitkast waren verbroken. Nadat hij het deksel van de aansluitkast had verwijderd, zag hij dat aan de bovenzijde van de zekeringhouders een illegale elektriciteitsaansluiting was gemaakt en dat deze aansluiting buiten de elektriciteitsmeter om liep naar de hennepplantage en deze voorzag van elektriciteit. Door de manipulatie werd de afgenomen elektriciteit ten behoeve van de hennepplantage niet via de elektriciteitsmeter geregistreerd.
Uit het door [netwerkbeheerder] N.V. ingestelde onderzoek is gebleken dat er een hennepplantage was ingericht in bovengenoemd perceel in ieder geval in de periode van 19 augustus 2018 tot 29 oktober 2018.
Naar aanleiding van deze inventarisatie en het door [netwerkbeheerder] N.V. ingestelde onderzoek is door mij een berekening gemaakt waaruit blijkt dat er minimaal 4.516 kWh illegaal is afgenomen (weggenomen) ten behoeve van de hennepplantage (zie bijlage “berekening energieverbruik”).
7. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 15 augustus 2023, opgemaakt door de raadsheer-commissaris belast met de behandeling van strafzaken van dit hof.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op voornoemde datum tegenover de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van [getuige 2] :
U vraagt mij of ik het pand heb gehuurd of ik contact met [getuige 1] daarover heb gehad. Nee, helemaal niet. U vraagt mij of ik wel eens in het pand kwam. Ja, ik kwam wel eens op bezoek bij mijn broer. Ik ben alleen in de woning geweest toen mijn broer daar woonde. U vraagt mij hoelang mijn broer in de woning is geweest, nadat ik voor het laatst op bezoek was. Mijn broer kreeg zijn eerste kind, en daardoor moest hij een grotere woning zoeken. Het kindje was onderweg. In die tijd, toen ik er voor het laatst kwam, was zijn vrouw hoogzwanger en zij zou binnen twee maanden ongeveer bevallen. In die tijd hadden zij al een andere woning. U vraagt mij of de conclusie juist is dat mijn broer kort nadat ik voor het laatst in de woning was, naar een andere woning is gegaan. Ja, dat klopt.
8. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 28 juni 2024.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Mijn eerste kind is geboren in [geboortedatum] 2018.
9. Een proces-verbaal van bevindingen whatsapp gesprek van 25 september 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (digitale pagina’s 19-20 van het ontnemingsdossier).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, Whatsapp berichten tussen [getuige 1] en de verdachte van 31 mei 2018 tot en met 18 september 2018:
Ik zag dat het eerste aan mij getoonde whatsapp gesprek tussen [getuige 1] en [verdachte] een aanvang had op 7 mei 2018 te 21:19 uur. Ik zag dat er diverse gesprekken waren gevoerd in de maanden juni, juli, september en oktober 2018. Ik zag onder meer dat [verdachte] over de whatsapp aan [getuige 1] mededeelde dat er iemand geweest was voor de meter en dat er een andere afspraak moest worden gemaakt voor het nakijken van de gasleiding. Bij het bestuderen van de betreffende whatsapp gesprekken, zag ik dat de [verdachte] op 18 september 2018 te 16:52 een foto van de watermeter van de woning door stuurde met daarop de meterstand. Deze meterstand werd namelijk opgevraagd door Waternet. Daarbij zag ik dat de betreffende foto vanaf de mobiele telefoon van [verdachte] naar het mobiele nummer van [getuige 1] was verzonden.”
3.4
Het hof heeft in het bestreden arrest onder meer het volgende overwogen:

Bewijsoverwegingen
Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat beide tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.
Standpunt verdediging
De raadsman heeft ter terechtzitting van het hof bepleit dat de verdachte van het hem onder 1 en 2 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Niet kan worden vastgesteld dat in de woning daadwerkelijk hennep is geteeld, nu geen hennepplanten of hennepresten zijn aangetroffen. Bovendien woonde de verdachte sinds november 2017 niet meer in de betreffende woning. De raadsman heeft ook naar voren gebracht dat de verklaringen van [getuige 1] ongeloofwaardig en onbetrouwbaar zijn en van het bewijs moeten worden uitgesloten.
Het hof overweegt het volgende.
Bij de politie is op 28 oktober 2018 een anonieme melding binnengekomen dat er diezelfde dag om 13.00 uur in de woning aan de [a-straat 1] in [plaats] hennep wordt geknipt. Volgens deze melding staan de planten in de woonkamer van een woning op naam van een Turkse vrouw die de woning heeft onderverhuurd aan haar neef. De anonieme melder heeft gezien dat twee jonge mannen henneptoppen aan het knippen waren in de woonkamer van die woning. Naar aanleiding van die melding is de politie diezelfde dag bij voornoemde woning gaan kijken, maar trof daar - van buitenaf bekeken - geen verdachte omstandigheden aan.
Op maandag 29 oktober 2018 om 10.00 uur heeft de politie naar aanleiding van voornoemde melding een nader onderzoek ingesteld. Uit een controle in de Basisregistratie Personen bleek dat [getuige 1] daar ingeschreven stond. [getuige 1] heeft later bij de politie en de rechter-commissaris als getuige verklaard dat zij de woning heeft onderverhuurd aan de verdachte.
Diezelfde dag omstreeks 16.00 uur is [getuige 1] met behulp van een slotenmaker de woning binnen gegaan en trof een kweekruimte aan. Zij heeft vervolgens de politie ingelicht. De politie trof in de woning het volgende aan. In een opgestelde tent hingen 9 assimilatielampen en twee koolstoffilters. De luchtverversing en luchtafvoer werd geregeld door een aan- en afzuiginstallatie. Op de bodem van de tent waren afdrukken te zien van (in totaal) 144 potten die in rijen stonden opgesteld. In de badkamer waren het waterreservoir en de dompelpomp aanwezig die de ruimte van de benodigde vloeistof konden voorzien. In die badkamer werden 4 gebruikte jerrycans met groeimiddel aangetroffen. In de woning waren een hygro/thermometer, een weegschaal en 4 droogrekken voorhanden. Door een medewerker van de firma [netwerkbeheerder] NV werd na onderzoek geconstateerd dat elektriciteit illegaal werd afgenomen. Hiertoe was de verzegeling van het deksel van de hoofdaansluitkast verbroken. Vanaf de bovenzijde van de zekeringhouders die zich in de aansluitkast bevonden was een illegale elektriciteitsaansluiting gemaakt. Als een zichtbare stroomkabel liep die aansluiting middels gaten in de muren naar een in de woonkamer geplaatste schakelbord dat de kweekattributen van de benodigde stroom voorzag.
Hoewel geen plantenpotten en (resten van) hennepplanten zijn aangetroffen, gaat het hof er van uit dat in de ten laste gelegde periode in de woning hennep is geteeld. Het hof leidt dit af uit de constatering van de politie dat sprake is van een zogenaamde henneptent en een kweekruimte die is ingericht met hennepattributen, waaronder droogrekken en een weegschaal, en gericht is op het telen van hennepplanten.
