Conclusie
medeplegen van poging tot uitlokking van medeplegen van moord”
medeplegen van poging tot uitlokking van medeplegen van moord”
medeplegen van poging tot uitlokking van medeplegen van moord”
medeplegen van uitlokking van medeplegen van moord”
medeplegen van uitlokking van openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen”
medeplegen van moord”
als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”
twintigjaren, terwijl in de met de kroongetuige gesloten overeenkomst als uitgangspunt een gevangenisstraf van
vierentwintig jaren stond vermeld.
de rechter het achteraf niet eens is met het rechtmatigheidsoordeel van de rechter-commissaris of […] hij de verklaring anderszins niet deugdelijk vindt.” Bij aanvang van de behandeling van de strafzaak Eris liet het OM al weten tot verlaging van de strafeis voor de kroongetuige over te gaan, terwijl er nog verscheidene verhoren van die getuige ten overstaan van de rechter op de rol stonden, zulks ter toetsing van de door de kroongetuige eerder in het vooronderzoek afgelegde verklaringen.
Passage), overwoog de Hoge Raad over de kroongetuigeregeling onder meer het volgende:
3.3. De wettelijke regeling houdt in dat aan een verdachte door de officier van justitie een toezegging kan worden gedaan in ruil voor de bereidheid van die verdachte om een verklaring af te leggen in de strafzaak tegen een andere verdachte. De officier van justitie geeft kennis aan de rechter-commissaris van de afspraak die hij voornemens is te maken met een verdachte in ruil voor de toezegging dat bij de vervolging in de strafzaak van deze verdachte strafvermindering met toepassing van art. 44a Sr zal worden gevorderd. Art. 226g, eerste lid, Sv houdt in dat deze afspraak uitsluitend betrekking heeft op het afleggen van een verklaring in het kader van een opsporingsonderzoek naar een ernstig, in deze wettelijke bepaling nader omschreven misdrijf. Het tweede lid van art. 226g Sv bevat (vorm)voorschriften met betrekking tot de inhoud van de op schrift gestelde voorgenomen afspraak. Op grond van art. 226g, derde lid, Sv toetst de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie de rechtmatigheid van deze afspraak. Het vierde lid van art. 226g Sv bepaalt dat van afspraken die niet worden aangemerkt als een afspraak als bedoeld in art. 226g, eerste lid, Sv en die voor het onderzoek in de zaak van betekenis kunnen zijn, proces-verbaal wordt opgemaakt. Dat proces-verbaal wordt door de officier van justitie ten spoedigste bij de processtukken gevoegd.
“Overeenkomst als bedoeld in de aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken”van 13 november 2018 (hierna: de kroongetuigeovereenkomst). Deze houdt onder meer in:
2.2 De officier van justitie verklaart, na kennis genomen te hebben van alle relevante feiten zoals die blijken uit de eerdergenoemde processen-verbaal en overige dossierstukken, en na collegiaal overleg, dat onder gelijke omstandigheden, doch zonder onderhavige afspraak, de zaaksofficier van justitie voor alle in de considerans genoemde aan getuige ten laste gelegde of te leggen strafbare feiten van getuige een totale gevangenisstraf zou hebben geëist, dan wel zal eisen, voor de duur van 24 jaren. Bij onverkorte nakoming door getuige van de in onderhavige overeenkomst onder 1 overeengekomen verplichtingen, zal de zaaksofficier van justitie zijn strafeis voor deze feiten matigen met 50%, te weten tot een gevangenisstraf van 12 jaren.
5.1.3. De rechtmatigheid van de overeenkomst
geen strafverzwaring” teweeg heeft gebracht. Daarmee wordt het oordeel van de Hoge Raad m.i. niet in een juist perspectief geplaatst. De Hoge Raad heeft immers (‘slechts’) geoordeeld dat de wijziging van de vi-regeling niet kan worden aangemerkt als een wijziging van wetgeving ten aanzien van de strafbaarstelling of de strafbedreiging, zulks op de grond dat “
zowel voor als na de gedeeltelijke inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen de mogelijkheid bestond en bestaat dat de veroordeelde de door de rechter opgelegde gevangenisstraf voor de volledige duur daarvan moet ondergaan.” [5]
Prokuratuur [8] en
Landeck [9] .
