Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2025:350

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 maart 2025
Publicatiedatum
28 februari 2025
Zaaknummer
22/03756
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.B OpiumwetArt. 11.2 OpiumwetArt. 11.5 OpiumwetArt. 311.1.5 SrArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over hennepteelt en diefstal via elektriciteitsverbreking met strafvermindering

De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 27 september 2022, waarin de verdachte werd veroordeeld voor het telen van een grote hoeveelheid hennepplanten en diefstal door het verbreken van elektriciteit ten behoeve van de hennepkwekerij.

De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest uitsluitend met betrekking tot de duur van de opgelegde gevangenisstraf, met vermindering daarvan volgens de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige. De Hoge Raad heeft de klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet tot vernietiging van het arrest leiden.

Daarnaast constateert de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden, aangezien meer dan twee jaar zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Gezien de opgelegde straf van vijf maanden, waarvan twee voorwaardelijk, acht de Hoge Raad het voldoende om vast te stellen dat de redelijke termijn is overschreden zonder verdere rechtsgevolgen.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt daarmee het arrest van het hof, met een strafvermindering ten aanzien van de duur van de gevangenisstraf.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen met vermindering van de duur van de gevangenisstraf tot vijf maanden, waarvan twee voorwaardelijk.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/03756
Datum11 maart 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 27 september 2022, nummer 20-001074-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, advocaat in Rotterdam, en P. van Dongen, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van vijf maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
11 maart 2025.