Dat ook daadwerkelijk hennep is geteeld maakt het hof op uit het volgende. Op het grondzeil van de henneptent werden 144 afdrukken van plantenpotten aangetroffen. In en rond deze afdrukken was kalkafzetting waarneembaar, wat er volgens de verbalisant erop duidt dat er sprake is geweest van één oogst. Ook was het filterdoek van de koolstoffilters vervuild. Die vervuiling treedt volgens de verbalisant pas na langere tijd op en wordt veroorzaakt door kleine stofdeeltjes afkomstig van het droge kweekmedium waarin hennepplanten worden gekweekt. Bovendien blijkt uit het dossier dat het groeimiddel in de aangetroffen jerrycans is opgebruikt. Ten slotte weegt het hof mee dat een anonieme melder op 28 oktober 2018 heeft gezien dat de toppen van hennepplanten werden afgeknipt in de woonkamer van voornoemde woning.
De door de raadsman opgeworpen mogelijkheid dat sprake kan zijn geweest van de kweek van andere soorten planten of stekken, of dat de aanwezige kwekerij uit tweedehands spullen bestond waarmee in deze woning nog geen planten waren gekweekt, wordt, gelet op wat hiervoor is vermeld, door het hof verworpen.
Alternatief scenario
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat niet hijzelf, maar een persoon genaamd [betrokkene 1] de woning in de ten laste gelegde periode heeft gehuurd en dat [betrokkene 1] dan ook de hennepkwekerij moet hebben aangelegd en geëxploiteerd. De verdachte was wel onderhuurder van de woning, maar zou naar eigen zeggen de woning voor het laatst in november 2017 hebben bewoond en betreden. Nadien zou zijn broer in de woning hebben verbleven, die op zijn beurt vanaf maart 2018 de woning aan [betrokkene 1] zou hebben verhuurd. [betrokkene 1] zou de huur middels zijn broer aan de verdachte hebben betaald die vervolgens de huur aan [getuige 1] voldeed. De verdachte heeft verklaard dat hij sinds november 2017 niet meer over een sleutel van de woning beschikte.
Deze lezing van de verdachte is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden. De verdachte heeft geen gegevens van [betrokkene 1] . De broer van de verdachte heeft als getuige bij de raadsheer-commissaris ontkend de woning te hebben bewoond en onderverhuurd. Hij heeft verklaard dat hij de woning alleen heeft bezocht toen de verdachte daar woonde en zijn laatste bezoek aan de woning was toen de vrouw van de verdachte hoogzwanger was en binnen twee maanden zou bevallen van hun eerste kind. Kort daarna is de verdachte naar een andere woning verhuisd. Ter zitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat zijn eerste kind in augustus 2018 is geboren.
Ook bevat het dossier een aantal tussen de verdachte en [getuige 1] uitgewisselde WhatsApp-berichten in de periode van eind mei tot en met september 2018. Deze berichten, die kennelijk betrekking hebben op afspraken in verband met de gas- en elektriciteitsmeter van de woning, wijzen erop dat de verdachte in die periode nog wel in de woning was. Op 13 mei 2018 bericht hij [getuige 1] ‘(..) ik had gebelt ze zijn niet langs geweest ik was wel thuis’. Op 18 september 2018 stuurt hij [getuige 1] een foto van de watermeterstand in de woning.
Gelet op het voorgaande en de bewijsmiddelen, in samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de verdachte gedurende de ten laste gelegde periode de onderhuurder en gebruiker was van de woning en de hennepkwekerij exploiteerde. Tevens volgt uit bewijsmiddelen dat ten behoeve van het telen van de hennepplanten de stroom op evident zichtbare wijze illegaal werd afgenomen.
Nu uit het dossier of uit het verhandelde ter terechtzitting niet blijkt dat de verdachte de feiten samen met anderen heeft gepleegd, wordt hij van medeplegen ten laste gelegd onder feit 1 en 2 vrijgesproken.”
3.5
Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Op grond van art. 344a lid 3 Sv kan een schriftelijk bescheid houdende de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt – en die niet is aangemerkt als bedreigde of afgeschermde getuige – alleen voor het bewijs worden gebruikt als aan twee voorwaarden is voldaan. De bewezenverklaring moet in belangrijke mate steun vinden in andersoortig bewijsmateriaal (art. 344a lid 3 aanhef en onder a Sv). Daarnaast moet niet door of namens de verdachte op enig moment in het geding de wens te kennen zijn gegeven om deze persoon te (doen) ondervragen (art. 344a lid 3 aanhef en onder b Sv). De rechter moet het gebruik voor het bewijs van een schriftelijk bescheid waarin de verklaring van een anoniem persoon is opgenomen op straffe van nietigheid nader motiveren (art. 360 lid 1 en Pro 4 Sv [1] ). Aan deze nadere motiveringsplicht wordt voldaan wanneer de rechter (i) vermeldt dat aan de zojuist genoemde eisen van art. 344a lid 3 Sv is voldaan en (ii) ervan blijk geeft de betrouwbaarheid van de anonieme verklaring zelfstandig te hebben onderzocht. [2]
3.6
In de onderhavige zaak wordt geklaagd dat niet is voldaan aan dit motiveringsvereiste van art. 360 lid 1 Sv Pro. Aangevoerd wordt dat het hof voor het bewijs gebruik heeft gemaakt van een anonieme melding zonder dit te motiveren. De inhoud van de anonieme melding zou geen betrekking hebben op een omstandigheid die in het licht van de gehele bewijsvoering van zo ondergeschikte aard moet worden geacht dat het verzuim nader te motiveren niet afdoet aan de toereikendheid van de bewijsmotivering. Alleen uit de anonieme melding zou immers volgen dat daadwerkelijk sprake is geweest van hennep in de woning. De bewezenverklaring zou daarmee in zeer grote mate op de inhoud van de anonieme melding leunen.
3.7
Het hof heeft twee processen-verbaal van de politie voor het bewijs gebruikt waarin informatie wordt weergegeven die een onbekend gebleven persoon door een melding aan de politie heeft verstrekt (bewijsmiddel 1 en 2). Het gaat volgens bewijsmiddel 1 om een zogenoemde “Meld Misdaad Anoniem-melding” (MMA-melding). Deze processen-verbaal moeten mijns inziens worden aangemerkt als een schriftelijk bescheid als bedoeld in art. 344a lid 3 Sv. [3] Het hof heeft in strijd met art. 360 lid 1 Sv Pro nagelaten het gebruik van deze processen-verbaal nader te motiveren.
3.8
Dit verzuim hoeft mijns inziens in dit geval echter niet tot cassatie te leiden vanwege een gebrek aan belang. Anders dan de steller van het middel kennelijk meent, is de bewezenverklaring mijns inziens namelijk ook toereikend gemotiveerd wanneer de door de onbekend gebleven persoon verstrekte informatie uit de bewijsvoering zou worden weggelaten. [4] Ik licht dat toe.
3.9
De anonieme melding houdt blijkens bewijsmiddel 1 en 2 in dat op zondag 28 oktober 2018 rond 13.00 uur hennep werd geknipt in de woning aan de [a-straat 1] in [plaats] , dat de planten in de huiskamer van de woning staan, dat de woning op naam staat van een Turkse vrouw en dat zij de woning heeft onderverhuurd aan haar neef.