5.2 Het onderzoek aan gegevensdragers en locatiegegevens
Prokuratuur. [12] Daarnaast deed het Hof van Justitie in de zaak
Landeckuitspraak [13] over Richtlijn 2016/680. [14]
Landeckgaf de Hoge Raad (bij arrest van 18 maart 2025) aanleiding zijn rechtspraak over opsporingsonderzoek aan gegevensdragers als volgt bij te stellen. [18] Als politie en justitie aan gegevensdragers onderzoek willen verrichten dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zal teweegbrengen, is daarvoor – behalve in spoedeisende gevallen – voortaan een voorafgaande toetsing door de rechter-commissaris vereist. De rechter-commissaris toetst of de inbreuk die door het onderzoek aan de gegevensdrager op de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker wordt gemaakt, gerechtvaardigd is, mede gelet op de ernst van het strafbare feit waarop de verdenking betrekking heeft en het belang van het onderzoek voor de waarheidsvinding. [19] In dit verband wijs ik erop dat het Hof van Justitie overweegt “
dat de ernst van het strafbare feit waarnaar het onderzoek loopt, een van de belangrijkste parameters is bij de toetsing van de evenredigheid van de ernstige inmenging die het gevolg is van de toegang tot de op een mobiele telefoon opgeslagen persoonsgegevens aan de hand waarvan nauwkeurige conclusies kunnen worden getrokken over het privéleven van de betrokkene.” [20]
Prokuratuur-arrest van het Hof van Justitie duidelijk heeft gemaakt dat er geen afwijkende regels gelden voor de sanctionering van vormverzuimen waarmee de verkrijging van verkeers- en locatiegegevens gepaard is gegaan. Hier is artikel 359a Sv onverminderd van toepassing. [21] Ik zie geen reden waarom dat anders zou zijn bij vormverzuimen die zijn begaan bij het onderzoek aan gegevensdragers. [22]
Landeck. [29] De uitspraak van het Hof van Justitie dateert van 8 oktober 2024 (en is overigens op het punt van de voorafgaande rechterlijke toetsing in lijn met de conclusie). [30] Bovendien dateert het
Prokuratuur-arrest van het Hof van Justitie van 2 maart 2021 en formuleerde de Hoge Raad het daarop bijgestelde kader voor de vordering van verkeers- en locatiegegevens bij arrest van 5 april 2022. Deze conclusie en uitspraken zijn dus van (ruim) vóór de sluiting van het onderzoek in de strafzaak tegen de verdachte (op 12 februari 2025). Bij die stand van zaken gaat de in cassatie ingenomen stelling mij te ver. Van een advocaat mag worden verwacht dat hij onder deze omstandigheden in staat is te beoordelen of een verweer over eventuele onrechtmatigheden bij het onderzoek aan gegevensdragers en de vordering van verkeers- en locatiegegevens kans van slagen heeft (en past in de verdedigingsstrategie). [31]
op tijdstippen gelegen in de periode van 2 februari 2017 tot en met 26 februari 2017, in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, door het verschaffen van inlichtingen en beloften, een ander heeft gepoogd te bewegen een misdrijf te begaan, te weten het tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] van het leven beroven, door [medeverdachte 2] middels PGP-telefoons informatie/inlichtingen/gegevens met betrekking tot de beoogde liquidatie [slachtoffer 2] te sturen of door te sturen zoals:
het adres van de sportschool van [slachtoffer 2] , en
dat [slachtoffer 2] voornoemde sportschool vaak alleen af zou sluiten, en
in welk voertuig de vriendin van [slachtoffer 2] zou rijden (te weten een Porsche),
een foto van [slachtoffer 2] ;”
2.1. De aangetroffen chats
In februari 2017 was er op de [c-straat 1] in [plaats] een democenter gevestigd van de sportschool [A] . De uiteindelijke belanghebbende van sportschool [A] is [slachtoffer 2] ;
In februari 2017 had [slachtoffer 2] een vriendschappelijke en/of zakelijke relatie met [betrokkene 1] . Volgens de GBA was zij in 2017 woonachtig op de [b-straat 1] te [plaats] .
