Conclusie
Inleiding en overzicht
indirectetariefdifferentiatie –zoals via een retributieregeling –
binneneen belastingverordening?
buitende belastingverordening is neergelegd?
2.Feiten
OZB-opslag bij niet-woningen
3.Oordelen feitenrechters en het geding in cassatie
Rechtbank Noord-Nederland
4.Art. 220f Gemeentewet: de regeling en haar wetshistorie
Inleiding
alleenkunnen voortspruiten uit de in die zin genoemde verschillen. Aangezien tariefdifferentiatie (binnen de gebruikersbelasting of eigenarenbelasting) zou leiden tot een verschil in belasting dat niet voortspruit door de genoemde verschillen, meen ik dat de derde zin erop duidt dat de voorgeschreven belastinggelijkheid per eenheid heffingsgrondslag ook impliceert dat tariefdifferentiatie als uitgangspunt niet is toegestaan.
tussende drie belastingen. Dat is mijn inziens een impliciete aanwijzing dat de tarieven níet mogen verschillen
binnenelk van de drie: een gemeente mag dus slechts één a-, b, en c-tarief vaststellen.
Differentiatie
indirectetariefdifferentiatie binnen de belastingverordening (5.23-5.28). Ook die vraag beantwoord ik bevestigend. In het volgende onderdeel 6 behandel ik vervolgens of het antwoord anders luidt in een geval als dit waarin de indirecte tariefdifferentiatie een gevolg is van een retributieregeling die buiten de belastingverordening is geregeld. Tevens komt daarbij aan bod of de belastingrechter bij de exceptieve toetsing van de belastingverordening aan art. 220f Gemeentewet ook zo’n externe regeling mag betrekken.
tekstvan art. 220f(1) Gemeentewet (geciteerd in 4.2). De opvatting dat tariefdifferentiatie wel mogelijk is, laat zich niet goed verenigen met de tekst “Het percentage wordt gelijkelijk vastgesteld voor (…)”.
wetsystematische argumententegen de opvatting van het College en vóór de opvatting van het Hof. In de wet zoals die thans luidt, is dat argument gelegen in het tweede lid van art. 220f Gemeentewet. Dat dit lid is opgenomen is namelijk een wetsystematisch argument dat het eerste lid zich verzet tegen de (beperkte) mogelijkheid van tariefdifferentiatie waarin het tweede lid voorziet (zie 4.29-4.32).
parlementaire geschiedenisin twee opzichten argumenten te ontlenen tegen de opvatting van het College en/of vóór de opvatting van het Hof. Het eerste opzicht is dat in de diverse toelichtingen weliswaar steeds tot uitdrukking komt dat de voorgeschreven tariefgelijkheid meebrengt dat een progressief tarief niet is toegestaan (zie 4.6, 4.11 en 4.20, alsmede impliciet 4.25), maar dat op die toelichtingen mijns inziens niet kan worden gebaseerd dat de tariefgelijkheid niet méér inhoudt (vgl. eerder 4.7 en 4.21). Sterker nog, in de oudste toelichting is een passage te vinden die erop duidt dat de tariefgelijkheid ook impliceert dat tariefdifferentiatie als uitgangspunt niet is toegestaan (4.7). Ook in een recente toelichting zie ik daarvoor een (
a contrario) aanwijzing, aangezien die toelichting expliciteert dat de tarieven wél mogen verschillen
tussende drie OZB-belastingen (zie 4.21).
allebelastingplichtigen voor de a- respectievelijk c-belasting en dat anderzijds een retributieregeling bestaat voor teruggaaf van OZB aan
sommigebelastingplichtigen, waarbij de teruggaaf gelijk is aan het gedeelte dat correspondeert met het bedrag van de OZB-opslag. Bijzonderheid in dit geval is dat deze retributieregeling niet in de OZB-verordening is opgenomen en zelfs niet in enige verordening, maar dat zij een regeling van het Fonds betreft. Op deze plaats in de conclusie abstraheer ik van die bijzonderheid. Ik veronderstel op deze plaats dat de retributieregeling ook in de OZB-verordening is opgenomen.
eersteverordening vindt de heffing van OZB daadwerkelijk plaats naar evenzoveel verschillende a- of c-tarieven. Het is anders bij de
tweedeverordening. Daarbij vindt de heffing van OZB als zodanig plaats naar telkens één tarief. Weliswaar komen sommige belastingplichtigen in aanmerking voor een teruggaaf, maar dat wijzigt niet het tarief waarnaar wordt geheven.
