ECLI:NL:HR:2022:79

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 februari 2022
Publicatiedatum
26 januari 2022
Zaaknummer
20/02386
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 326.1 SrArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt toewijzing schadevergoeding voor oplichting met vleesschotel

In deze strafzaak is de verdachte veroordeeld voor oplichting waarbij de benadeelde partij, een slager, werd bewogen tot afgifte van een vleesschotel. De benadeelde partij had een schadevergoeding gevorderd van € 86,79 aan materiële schade en € 180 aan immateriële schade, waarbij het hof de immateriële kosten als materiële schade heeft aangemerkt vanwege de aard van de kosten (onkosten zoals aangifte).

Het hof heeft de vordering toegewezen tot een bedrag van € 266,79, inclusief de wettelijke rente, en dit bedrag als materiële schade beschouwd. De verdachte heeft dit niet betwist. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie van de verdachte verworpen en bevestigd dat het hof de vordering niet onbegrijpelijk heeft uitgelegd.

Daarnaast heeft de Hoge Raad ook de overige klachten van de verdachte beoordeeld en deze eveneens verworpen zonder nadere motivering, omdat deze niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het arrest is uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 8 februari 2022.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de toewijzing van € 266,79 materiële schadevergoeding aan de benadeelde partij.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer20/02386
Datum8 februari 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 juli 2020, nummer 21-003374-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat het hof de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] heeft toegewezen tot een bedrag van € 266,79 aan materiële schade en voor dat bedrag een schadevergoedingsmaatregel heeft opgelegd, terwijl de benadeelde partij slechts een bedrag van € 86,79 aan materiële schade heeft gevorderd.
2.2.1
Het hof heeft de verdachte veroordeeld voor oplichting waarbij de benadeelde partij is bewogen tot de afgifte van een vleesschotel.
2.2.2
Bij de stukken bevindt zich een formulier ‘Verzoek tot Schadevergoeding’. Dit formulier houdt onder 4A en 4B als door de benadeelde partij opgegeven schadeposten en daarop gegeven toelichting in:
“4A Materiële schade
(...)
Hapjesschotel excellent 15 personen € 56,32
gepaneerde schnitzels 9,61
Kipschnitzels 4,41
Jordaanse steaks 11,54
Totaal materiële schade € 86,79
4B Immateriële schade (smartengeld)
(...)
Ik zou graag het maximale aan smartengeld willen ontvangen. Volgens de wijkagent zouden wij recht hebben op een bedrag van € 180,- voor het maken van onkosten zoals aangifte etc.
Totaal immateriële schade € 180,-”
2.2.3
Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 266,79 aan materiële schade en voor dat bedrag een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Het heeft daartoe onder meer overwogen:
“De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van materiële schade ten bedrage van € 86,79. Daarnaast heeft de benadeelde partij als immateriële schade een bedrag gevorderd van € 180,- en heeft tevens de wettelijke rente gevorderd. De vordering is bij het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht gedeeltelijk toegewezen, tot een bedrag van € 176,79.
De benadeelde partij heeft zich binnen de grenzen van de eerste vordering opnieuw gevoegd in de strafzaak in hoger beroep. Derhalve duurt de voeging ter zake van de in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding voort in de strafzaak in hoger beroep.
Met betrekking tot het bedrag dat door de benadeelde partij is gevorderd als immateriële schade is het gerechtshof uit de toelichting op de vordering gebleken dat het gaat om een vergoeding ter zake van door de benadeelde partij gemaakte onkosten gemaakt voor het doen van aangifte en dergelijke. Het gerechtshof beschouwt die kostenpost daarom als materiële schade.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De vordering is niet betwist door de verdachte. De verdachte is tot vergoeding van de schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 augustus 2016 tot aan de dag van algehele voldoening.”
2.3
Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij zo uitgelegd dat ook het bedrag van € 180 dat is vermeld in rubriek 4B van het onder 2.2.2 weergegeven formulier slechts materiële schade betreft. Die uitleg is niet onbegrijpelijk, nu het blijkens dit formulier gaat om gemaakte “onkosten zoals aangifte etc.”. Dat de benadeelde partij deze kosten op het voorgedrukte formulier kennelijk per abuis heeft ingevuld onder het kopje “Immateriële schade (smartengeld)”, maakt dat niet anders.

3.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige

De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
8 februari 2022.