3.1
Uit bewijsmiddel 2 en 3 blijkt (respectievelijk) dat de woning aan de [a-straat 1] op naam stond van [getuige 1] en dat zij haar woning had onderverhuurd aan “ [verdachte] ”. Dat er in deze woning in de ten laste gelegde periode hennep is geteeld blijkt behalve uit de anonieme melding ook uit de omstandigheid dat (i) op het grondzeil van de henneptent 144 afdrukken van plantenpotten werden aangetroffen, terwijl in en rond deze afdrukken kalkafzetting waarneembaar was, wat erop duidt dat sprake is geweest van een oogst (bewijsmiddel 1, 4 en 5), (ii) het filterdoek van de koolstoffilters was vervuild, terwijl die vervuiling pas na langere tijd optreedt en wordt veroorzaakt door kleine stofdeeltjes afkomstig van het droge kweekmedium waarin hennepplanten worden gekweekt (bewijsmiddel 5) en (iii) het groeimiddel in de aangetroffen jerrycans was opgebruikt (bewijsmiddel 5). Nog verdere ondersteuning biedt de vaststelling door het hof dat in de woning sprake was van een illegale elektriciteitsaansluiting van waaruit de kweekattributen van stroom werden voorzien (bewijsmiddel 1, 4 en 6) en dat daarmee een hoeveelheid elektriciteit is weggenomen (bewijsmiddel 6) (daaraan doet niet af dat de bewijsvoering tekortschiet, zoals verderop aan de orde komt bij de bespreking van het vierde middel, voor zover die inhoudt dat het de verdachte was die zich schuldig heeft gemaakt aan de diefstal van elektriciteit [5] ). Ten overvloede wijs ik er nog op dat door de verdediging geen scenario – laat staan een aannemelijk scenario – uiteen is gezet op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen dat hetgeen is aangetroffen niet in verband stond met een hennepkwekerij.
3.11
Het middel is tevergeefs voorgesteld.

4.Het tweede en derde middel

4.1
Het tweede middel houdt in dat het hof het verweer van de verdediging “dat onvoldoende kan worden vastgesteld dat 144 hennepplanten in de woning aanwezig zijn geweest (en geteeld)” heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen, althans dat de bewezenverklaring van feit 1 in zoverre ontoereikend is gemotiveerd. In het bijzonder wordt geklaagd dat de verdediging erop heeft gewezen dat slechts afdrukken van potten zijn gevonden en [netwerkbeheerder] juist heeft vastgesteld “dat geen sprake is geweest van stof of kalkresten”. Het derde middel behelst de klacht dat het hof onvoldoende heeft gereageerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat “niet kan worden vastgesteld dat 144 hennepplanten zijn geteeld”, althans dat “uit bevindingen van [netwerkbeheerder] volgt dat geen kweekresten zoals kalk- of stofresten zijn gevonden”. De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking aangezien zij in de kern over hetzelfde standpunt van de verdediging gaan.
4.2
Voordat ik de middelen bespreek merk ik op dat in de schriftuur niet eenduidig is omschreven wat het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt inhoudt waarover het derde middel gaat. De schriftuur bevat de vetgedrukte kop “MIDDEL IIII – niet dan wel onvoldoende gereageerd op uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat niet kan worden vastgesteld dat 144 hennepplanten zijn geteeld en het hof heeft geen acht geslagen op de bevindingen van [netwerkbeheerder] ”. De alinea hierna betreft kennelijk de weergave van het middel. In deze alinea staat onder meer: “doordat het gerechtshof is gekomen tot een bewezenverklaring van hennepteelt van 144 planten en niet dan wel onvoldoende gereageerd heeft op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat uit bevindingen van [netwerkbeheerder] juist volgt dat geen kweekresten zoals kalk- en stofresten zijn gevonden in tegenstelling wat door de politie wordt geverbaliseerd, zodat vrijspraak diende te volgen bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.” In de toelichting op het middel is het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt omschreven als “dat onvoldoende is komen vast te staan dat daadwerkelijk 144 hennepplanten in de woning hebben gestaan en dat sprake zou zijn geweest van telen”, evenals “dat uit het dossier – en dus concreet uit de bevindingen van [netwerkbeheerder] die stellen dat geen sprake was van stof- en kalkresten – dus volgt dat geenszins sprake is geweest van een eerdere kweek en zodoende niet gezegd kan worden dat feitelijk hennep aanwezig is geweest en dat 144 hennepplanten zijn geteeld”. Met een welwillende lezing neem ik aan dat het middel beoogt te klagen over het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat niet kan worden vastgesteld dat 144 hennepplanten zijn geteeld. Dat uit bevindingen van [netwerkbeheerder] volgt dat geen kweekresten zoals kalk- en stofresten zijn gevonden is kennelijk een argument ten behoeve van dit standpunt.
4.3
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 28 juni 2024 blijkt dat de raadsman van de verdachte op deze terechtzitting het woord tot verdediging heeft gevoerd aan de hand van zijn overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnotities. Deze pleitnotities houden onder meer in:

Primair standpunt verdediging t.a.v. feit I strafzaak: geen sprake van telen, bewerken, bereiden, verwerken, aanwezig hebben van hennep
4. Als we heel kritisch naar het dossier kijken dan kan niet met voldoende mate van zekerheid gezegd worden dat daadwerkelijk hennep aanwezig is geweest in de woning. De politierechter maakt een misslag door te oordelen dat er 144 potten zijn aangetroffen (p. 6 proces-verbaal ter terechtzitting eerste aanleg). Er zijn slechts 144 afdrukken op zijl gevonden. Dat is iets heel anders.
5. We hebben simpelweg te weinig informatie over de concrete stand van zaken van de kwekerij op het moment dat de politie binnenvalt op 29 oktober 2018. Dat de gevonden spullen gebruikt kunnen worden voor het kweken van hennep moge duidelijk zijn maar we hebben geen idee in welke fase men zat. Heeft men de kwekerij net opgebouwd en is men dus bezig met de voorbereiding (wat niet ten laste is gelegd)? Zijn er potten neergezet en weer weggehaald om wat voor reden dan ook? Feitelijk kunnen we niet eens stellen dan er daadwerkelijk potten hebben gestaan. De vervolgvraag blijft echter of ze al gevuld waren. Was men daar al aan toegekomen?
6. Er ligt onvoldoende om te zeggen dat sprake is geweest van een volledige kweekcyclus van 2 of 3 maanden op het moment dat aangeefster eind oktober 2018 in de woning verschijnt. Aangeefster stelt voor het laatst omstreeks mei/juni 2018 in de woning te zijn geweest. Daarna kan zij er niets over zeggen. Opvallend is dat ondanks een vage MMA melding over knippen in de woning op 28 oktober 2018 de woning min of meer brandschoon is. Geen resten van het knippen van hennep zoals we dat altijd zien in hennepdossiers waar net geknipt is, geen droogrekken, geen voorwerpen waarmee geknipt kan worden, en ook heeft [netwerkbeheerder] genoteerd dat geen sprake is geweest van stof of kalkresten (p. 11 dossier).
7. Goed mogelijk is dat degene die de hennep gerelateerde spullen heeft geïnstalleerd om wat voor reden dan ook de stekker eruit heeft getrokken en dat zodoende nooit daadwerkelijk iets gebeurd is met hennep in de woning.