.
. Vervolgens stuurt [medeverdachte 3] een bericht van ‘ [accountnaam 4] ’, veredeld als [verdachte] , door dat afkomstig is van het account ‘ [accountnaam 5] ’, door het hof aangeduid als de opdrachtgever. Hierin staat:“Hy sluit hem vaak af alleen”
. [medeverdachte 3] stuurt daarna naar [medeverdachte 2] dat hij een klein moment moet hebben en dat [medeverdachte 3] zo alles zal doorsturen.
en“ [bijnaam 1] dat is die man precies op die foto die u stuurde”
door van ‘ [accountnaam 5] ’. [medeverdachte 2] reageert daarop door te stellen dat hij dan genoeg weet.
. Daarmee geeft [medeverdachte 3] kennelijk aan [medeverdachte 2] informatie over de sportschool van [slachtoffer 2] . Aansluitend stuurt [medeverdachte 3] nadere informatie aan [medeverdachte 2] , te weten dat ‘hij’ [het hof begrijpt: [slachtoffer 2]
] zijn gym vaak alleen afsluit. Dit bericht is afkomstig van een account van de opdrachtgever, die dit bericht naar [verdachte] heeft gestuurd, terwijl [verdachte] dit bericht op zijn beurt aan [medeverdachte 3] heeft gestuurd.
. Aangezien op gegevensdragers bij [medeverdachte 2] foto’s van [slachtoffer 2] zijn aangetroffen, neemt het hof als vaststaand aan dat [medeverdachte 2] een foto heeft gestuurd aan de organisatie van de opdrachtgever en dat daarnaar verwezen wordt. Op dat moment antwoordt [medeverdachte 2] dat hij genoeg weet. Het hof ziet dit als het moment waarop de uitlokking van [medeverdachte 2] is voltooid. [medeverdachte 2] weet dan genoeg en heeft daarmee zijn wil om de moord op [slachtoffer 2] te gaan organiseren bepaald.
. Dit bericht gaat niet over het beoogde slachtoffer in de zaak Eend, maar maakt wel duidelijk dat de van en naar de opdrachtgever gestuurde berichten verband houden met liquidaties. Ondanks die duidelijke inhoud is [verdachte] verdergegaan met het doorsturen van berichten, ook over [slachtoffer 2] op 26 februari 2017. Daarmee heeft hij willens en wetens bijgedragen aan de poging tot uitlokking van [medeverdachte 2] . Dat de informatie die hij doorgaf van anderen afkomstig was en via ‘ [accountnaam 3] ’ weer bij [medeverdachte 2] terechtkwam, maakt zijn rol niet minder belangrijk.
. [medeverdachte 3] antwoordt dat hij“70 de hoofd geeft”
met“onze yzers en fietsen”
. De kroongetuige heeft verklaard dat met ‘70 de hoofd’ € 70.000,- per liquidatie wordt bedoeld en dat met ‘yzers’ en ‘fietsen’ vuurwapens en auto’s worden bedoeld. [medeverdachte 2] antwoordt aan [medeverdachte 3] dat hij de service van de organisatie goed vindt. Verder wordt nog besproken dat [medeverdachte 2]“niets aan vijanden verkoopt alleen de dood. Alleen de dood”
en dat hij“wist dat er oorlogskast was”
, waarop [medeverdachte 3] antwoordt dat“die kast leeg moet op hun allemaal”
en dat de kas(t)“nog laaaaaaang niet leeg is”
. [medeverdachte 3] noemt dat ze“ratten moeten bestrijden broer”
en vraagt“we zijn 1 team toch [bijnaam 1] ?”
. [medeverdachte 2] antwoordt hierop:“Jaaa”
en“Meer dan 1”
.
,“ [bijnaam betrokkene 2] ”
of“ [bijnaam betrokkene 2] ”
genoemd. Deze persoon zou in een witte Volkswagen Polo met het [kenteken 2] rijden. Uit de politiesystemen blijkt dat [betrokkene 2] in 2017 meermalen in een auto met dit kenteken is gecontroleerd. [medeverdachte 2] vraagt aan [medeverdachte 3] of hij“ [bijnaam betrokkene 2] wil”
. [medeverdachte 3] antwoordt hierop met“Ja graag!”
