Conclusie
1.Inleiding
2.Het eerste en het tweede middel
Ernst van de feiten
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte is door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, wegens ontucht met een minderjarige en het bezit en verspreiden van kinderporno. Het hof legde bijzondere voorwaarden op, waaronder een contactverbod met het slachtoffer en het vermijden van contact met minderjarigen. Tevens werd een schadevergoedingsmaatregel opgelegd aan de benadeelde partij.
In cassatie zijn vijf middelen ingediend, waarvan de eerste twee gericht zijn op de bijzondere voorwaarden van het contactverbod en het vermijden van contact met minderjarigen. Deze middelen worden verworpen. Middel drie en vier betreffen de toewijzing van materiële schade en de proceskostenveroordeling, waarbij de Hoge Raad oordeelt dat bepaalde reiskosten niet voor vergoeding in aanmerking komen en de proceskostenveroordeling moet worden aangepast. Middel vijf klaagt over overschrijding van de inzendtermijn, wat eveneens wordt toegewezen.
De Hoge Raad vernietigt het arrest voor zover het de hoogte van de straf, de schadevergoeding tot €1.830,81 en de proceskostenveroordeling betreft. De straf wordt verminderd naar de gebruikelijke maatstaf van 36 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk. De toegewezen schadevergoeding wordt vastgesteld op €1.769,87, bestaande uit materiële en immateriële schade, en de proceskostenveroordeling wordt begroot op nihil. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de straf, past de schadevergoeding aan en wijzigt de proceskostenveroordeling in een zaak over ontucht en kinderporno.