8. Gelet op het voorgaande wil ik u vragen cliënt vrij te spreken bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.”
4.4
Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld:
“De rechter die over de feiten oordeelt, beslist wat hij van het beschikbare bewijsmateriaal betrouwbaar en bruikbaar vindt en aan welk bewijsmateriaal hij geen waarde toekent. De feitenrechter hoeft deze beslissingen over de selectie en waardering van het bewijsmateriaal niet te motiveren. Dat is anders in een aantal specifieke gevallen, onder meer wanneer door of namens de verdachte een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen ten aanzien van het gebruikte bewijsmateriaal. Hoe ver die motiveringsplicht gaat, hangt onder meer af van de inhoud en indringendheid van de argumenten die zijn aangevoerd. Die motiveringsplicht gaat niet zo ver dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan. (Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130.)” [6]
4.5
Van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is pas sprake wanneer het standpunt duidelijk, door argumenten onderbouwd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van de feitenrechter naar voren is gebracht. [7] De in dat geval vereiste nadere motivering door de rechter kan ook besloten liggen in de voor het bewijs gebruikte bewijsmiddelen of in een aanvullende bewijsoverweging. [8]
4.6
Het namens de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep ingenomen standpunt dat “niet met voldoende mate van zekerheid gezegd kan worden dat daadwerkelijk hennep aanwezig is geweest in de woning” kan in samenhang met hetgeen de verdediging daartoe heeft ingebracht naar mijn oordeel niet anders worden begrepen dan als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Over de bevindingen van [netwerkbeheerder] heeft de verdediging niet meer opgemerkt dan: “ook heeft [netwerkbeheerder] genoteerd dat geen sprake is geweest van stof of kalkresten (p. 11 dossier)”. Dit moet mijns inziens worden opgevat als een argument ter onderbouwing van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat niet blijkt dat daadwerkelijk hennep aanwezig is geweest in de woning en het kan niet als een zelfstandig uitdrukkelijk onderbouwd standpunt worden beschouwd. Het betreft immers slechts een bijzin die dienstig is aan het eerder genoemde standpunt en van een onderbouwing met argumenten van dit standpunt is geen sprake.
4.7
Het hof is van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat “niet met voldoende mate van zekerheid gezegd kan worden dat daadwerkelijk hennep aanwezig is geweest in de woning” afgeweken door bewezen te verklaren dat de verdachte in de periode van 1 juni 2018 tot en met 28 oktober 2018 in de woning aan de [a-straat 1] opzettelijk 144 hennepplanten heeft geteeld.
4.8
Het hof heeft in zijn bewijsoverwegingen toegelicht op grond waarvan het tot de vaststelling komt dat in de ten laste gelegde periode in de woning hennep is geteeld. Ten eerste heeft het hof erop gewezen dat sprake was van een zogenaamde henneptent en een kweekruimte die is ingericht met hennepattributen, waaronder droogrekken en een weegschaal, en gericht is op het telen van hennepplanten. Ten tweede heeft het hof in dit verband vastgesteld dat op het grondzeil van de henneptent 144 afdrukken van henneppotten werden aangetroffen en in en rond deze afdrukken kalkafzetting waarneembaar was, wat erop duidt dat sprake is geweest van een oogst. Deze vaststelling heeft het hof gebaseerd op de inhoud van het proces-verbaal berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij van 23 oktober 2019 (bewijsmiddel 5). Het hof heeft dus kennelijk meer waarde gehecht aan dit proces-verbaal dan aan de bevindingen van [netwerkbeheerder] . Gezien de selectie- en waarderingsvrijheid van de feitenrechter mocht het hof dit doen en vergde dit ook geen motivering, aangezien de verdediging over dit bewijsmiddel geen zelfstandig uitdrukkelijk onderbouwd standpunt heeft ingenomen. Ten derde heeft het hof in aanmerking genomen dat het filterdoek van de koolstoffilters vervuild was, terwijl die vervuiling pas na langere tijd optreedt en wordt veroorzaakt door kleine stofdeeltjes afkomstig van het droge kweekmedium waarin hennepplanten worden gekweekt. Tot slot heeft het hof acht geslagen op de anonieme melding dat op 28 oktober 2018 is gezien dat de toppen van hennepplanten werden afgeknipt in de woonkamer van de woning. Direct voorafgaande aan deze vaststellingen heeft het hof overwogen – zo merk ik ook hier ten overvloede op – dat na onderzoek werd geconstateerd dat elektriciteit illegaal werd afgenomen en dat via een illegale elektriciteitsaansluiting de kweekattributen van de benodigde stroom werden voorzien terwijl de bewijsvoering inhoudt dat daarmee een hoeveelheid elektriciteit is weggenomen (bewijsmiddel 6). Hieruit kan worden afgeleid dat die op elektriciteit functionerende kweekattributen in werking zijn geweest.
4.9
Gelet op deze vaststellingen acht ik het niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat in de ten laste gelegde periode in de woning hennep is geteeld en dat het daarbij ging om 144 hennepplanten. Hiermee heeft het hof in toereikende mate gereageerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt en is de bewezenverklaring toereikend gemotiveerd.
4.1
De middelen falen.

5.Het vierde middel

5.1
Het vierde middel luidt dat de bewezenverklaring van de onder 2 ten laste gelegde diefstal van elektriciteit ontoereikend is gemotiveerd.
5.2
Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 1 juni 2018 tot en met 28 oktober 2018 te [plaats] , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (uit een pand aan de [a-straat 1] ) een hoeveelheid elektriciteit, toebehorende aan [netwerkbeheerder] N.V., waarbij verdachte, die weg te nemen elektriciteit onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking”.
5.3
De door het hof gebruikte bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen zijn reeds weergegeven onder 3.3 en 3.4.
5.4
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 28 juni 2024 blijkt dat de verdachte daar onder meer de volgende verklaring heeft afgelegd:
“Ik heb in het huis op de [a-straat] gewoond. Ik woonde ruim vóór de ten laste gelegde periode in het huis. In 2017 heb ik in detentie gezeten. Nadat ik vrijkwam ben ik getrouwd en verhuisd. De laatste keer dat ik in het huis woonde was ongeveer zes tot zeven maanden voor de ten laste gelegde feiten. Ik heb de woning op de [a-straat] verlaten omdat mijn vrouw zwanger was. Toen ben ik verhuisd naar de [b-straat] . Sinds november 2017 woon ik niet meer in de woning op de [a-straat] . Mijn eerste kind is geboren in augustus 2018.
Nadat ik verhuisd ben heeft mijn broer een paar maanden in het huis gewoond. Ik heb de huur namens mijn broer aan [getuige 1] betaald. Soms betaalde ik de huur contant, soms via bankstortingen. Ik heb een keer toen ik de huur naar [getuige 1] bracht met haar besproken dat mijn broer in de woning zou trekken. Ik had geen huurcontract met [getuige 1] . [getuige 1] en ik hadden alleen afspraken gemaakt over de hoogte van de huur en dat ik niet jaren in de woning zou blijven wonen. Dat was ik ook niet van plan. U, voorzitter, houdt mij voor dat mijn broer heeft verklaard dat hij de woning nooit gehuurd heeft. Misschien heeft mijn broer dat verklaard omdat hij bang was dat hij anders vervolgd zou worden.