ineen belastingverordening weliswaar het a-, b- of c-tarief verhoogt voor allen maar teruggaaf tot een gelijk bedrag biedt aan sommigen en daarmee in strijd is met art. 220f(1) Gemeentewet. Hij kan namelijk beoordelen of een regeling in een belastingverordening in strijd is met welke formeel-wettelijke bepaling dan ook. Dit volgt uit HR BNB 2025/1 [81] , waarin de hoogte van het tarief voor de forensenbelasting van de gemeente Gulpen-Wittem in geschil was. Voor zover thans van belang, stelt de Hoge Raad voorop dat de belastingrechter kan beoordelen of de regeling over de hoogte van het belastingtarief in strijd is met een wet in formele zin. Dat geldt zelfs wanneer, anders dan hier, de Gemeentewet zelf geen beperkingen stelt aan de hoogte van het belastingtarief. Ik citeer (en laat voetnoten weg):
alleschuldvorderingen, ook schuldvorderingen van publiekrechtelijke aard. [101]
Universiteiten/SCAU [102] , dat gaat over het collegegeld dat in rekening wordt gebracht aan studenten die een tweede studie willen volgen. Voor zover thans van belang, berust de hoogte daarvan op een algemeen verbindend voorschrift, dat als zodanig niet vatbaar is voor beroep bij de bestuursrechter. [103] Het is anders voor het besluit van de universiteit over welk bedrag aan collegegeld is verschuldigd. Dit besluit is vatbaar voor bezwaar. En de uitspraak op bezwaar is wél vatbaar voor beroep bij een bestuursrechter: het College van Beroep voor het Hoger Onderwijs (CBHO). Naar het oordeel van de Hoge Raad is de rechtsgang bij het CBHO omkleed met voldoende waarborgen:
Universiteiten/SCAU, wordt de niet-ontvankelijkheidsbeslissing van het hof bestreden met onder meer het betoog dat het CBHO niet naar behoren toetst of het voorschrift waarop de hoogte van het collegegeld berust, rechtmatig is. [105] Naar aanleiding van dit betoog brengt de Hoge Raad een rechtsverfijning aan: hij maakt nader onderscheid tussen twee gevallen.
Universiteiten/SCAU, dat het geval omschrijft als:
Universiteiten/SCAUwant de mededeling over het verschuldigde collegegeld berust op het algemeen verbindende voorschrift over de hoogte van het collegegeld. Voor dat geval gaat de Hoge Raad na of het CBHO het voorschrift kan toetsen in een beroep dat zich richt tegen (de uitspraak op bezwaar tegen) de mededeling:
Universiteiten/SCAUberust op de zogeheten specialisatiegedachte. Deze gedachte houdt in dat het niet wenselijk is met het oog op een behoorlijke taakverdeling tussen de burgerlijke rechter en de bestuursrechter, waaronder de belastingrechter, dat beide rechters kunnen toetsen of een algemeen verbindend voorschrift rechtmatig en (dus) verbindend is. [107] Die gedachte heeft mijns inziens twee zijden. Enerzijds moet worden voorkomen dat een verschil in uitkomst kan ontstaan tussen beide rechters voor hetzelfde voorschrift. Daarom acht de burgerlijke rechter degene die het voorschrift onrechtmatig acht, niet-ontvankelijk als de bestuursrechter diegene voldoende rechtsbescherming biedt. [108] Anderzijds moet worden voorkomen dat geen van beide rechters kan toetsen of zo’n voorschrift onrechtmatig en (dus) onverbindend is. Daarom biedt de burgerlijke rechter aanvullende rechtsbescherming aan degene die onvoldoende rechtsbescherming geniet bij de bestuursrechter. Voor diegene is de burgerlijke rechter ‘restrechter’, ook in het geval dat hij of zij rechtstreeks de werking van het voorschrift ondervindt. [109]
hoofdregel), tenzij de belanghebbende de werking van het desbetreffende voorschrift rechtstreeks ondervindt, in welk geval ook de civiele rechter kan worden geadieerd (de
uitzondering). In dat laatste geval wordt dus het risico van tegenstrijdige uitspraken voor lief genomen, omwille van een doeltreffende en waarborgen tegen misverstanden biedende rechtsbescherming als bedoeld in het arrest
Leenders/Ubbergen. (…)”