. [medeverdachte 2] vraagt vervolgens voor“hoeveel”
en zegt dat ‘ [bijnaam betrokkene 2] ’“heeel dichtbij is”
en“zeg met wat je met hem wilt en de prijs kan komende week”
. [medeverdachte 3] antwoordt:“Laats wou hem lokken maar ging mis hij kwam met gepantserde wagen en nog aanhang met andere auto’s en die head was alleen hij zou ook zelf rijden!”
. De kroongetuige heeft verklaard dat met ‘head’ schutter wordt bedoeld. [medeverdachte 3] noemt vervolgens de prijs waar [medeverdachte 2] om vraagt:“Als je hem dit weekend nog of maandag geef ik je 80 snel zonder gezeik!!!”
. Het hof begrijpt dat met ‘80’ wordt bedoeld een bedrag van € 80.000,-. [medeverdachte 2] antwoordt:“Ok”
,“Maak er werk van”
en“Ik hou je op de hoogte”
. [medeverdachte 3] geeft nog mee dat het ook top is als [medeverdachte 2] hem in de fiets kan verbranden.
,“ [accountnaam 4] [02/19/2017 @ 15.52] Hahahaha ok heel sterk bro mensen naar ons hart zijn dit”
en“ [accountnaam 4] [02/19/2017 @ 15.51] Laat m aub vndg slapen zou mooi zijn”
. [medeverdachte 3] stuurt naar [medeverdachte 2] dat“iedereen jullie begint te mogen broer is alleen maar goed teken!”
. Een paar uur later vraagt [verdachte] aan [medeverdachte 3]“Bro hoe bgaat t met [bijnaam betrokkene 2] hou me op de hoogte zien ze m vndg”
. [medeverdachte 3] heeft dit doorgestuurd naar [medeverdachte 2] . Als [medeverdachte 2] hierop stuurt dat ze“al goed contact met degene die mee gaat helpen”
hebben en dat“hij hem nu in positie moet zetten”
, antwoordt de opdrachtgever via de accounts van [verdachte] en [medeverdachte 3] :“Met gods wil [bijnaam 1] whoooooooppppp (...) ooooooooooooooooppppp dat wil ik horen whoooppppppp whooooppppp Jij ook bedankt bro!”
. Om 23.47 uur laat [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 3] weten dat“hij er vandaag niet was”
, dat“de mensen die hem rijden en thuiszetten ons gaan seinen”
en“dus nog heel even geduld iedereen staat klaar”
. [medeverdachte 2] laat [medeverdachte 3] weten dat hij naar huis gaat, maar dat hij er“morgen weer op is”
,“hij [het hof begrijpt: [betrokkene 2] ] zit al in de net... nu timeren”
en“je voelt me. deze gaat nergens dan naar boven”
. Op 22 februari 2017 om 21.4x uur geeft [betrokkene 3] aan [medeverdachte 2] het kenteken, type en kleur door van de auto die bij [betrokkene 2] in gebruik is. Enkele minuten later geeft [medeverdachte 2] het kenteken door aan [medeverdachte 3] .
, geeft [medeverdachte 2] in de chat met [medeverdachte 3] aan dat hij met“ [accountnaam 4] ”
praat en stuurt [verdachte] op 26 februari 2017 een bericht van de opdrachtgever over een aan hem gestuurde foto rechtstreeks door naar [medeverdachte 2] . Ook in deze zaak geldt dat de van [verdachte] afkomstige berichten bezien moeten worden tegen de achtergrond van de van [verdachte] afkomstige berichten in andere deelonderzoeken, waaronder Eend en Barbera. Het gaat dan niet alleen om berichten die naar het account ‘ [accountnaam 3] ’ zijn verstuurd, maar ook om berichten die rechtstreeks naar [medeverdachte 2] zijn verstuurd. Het is duidelijk dat dit berichtenverkeer zag op liquidaties en betalingen daarvoor. Op grond daarvan is sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en [medeverdachte 3] en de opdrachtgever, waarbij de bijdrage van [verdachte] van voldoende gewicht is geweest om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen.