Mijn broer heeft een paar maanden in het huis op de [a-straat] gewoond. Toen mijn broer verhuisde heeft hij de woning doorgegeven aan een vriend die uit België kwam en die hij kent uit de buurt. Dit was kort voor de ten laste gelegde periode. Van mijn broer weet ik alleen dat de nieuwe bewoner van het huis [betrokkene 1] heet en dat zij contact onderhielden via Telegram. Ik weet dat [betrokkene 1] een gezin zou hebben. Ik heb verder geen details. Mijn broer en ik hadden allebei geen huurcontract met [betrokkene 1] . [betrokkene 1] betaalde de huur aan mijn broer, die gaf het geld aan mij en ik gaf het aan [getuige 1] .
Het bewijs dat [betrokkene 1] echt bestaat is dat de verhuurder mij en [betrokkene 1] heeft gezien toen de Smartmeter werd geïnstalleerd. Het klopt niet dat [getuige 1] heeft verklaard dat ik de woning niet terug wilde geven. Ik heb de sleutel van de woning aan mijn broer gegeven. Vanaf februari of maart 2018 had ik geen toegang meer tot de woning. Ik weet niet of mijn broer nog toegang had tot de woning toen [betrokkene 1] er in woonde.
Ik was niet altijd het tussenpersoon tussen [getuige 1] en mijn broer en [betrokkene 1] . Soms deed mijn broer zelf het geld in de brievenbus, soms deed ik het. [getuige 1] wist dat mijn broer in de woning zat. Het was aan hem om de sleutel terug te geven. Als ik had geweten dat het zo zou lopen had ik wel ingegrepen. Maar destijds wilde ik me er niet mee bemoeien. Ik wist niet dat het slot was veranderd.
Het openbaar ministerie zou bij mijn broer moeten zijn voor de persoonsgegevens van [betrokkene 1] . Mijn broer vertelde dat hij [betrokkene 1] daarna nooit meer heeft gezien.
Ik weet niet of [getuige 1] wist dat er een andere huurder in de woning zat. Ik heb dat niet tegen haar gezegd. Ik heb tegen mijn broer gezegd dat [getuige 1] een aquarium in de woning wilde zetten. Hij heeft dat aan [betrokkene 1] laten weten en dat heb ik weer aan [getuige 1] teruggekoppeld. Ik was niet één van de jongens die hennepplanten getopt heeft in de woning. Ik weet niets af van de diefstal van stroom.
U, jongste raadsheer, houdt mij voor dat mijn vader tegen [getuige 1] heeft gezegd dat zij de politie niet in de woning moest laten. Ik ben er niet bij geweest, maar ik kan mij niet voorstellen dat mijn vader zoiets gezegd zou hebben.
[…]
Ik heb ongeveer twee jaar in de woning aan de [a-straat] gewoond.”
5.5
Verder blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 28 juni 2024 dat de raadsman van de verdachte op deze terechtzitting het woord tot verdediging heeft gevoerd aan de hand van zijn overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnotities. Deze pleitnotities houden onder meer in:

Subsidiair standpunt verdediging t.a.v. feit I strafzaak: cliënt geen bemoeienis/alternatief scenario valt niet uit te sluiten
9. Indien u het voorgaande niet volgt dan meent de verdediging subsidiair dat onvoldoende is vast komen te staat dat cliënt een rol heeft gespeeld bij de hennepkwekerij en dat er indicaties zijn dat anderen dan cliënt verantwoordelijk zijn voor hetgeen gevonden op 29 oktober 2018 en dat daarnaast [getuige 1] onbetrouwbaar is zodat we niet blind kunnen verklaren op haar verklaringen.
10. Cliënt heeft vandaag ter terechtzitting verklaard dat hij de woning jarenlang gehuurd heeft van [getuige 1] en dat hij op een gegeven moment uit de woning vertrok en dat zijn broertje er toen in heeft gezeten en na zijn broertje heeft de Marokkaanse jongen via zijn broertje (zoals we die een paar keer tegen komen in het dossier) de woning betrokken.
11. Cliënt stelt zich op het standpunt dat hij al ruim voor de inval was vertrokken uit de woning in het eerste of tweede kwartaal van 2018. Omdat cliënt altijd gewoon de huur contant betaalde op verzoek van [getuige 1] is hij dat in de periode na zijn vertrek blijven doen. Cliënt ontving op zijn beurt het geld van zijn broertje en daarna van de Marokkaanse jongen. Dat cliënt de Marokkaanse jongen niet bij volledige naam en achternaam, geboortedatum etc. kan noemen is niet relevant nu het niet cliënt is die een woning had verhuurd, maar [getuige 1] en cliënt meent dat [getuige 1] steeds op de hoogte was van wie er op welk moment in de woning verbleef. Dat cliënt dan als aanspreekpunt voor haar fungeert is puur omdat dat jarenlang het geval is geweest.
[…]
21. We kunnen simpelweg niet stellen dat cliënt in de relevante periode in de woning heeft gewoond. Mevrouw heeft nog een chatgesprek in een Word document aangeleverd. De verdediging kan niet stellen dat het document bewerkt is, maar volstaat met de opmerking dat het mogelijk is nu het een word document betreft.
22. Het chatgesprek toont niet aan dat cliënt op 17 september 2018 in de woning was. Ik doel op het door [getuige 1] getoonde chatgesprek waarin cliënt op 17 september 2018 een foto zou hebben gestuurd naar haar van de meterkast. De politie verbaliseert dat het zeer aannemelijk is dat cliënt in de woning was om een foto te maken (p. 20 ontnemingsdossier).
23. Het fotonummer zegt echter niets. De foto is niet gevonden op een telefoon van cliënt. In dat geval zou je aan de hand van de eigenschappen van de foto kunnen zien waar en wanneer de foto gemaakt is met het betreffende toestel. Cliënt kan dus heel goed de foto van een ander hebben ontvangen die op dat moment in de woning verbleef en deze vervolgens naar [getuige 1] hebben gestuurd. Een scenario dat niet valt uit te sluiten. De politie verbaliseert nog over het betreffende Whatsapp gesprek:
‘Daarbij zag ik dat de betreffende foto vanaf de mobiele telefoon van [verdachte] naar het mobiele nummer van [getuige 1] was verzonden’.Ook deze conclusie is niet houdbaar nu je ook gebruik kan maken van Whatsapp via een computer met internetverbinding en de foto dus niet gestuurd hoeft te zijn via de mobiele telefoon van cliënt.
24. Wat daar ook allemaal van zij, aanwezigheid in de woning in de relevante periode kan niet dan wel onvoldoende worden hard gemaakt. Over zijn wetenschap wat zich in de woning afspeelde in de relevante periode kunnen we niets zeggen. We kunnen verder niet blind varen op de verklaringen van [getuige 1] en gelet op de verklaring van cliënt over het vertrekken uit de woning en dat zowel zijn broertje als de Marokkaanse jongen na hem in de woning hebben verbleven is onvoldoende vast komen te staan dat cliënt zich schuldig heeft gemaakt aan enige handeling zoals ten laste gelegd onder feit I.
25. Er is teveel twijfel en andere scenario's zijn mogelijk. Bij twijfel dient dat in het voordeel van een verdachte te worden uitgelegd. Ook is de verklaring van cliënt niet in strijd met de bewijsmiddelen.
26. Verder zou nog een scenario open kunnen staan dat cliënt enkel de woning die hij al in onderhuur had ter beschikking heeft gesteld wat duidt op typische medeplichtigheid wat dan weer niet ten laste is gelegd.
27. De verdediging meent dat zodoende wettig en overtuigend bewijs ontbreekt. Met name de overtuiging ontbreekt in ogen van de verdediging. Redenen waarom ik u wil vragen cliënt vrij te spreken.
Standpunt verdediging t.a.v. feit II: vrijspraak bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs
28. Gelet op hetgeen bepleit onder feit I meent de verdediging - nu cliënt dus al lang de woning had verlaten en we onvoldoende aanwijzingen zien dat cliënt wetenschap had van wat zich in de woning afspeelde - vrijspraak dient te volgen t.a.v. feit II bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. Indien u meent dat cliënt wel betrokken is geweest bij de kwekerij dan volgt uit de jurisprudentie dat de omstandigheid dat iemand betrokken is bij een hennepkwekerij onvoldoende is om alleen op basis daarvan te stellen dat diegene zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van elektriciteit (Zie ECLI:NL:HR:2019:1545, ECLI:NL:HR:2021:41 en ECLI:NL:GHAMS:2016:2821).
29. In het dossier zien we niets terug over handelingen m.b.t. het buiten de meter om afnemen van elektriciteit. Laat staan dat we handelingen van cliënt zien. Redenen waarom ik u wil vragen cliënt vrij te spreken t.a.v. feit II bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.”
5.6
In de toelichting op het middel wordt geklaagd dat uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen niets blijkt over concrete uitvoeringshandelingen van de verdachte. Uit de bewijsmiddelen zou dus niet volgen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van stroom. Het hof zou niet hebben vastgesteld “op welke wijze requirant de stroom zou hebben weggenomen”. De bewezenverklaring is daarom volgens de steller van het middel ontoereikend gemotiveerd.
5.7
Voor de beoordeling van het middel is van belang dat de Hoge Raad in zijn arrest van 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:511,
NJ2021/347 m.nt. Vellinga, r.o. 2.4 onder meer het volgende heeft overwogen: [9]
“In gevallen als het onderhavige, waarin het aantreffen van een hennepkwekerij gepaard gaat met het aantreffen van aanwijzingen dat de elektriciteit die wordt gebruikt voor die kwekerij, kort gezegd, ‘buiten de meter om’ wordt afgenomen, en de verdachte op die grond (ook) de diefstal van elektriciteit wordt verweten, verdient die diefstal zelfstandige aandacht in de bewijsvoering. De betrokkenheid van de verdachte bij de teelt van hennep brengt immers op zichzelf nog niet mee dat hij zich ook schuldig maakt aan het opzettelijk wegnemen van de daarbij gebruikte elektriciteit (vgl. HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:390). Bij die bewijsvoering kan onder meer het volgende van belang zijn. Onder ‘wegnemen’ van een goed als bedoeld in artikel 310 van Pro het Wetboek van Strafrecht moet worden verstaan het zich verschaffen van de feitelijke heerschappij over het goed dan wel het aan de feitelijke heerschappij van de rechthebbende onttrekken van dat goed. Elektriciteit wordt in deze zin pas ‘weggenomen’ door het verbruik ervan door apparaten of installaties die zijn aangesloten op het elektriciteitsnet (vgl. HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3361). Dat als algemeen uitgangspunt kan gelden dat een rechthebbende weet wat zich in zijn pand bevindt dan wel wat zich daar afspeelt, volstaat doorgaans niet voor het bewijs van het opzettelijk wegnemen van de elektriciteit. Wel kunnen concrete gedragingen van de verdachte waaruit zijn betrokkenheid bij die teelt blijkt en de omstandigheden waaronder die teelt plaatsvond, meebrengen dat (het niet anders kan zijn dan dat) de verdachte zich ook heeft schuldig gemaakt aan het wegnemen van de daarbij gebruikte elektriciteit (vgl. HR 9 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:554).”
5.8
Het enkele illegaal aansluiten of zijn aangesloten van een elektriciteitsvoorziening impliceert op zichzelf nog niet, zo volgt ook uit HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3361, r.o. 2.6 dat sprake is van het wegnemen van elektriciteit in de zin van art. 310 Sr Pro. Het wegnemen van elektriciteit vereist dat opzettelijk van die aansluiting gebruik wordt gemaakt doordat het apparaat dat via de illegale aansluiting van stroom wordt voorzien in werking wordt gesteld. [10]
5.9
De enkele betrokkenheid van een verdachte bij de teelt van hennep is ook onvoldoende voor een bewezenverklaring van diefstal van elektriciteit. [11] Dat een verdachte bijvoorbeeld de huurder is van een pand waarin hennep wordt gekweekt, en weet heeft van de kwekerij en weet dat elektriciteit wordt gestolen, is – zonder nadere concretisering van de door de verdachte verrichte handelingen – ontoereikend voor een bewezenverklaring van diefstal van elektriciteit. [12] De betrokkenheid mag dus niet te indirect zijn.
5.1
Bovendien worden aan het bewijs van de betrokkenheid zekere vereisten gesteld. In de zaak die in HR 15 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:852,
NJ2021/348 m.nt. Vellinga voorlag, had de verdachte verklaard dat hij de huurder was van een pand waarin een hennepkwekerij was aangetroffen, maar dat niet hij maar een onderhuurder de hennepkwekerij exploiteerde. Het hof oordeelde dat het laatste deel van verdachtes verklaring ongeloofwaardig was, nu de verdachte enkel een onbereikbaar telefoonnummer van die onderhuurder had aangedragen. De Hoge Raad vernietigde het arrest en overwoog dat het “enkele oordeel van het hof dat de door hem als bewijsmiddel gebruikte verklaring van de verdachte over een onderhuurder onvoldoende verifieerbaar is”, niet volstaat. [13]
5.11
Ook in de zaak van HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:390 schoot de bewijsvoering tekort. Door het hof was onder meer overwogen dat vaststaat dat de verdachte beschikking had over de woning waarin de hennepteelt plaatsvond en dat hij wist dat daarin hennep werd geteeld, dat het dossier geen aanwijzingen bevat dat andere personen dan de verdachte bij de hennepkwekerij betrokken waren en dat is komen vast te staan dat de hennepkwekerij buiten de meter om van elektriciteit werd voorzien en dat het gelet op de hierboven omschreven omstandigheden aan de verdachte is om te verklaren waarom hij niet verantwoordelijk zou kunnen worden gehouden voor het illegaal afnemen van de elektriciteit ten behoeve van de door de verdachte geëxploiteerde hennepkwekerij. De Hoge Raad oordeelde dat niet zonder meer uit de gebezigde bewijsvoering kan worden afgeleid dat de verdachte elektriciteit heeft “weggenomen”. De Hoge Raad volgde daarmee A-G Knigge, die in randnummers 3.9 en 3.10 van zijn conclusie onder meer opmerkte:
“Uit de bewijsmiddelen blijkt niet dat de verdachte de (enige) bewoner was van de desbetreffende woning en evenmin dat hij in het bezit was van de sleutel van die woning en al helemaal niet dat alleen de verdachte het in die woning voor het zeggen had. Het moge zo zijn dat, zoals het hof overweegt, het dossier geen aanwijzingen bevat dat andere personen dan de verdachte bij de hennepkwekerij betrokken waren, maar dat zegt mogelijk meer over het dossier dan over de feitelijke gang van zaken. Bewijsmiddelen die maken dat het voor hoogst onwaarschijnlijk moet worden gehouden dat andere personen bij de kwekerij betrokken waren, zijn door het hof in elk geval niet aangedragen. Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen kan dan ook niet de conclusie worden getrokken dat de verdachte de […] hennepplanten helemaal in zijn eentje heeft geteeld. […] Dit tekort aan bewijs kan niet worden gecompenseerd door de nadere bewijsoverwegingen van het hof. Die overwegingen vormen in feiten een miskenning van de bewijseisen die de Hoge Raad in zaken als de onderhavige stelt. Het is niet aan de verdachte om te verklaren waarom hij niet verantwoordelijk zou kunnen worden gehouden voor het illegaal afnemen van elektriciteit.”