“Duidelijk”antwoordde. Het hof heeft echter geoordeeld dat de uitlokking pas op 26 februari 2017 voltooid was, nadat eerst op 4 februari en later op die 26 februari 2017 aanvullende informatie was gestuurd, waaronder informatie over de sportschool van [slachtoffer 2] en dat hij die zelf afsluit, een bericht dat
“zo alles”aan [medeverdachte 2] zal worden gestuurd, informatie over de Porsche waarin de vriendin van [slachtoffer 2] rijdt en dat het de man is op de foto die [medeverdachte 2] stuurde. In aanmerking genomen dat [medeverdachte 2] als reactie op die laatste twee berichten
“Ok ok”en
“Dan weet ik zat”heeft geantwoord, is dat oordeel niet onbegrijpelijk en ook toereikend gemotiveerd.
“een foto van [slachtoffer 2] ”. De bewezenverklaring kan in zoverre niet worden afgeleid uit de inhoud van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen.
informatie-uitwisseling moet worden gezien in context van de andere contacten die [medeverdachte 3] en/of [verdachte] , [medeverdachte 2] en de opdrachtgever met elkaar hadden in de deelonderzoeken Mus, Kraai, Duif en Spreeuw en die het hof heeft geduid als onmiskenbaar betrekking hebbend op voorgenomen liquidaties”. In deze berichten wordt regelmatig gesproken over “
bedragen die betaald worden als de voorgenomen liquidaties zouden worden uitgevoerd”. Hieruit blijkt dat het hof heeft vastgesteld dat ook voor het uitvoeren van de moord op [slachtoffer 2] een geldbedrag in het vooruitzicht zal zijn gesteld. Die vaststelling is niet onbegrijpelijk. De bewezenverklaring is wat dat betreft dus voldoende met redenen omkleed.
"En [bijnaam 1] fiets in de fik met die hond erin beste geen fouten [bijnaam 1] "kan niet de conclusie worden gebaseerd dat de van en naar de opdrachtgever gestuurde berichten verband houden met liquidaties. Dit blijkt ook uit de berichten in het deelonderzoek Gezicht. In die zaak staat vast dat het niet om een liquidatie ging, aldus de stellers van het middel.
Hy sluit hem vaak af alleen” en dat de verdachte op 26 februari 2017 zelf berichten aan [medeverdachte 2] heeft (door)gestuurd met de inhoud “
In die porsche ryd zyn vriendin vaak klopt” en “
[bijnaam 1] dat is die man precies op die foto die u stuurde”. Uit onderzoek is gebleken dat deze berichten betrekking hadden op [slachtoffer 2] . Het hof heeft overwogen dat deze informatie-uitwisseling in het deelonderzoek Eend
“moet worden gezien in de context van de andere contacten die [medeverdachte 3] en/of [verdachte] , [medeverdachte 2] en de opdrachtgever met elkaar hadden in de deelonderzoeken Mus, Kraai, Duif en Spreeuw en die het hof heeft geduid als onmiskenbaar betrekking hebbend op voorgenomen liquidaties”en dat uit de context van het deelonderzoek Mus blijkt dat de verdachte weet had van de betekenis van de berichten die hij (door)zond. In het deelonderzoek Mus heeft het hof vastgesteld dat [medeverdachte 3] berichten van de verdachte heeft doorgestuurd naar [medeverdachte 2] . Deze berichten hielden onder meer in
“En [bijnaam 1] fiets in de fik met die hond erin beste geen fouten [bijnaam 1] ”,
“Laat m aub vndg slapen zou mooi zijn”en
“ef “Bro hoe bgaat t met [bijnaam betrokkene 2] hou me op de hoogte zien ze m vndg”. Het hof heeft daarover overwogen dat de verdachte
“in een reeks PGP-chatberichten tussen hem en [medeverdachte 3] , die onmiskenbaar over uit te voeren liquidaties gingen,[heeft]
gevraagd naar de voortgang van de voorgenomen liquidatie van [betrokkene 2] , berichten van de opdrachtgever[heeft]
doorgestuurd en voor deze voorgenomen liquidatie informatie en instructies[heeft]
doorgegeven aan [medeverdachte 3] ”.