5.12
Maar de uit de sterk casuïstische rechtspraak blijkende grens tussen een toereikende en tekortschietende bewijsvoering voor diefstal door een verdachte van elektriciteit ten behoeve van hennepteelt ligt nogal subtiel. In elk geval maakt die rechtspraak ook duidelijk dat wanneer uit de bewijsvoering blijkt dat een hennepkwekerij door de verdachte alleen is opgezet, ingericht en onderhouden terwijl die hennepkwekerij was voorzien van een illegale elektriciteitsaansluiting, daaruit in beginsel wel de conclusie worden getrokken dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte ook degene is geweest die de elektriciteit heeft weggenomen. [14] De bewijsvoering mag dan geen aanwijzingen bevatten dat anderen ook wezenlijk betrokken waren bij de hennepkwekerij. [15] Tegelijkertijd hoeft het enkele feit dat in de bewijsvoering een derde terugkomt niet zonder meer aan een bewezenverklaring in de weg te staan. [16] In dit verband lijkt belang toe te komen aan wat de verdediging heeft aangevoerd over de betrokkenheid van de verdachte en derden bij de hennepteelt en/of de diefstal van elektriciteit, [17] evenals aan de nauwkeurigheid en consistentie van de bewijsvoering als geheel. [18] Wanneer de rechter het onaannemelijk vindt dat anderen betrokkenheid hadden bij de hennepkwekerij mag de bewijsvoering geen indicaties voor een dergelijke betrokkenheid bevatten. Als de rechter van oordeel is dat de betrokkenheid van derden niet kan worden uitgesloten, kan geen veroordeling wegens het zelf telen van hennep en/of het wegnemen van elektriciteit volgen zonder direct bewijs van handelingen van de verdachte omtrent de teelt respectievelijk de diefstal. [19]
5.13
In de onderhavige zaak is bewezenverklaard dat het de verdachte is geweest die elektriciteit met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen waarbij hij die weg te nemen elektriciteit onder zijn bereik heeft gebracht door verbreking. Meer precies gaat het er daarbij om dat de verdachte dit heeft gedaan door de verzegeling van het deksel van de hoofdaansluitkast te verbreken, een illegale elektriciteitsaansluiting buiten de elektriciteitsmeter om te maken en apparaten (elektrische kweekattributen) te gebruiken.
5.14
Uit de bewijsvoering blijkt het volgende. Op 29 oktober 2018 is in de woning aan de [a-straat 1] in [plaats] een henneptent en een kweekruimte aangetroffen die was ingericht met hennepattributen. Het hof heeft vastgesteld dat in de ten laste gelegde periode ook daadwerkelijk hennep is geteeld in deze woning. De elektriciteit werd op “evident zichtbare wijze” illegaal afgenomen, doordat de verzegeling van het deksel van de hoofdaansluitkast was verbroken, vanaf de bovenzijde van de zekeringshouders die zich in de aansluitkast bevonden een illegale elektriciteitsaansluiting was gemaakt en die aansluiting als een zichtbare stroomkabel door gaten in de muren naar een in de woonkamer geplaatst schakelbord liep. Volgens de verklaring van [getuige 1] , die in de BRP op het betreffende adres stond ingeschreven, had zij de woning aan de verdachte onderverhuurd.
5.15
Door en namens de verdachte is aangevoerd dat hij de woning voor het laatst heeft bewoond en betreden in november 2017. Daarna zou zijn broer een paar maanden in de woning hebben verbleven en vanaf maart 2018 zou zijn broer de woning zou hebben verhuurd aan een persoon genaamd [betrokkene 1] . Deze [betrokkene 1] zou de hennepkwekerij hebben aangelegd en geëxploiteerd.
5.16
Het hof heeft deze alternatieve lezing niet aannemelijk geacht en geoordeeld dat de verdachte gedurende de ten laste gelegde periode de onderhuurder en gebruiker was van de woning. Deze vaststelling is wat mij betreft niet onbegrijpelijk. Uit de bewijsmiddelen volgt namelijk dat de verdachte in de periode van mei tot en met september 2018 WhatsApp-contact heeft gehad waaruit blijkt dat hij in die periode nog in de woning kwam. Zo heeft de verdachte op 13 mei 2018 gestuurd: “[…] ze zijn niet langs geweest ik was wel thuis” en heeft de verdachte op 18 september 2018 een foto van de watermeterstand in de woning verzonden. Bovendien heeft de broer van de verdachte bij de rechter-commissaris verklaard dat hij alleen in de woning is geweest toen zijn broer daar woonde en dat zijn laatste bezoek plaatsvond toen de vrouw van de verdachte binnen ongeveer twee maanden zou bevallen (bewijsmiddel 7), terwijl het eerste kind van de verdachte in augustus 2018 is geboren (bewijsmiddel 8).
5.17
Uit de omstandigheid dat de verdachte in de ten laste gelegde periode de onderhuurder en gebruiker van de woning was en het door de verdediging geschetste alternatieve scenario dat [betrokkene 1] de hennepkwekerij zou hebben aangelegd en geëxploiteerd niet aannemelijk is geworden, heeft het hof afgeleid dat de verdachte de hennepkwekerij in de ten laste gelegde periode exploiteerde. Door te overwegen dat “ten behoeve van het telen van de hennepplanten de stroom op evident zichtbare wijze illegaal werd afgenomen” en “uit het verhandelde ter terechtzitting niet blijkt dat de verdachte de feiten samen met anderen heeft gepleegd”, heeft het hof kennelijk tot uitdrukking gebracht dat de verdachte de hennepkwekerij alleen exploiteerde en het dus niet anders kan zijn dan dat de verdachte ook de elektriciteit heeft weggenomen door middel van verbreking. Het hof heeft de verdachte voor beide feiten vrijgesproken van het medeplegen.
5.18
Dat uit de bewijsvoering niet blijkt dat de verdachte uitvoeringshandelingen heeft verricht of op welke wijze de verdachte de stroom heeft weggenomen hoeft – zoals hiervoor onder 5.7 t/m 5.11 is gebleken – op zichzelf nog niet te betekenen dat de bewezenverklaring daarmee ontoereikend is gemotiveerd. In deze zaak verdient echter aandacht dat het hof in zijn bewijsoverwegingen heeft vastgesteld dat “[d]e anonieme melder heeft gezien dat twee jonge mannen henneptoppen aan het knippen waren in de woonkamer van die woning.” Daarmee bevat de bewijsvoering een indicatie voor de mogelijke betrokkenheid van één of twee andere personen bij de hennepteelt.
5.19
Ik heb mij afgevraagd of dit in de weg staat aan de bewezenverklaring van de diefstal van elektriciteit. Aan de ene kant staat dat de verdachte in deze zaak zijn aanwezigheid in de woning in de ten laste gelegde periode in het geheel heeft ontkend en een alternatief scenario heeft geschetst waarin een derde genaamd [betrokkene 1] de hennepkwekerij zou hebben aangelegd en geëxploiteerd, terwijl deze lezing gezien de daarvoor aangedragen informatie en de beschikbare bewijsmiddelen onaannemelijk is. In cassatie is bovendien niets aangevoerd over de betrokkenheid van een derde en een inconsequentie in de bewijsvoering van het hof. Aan de andere kant gaat het in deze zaak niet zomaar om de situatie dat een derde voorkomt in de bewijsvoering van het hof, maar is er een aanwijzing voor betrokkenheid van een of twee andere personen bij de hennepteelt. In dit opzicht wijkt de onderhavige zaak af van HR 9 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:554 (inhoudelijke verwerping middel) en HR 11 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:350 (toepassing art. 81 lid 1 RO Pro). In laatstgenoemde zaak bleek uit de bewijsvoering niet meer dan dat een derde op de bewezenverklaarde datum in de woning was geweest (en kon het hof uit de bewijsvoering kennelijk niets concreets afleiden aangaande eventuele betrokkenheid van die derde bij hennepteelt [20] ). In HR 9 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:554 had de derde blijkens de bewijsvoering samen met de verdachte isolatieplaten naar binnen gedragen. Eén keer helpen bij de opbouw van de kwekerij brengt nog geen betrokkenheid bij hennepteelt mee. In de onderhavige zaak duidt de vaststelling door het hof dat de anonieme melder heeft gezien dat twee jonge mannen in de woning henneptoppen aan het knippen waren op betrokkenheid bij de hennepteelt van één of twee anderen (ervan afhankelijk of de verdachte, die toen 27 jaar was, een van hen was). Het hof heeft hierover ook niets overwogen.
5.2
Gelet op het voorgaande acht ik het niet zonder meer begrijpelijk dat het hof heeft overwogen dat “uit het dossier of uit het verhandelde ter terechtzitting niet blijkt dat de verdachte de feiten samen met anderen heeft gepleegd” en dat het hof kennelijk heeft geoordeeld dat het dus niet anders kan zijn dat de verdachte degene was die de elektriciteit heeft weggenomen. Bij die stand van zaken is mijns inziens fataal dat het hof niets heeft overwogen over de betrokkenheid van de verdachte bij de verbreking van de verzegeling van het deksel van de hoofdaansluitkast, het aanleggen van een illegale elektriciteitsaansluiting buiten de elektriciteitsmeter om en het gebruik van op elektriciteit functionerende kweekattributen. De bewezenverklaring is daarom bij het ontbreken van direct bewijs van handelingen van de verdachte omtrent de hennepteelt en de diefstal van elektriciteit ontoereikend gemotiveerd.
5.21
Het middel slaagt.

6.Het vijfde middel

6.1
Het middel bevat de klacht dat het verkorte arrest niet tijdig met bewijsmiddelen is aangevuld.
6.2
Op grond van art. 365a lid 3 Sv, dat in verband met art. 415 Sv Pro ook van toepassing is op het geding in hoger beroep, moet een verkorte uitspraak waartegen een gewoon rechtsmiddel is aangewend worden aangevuld met bewijsmiddelen binnen vier maanden na het aanwenden van het rechtsmiddel en binnen drie maanden na het aanwenden van het rechtsmiddel wanneer de verdachte zich alsdan ter zake van het ter terechtzitting onderzochte feit in voorlopige hechtenis bevindt.
6.3
In de onderhavige zaak is het cassatieberoep ingesteld op 26 juli 2024. De aanvulling van het verkorte arrest is ondertekend op 20 maart 2025. Daarmee is de in art. 365a lid 3 Sv genoemde termijn van vier maanden [21] met bijna vier maanden overschreden. De wetgever heeft er bewust voor gekozen geen sanctie te stellen op de niet-nakoming van het bepaalde in art. 365a lid 3 Sv. Het niet tijdig aanvullen van het verkorte vonnis heeft daarom geen nietigheid van het bestreden arrest of de opgemaakte aanvulling tot gevolg. [22] Tot cassatie hoeft dit dus niet te leiden.
6.4
Het middel faalt.

7.Afronding

7.1
Het vierde middel slaagt. De overige middelen falen en kunnen worden afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro.
7.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
7.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van de onder 2 ten laste gelegde feiten en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam , opdat de zaak in zoverre opnieuw wordt berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Dit artikel geldt ook in hoger beroep ingevolge art. 415 Sv Pro.
2.HR 11 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1460,
3.Vgl. HR 11 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3151, r.o. 2.4 en HR 14 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9109,
4.Vgl. HR 20 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:244, r.o. 2.4 en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1453, r.o. 2.4.
5.Vgl. het hierna onder 5.7 geciteerde arrest HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:511,
6.Zie recent HR 8 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:539, r.o. 2.3.2.
7.Vgl. o.a. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130,
8.HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130,
9.Zie van recentere datum HR 25 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:932, r.o. 2.3.
10.HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3361, r.o. 2.6.
11.Zie ook HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:390, r.o. 2.3.
12.HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:511,
13.HR 15 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:852,
14.Vgl. HR 9 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:554, r.o. 2.4 en HR 8 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1592 (81 RO).
15.Vgl. HR 23 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX6764, 2.3.
16.Vgl. N. Seijlhouwer-de Visser, ‘De strafrechtelijke aansprakelijkheid van de eigenaar of huurder van een henneppand. Een verkenning van de jurisprudentie van de Hoge Raad’,
17.A-G Bleichrodt, conclusie voor HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:511, randnr. 12.
18.A-G Aben, conclusie voor HR 11 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:350 (81 RO), randnr. 16 en N. Seijlhouwer-de Visser, ‘De strafrechtelijke aansprakelijkheid van de eigenaar of huurder van een henneppand. Een verkenning van de jurisprudentie van de Hoge Raad’,
19.Vgl. N. Seijlhouwer-de Visser, ‘De strafrechtelijke aansprakelijkheid van de eigenaar of huurder van een henneppand. Een verkenning van de jurisprudentie van de Hoge Raad’,
20.In dergelijke zin ook A-G Aben in zijn conclusie voor het arrest, randnr. 17.
21.Uit het namens mij opgevraagde detentieoverzicht blijkt dat de verdachte niet in voorlopige hechtenis heeft gezeten in verband met de onderhavige zaak, zodat een termijn van vier maanden geldt.
22.HR 24 maart 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0988,