in de periode van 17 tot en met 19 februari 2017, in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, door het verschaffen van inlichtingen en beloften, een ander heeft gepoogd te bewegen een misdrijf te begaan, te weten het tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en met voorbedachten rade [betrokkene 2] van het leven beroven, door aan [medeverdachte 2] :
berichten inhoudende instructies met betrekking tot voornoemde beoogde liquidatie van [betrokkene 2] te sturen en door te sturen, waaronder – zakelijk weergegeven:
dat hij ‘ [bijnaam betrokkene 2] ’ graag wil, en
als [betrokkene 2] verband kan worden in ‘fiets’ (auto) dat top is, en
of [betrokkene 2] nog dit weekend of uiterlijk maandag gedaan kan worden voor 80.000 euro, en
wanneer hij/zij [betrokkene 2] vanavond kan/kunnen laten slapen dat mooi zou zijn,
telefoons kunnen/moeten meegenomen worden en ‘yzers’ (vuurwapens) kunnen worden opgehaald, en
hij [betrokkene 2] laatst wou lokken maar dat mis ging omdat deze met een gepantserde auto kwam;”
4.1 De aangetroffen chats
“dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] via de chat aan het verkennen zijn wat zij voor elkaar kunnen betekenen en dat het daarbij om het liquideren van personen gaat.”Het hof stelt vervolgens vast dat in het vervolg van dat chatgesprek personen worden besproken, waarvan “
[bijnaam betrokkene 2]”, “
[bijnaam betrokkene 2]” of “
[bijnaam betrokkene 2]” er een is. [medeverdachte 3] geeft [medeverdachte 2] informatie over die persoon en zegt
"Als je hem dit weekend nog of maandag geef ik je 80 snel zonder gezeik!!!". [medeverdachte 2] zegt
"Ok",
"Maak er werk van"en
"Ik hou je op de hoogte". Het hof stelt vast dat [medeverdachte 3] op 19 februari 2017 een aantal berichten van de verdachte – die al dan niet eerst aan de verdachte waren doorgestuurd – naar [medeverdachte 2] heeft gestuurd. In die berichten staat onder meer
“En [bijnaam 1] fiets in de fik met die hond erin beste geen fouten”en
“Laat m aub vndg slapen zou mooi zijn". Een paar uur later vraagt [verdachte] aan [medeverdachte 3]
"Bro hoe bgaat t met [bijnaam betrokkene 2] hou me op de hoogte zien ze m vndg.". [medeverdachte 3] heeft dit bericht doorgestuurd naar [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] heeft hierop geantwoord, waarna de opdrachtgever via de accounts van de verdachte en [medeverdachte 3]
"Met gods wil [bijnaam 1] whoooooooppppp (...) ooooooooooooooooppppp dat wil ik horen whoooppppppp whooooppppp Jij ook bedankt bro!"antwoordt. Het hof heeft uit de vaststellingen omtrent de communicatie afgeleid dat zowel [medeverdachte 3] als de verdachte betrokken is bij de opdracht aan [medeverdachte 2] tot het liquideren van [betrokkene 2] en dat [medeverdachte 2] aan beiden verslag uitbrengt over de voortgang.
[accountnaam 4]”, dat [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 3] heeft aangegeven dat hij met “
[accountnaam 4]” praat en dat de verdachte op 26 februari 2017 een bericht van de opdrachtgever rechtstreeks aan [medeverdachte 2] heeft gestuurd. Het hof concludeert dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte, [medeverdachte 3] en de opdrachtgever en dat de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen. Het hof is voorbijgegaan aan het verweer dat [medeverdachte 2] al zou zijn uitgelokt op het moment dat de berichten die aan de verdachte worden toegeschreven zijn verzonden en daartoe overwogen dat de berichten van de verdachte in belangrijke mate bijdroegen aan de uitlokking van [medeverdachte 2] omdat zij informatie bevatten over het tijdstip en de manier waarop de liquidatie moest plaatsvinden.
[medeverdachte 2] en [betrokkene 8] en [betrokkene 9] op 17 april 2017 te[plaats] , tezamen en in vereniging, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 4] van het leven hebben beroofd door met een vuurwapen kogels in het hoofd en op andere plaatsen in het lichaam van [slachtoffer 4] te schieten; welk feit verdachte in de periode van 1 april tot en met 17 april 2017 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk heeft uitgelokt door beloften, door aan [medeverdachte 2] een geldbedrag in het vooruitzicht te stellen”
6.3.5.1. De liquidatie van [slachtoffer 4]
ik betaal lokkers spotters alles bro fietsen ijzers dus ik weet niet wat ie zegt en wij eten niks uit wat jij krijgt heb ik je al gemeld”. Het hof stelt tot slot vast dat de verdachte de nacht van de liquidatie nog aan [medeverdachte 2] berichtte over een ander slachtoffer dat hij op het oog had, waarbij hij aan [medeverdachte 2] vraagt of hij daarvoor (ook) nog tijd heeft.
een geldbedrag in het vooruitzicht te stellen en
het adres van de woning die moest worden beschoten door te geven en
informatie te verstrekken over de route naar de woning van vorenbedoelde bewoners en
de omgeving te beschrijven van die woning van vorenbedoelde bewoners”
6.3.6. GEZICHT
28.juni 2017
29.juni 2017
Rond 19.30. Kunnen ze appels aanpakken op de [p-straat 1] [geboorteplaats]”. Het hof concludeert, gelet op het overige bewijsmateriaal, dat hier wordt gesproken over handgranaten (en niet over appels) en dat dit gesprek verband houdt met de opdracht aan [medeverdachte 2] om iemand te waarschuwen. Ik wijs daarbij op de eerdergenoemde verklaring van [kroongetuige] , dat hij op enig moment van [medeverdachte 2] had begrepen dat zij twee handgranaten naar binnen moesten gooien bij de woning in [plaats] .
het samen met een ander een geldbedrag in het vooruitzicht te stellen”.
tenuitvoerleggingvan de levenslange gevangenisstraf in het individuele geval in overeenstemming is met de eisen die artikel 3 EVRM Pro stelt en (ii) de kwestie of de
opleggingvan die straf in overeenstemming is met de bedoelde eisen. Kwestie (ii) komt neer op de vraag of het stelsel als geheel de waarborgen biedt om te kunnen aannemen dat, na die oplegging, de tenuitvoerlegging niet in strijd zal komen met de eisen die artikel 3 EVRM Pro daaraan stelt. De Hoge Raad heeft die vraag bevestigend beantwoord en heeft daarbij het volgende in aanmerking genomen.
kankomen dat de levenslange gevangenisstraf niet langer kan worden opgelegd, omdat de straf ‘de facto irreducible’ is geworden. Dat oordeel dient te berusten op toereikende feitelijke vaststellingen die zijn gebaseerd op wat daarover tijdens het onderzoek ter terechtzitting ter sprake is gekomen. Daarbij zal in elk geval betekenis toekomen aan “
eventuele structurele tekortkomingen in de tenuitvoerleggingspraktijk waaruit moet worden afgeleid dat de rechtsgang bij de penitentiaire rechter en de burgerlijke rechter onvoldoende effectief is, of die erop neerkomen dat in onvoldoende mate opvolging wordt gegeven aan die rechterlijke beslissingen”. Er bestaat op dit moment echter onvoldoende grond om te oordelen dat onder de werking van de huidige herbeoordelingsprocedure de tenuitvoerlegging van een levenslange gevangenisstraf hoe dan ook in strijd met de eisen van artikel 3 EVRM Pro zal verlopen. De Hoge Raad wijst er in dat verband op dat de genoemde waarborgen ertoe hebben geleid dat de minister meermaals is opgedragen nieuwe beslissingen te nemen met inachtneming van het oordeel van de burgerlijke rechter en dat daaraan opvolging is gegeven. In voorkomende gevallen heeft dit ook geresulteerd in gratieverlening.
Het hof heeft zich, ambtshalve en mede gelet op in zaken van medeverdachten gevoerde verweren, de vraag gesteld of het opleggen van een levenslange gevangenisstraf een onmenselijke bestraffing vormt en in strijd zou (kunnen) zijn met artikel 3 EVRM Pro. Het hof concludeert op basis van het volgende dat dat niet het geval is.