Conclusie
Nummer 19/00177
tweedemiddel klaagt dat de motivering van de kwalificatie van het onder 2 bewezenverklaarde feit voor zover betrekking hebbend op de foto’s 1, 3 en 4 dat er sprake is van een afbeelding van een seksuele gedraging onbegrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd. Voordat ik dit middel bespreek, geef ik eerst de bewezenverklaring, de bewijsmiddelen, een ter terechtzitting in hoger beroep gevoerd verweer en ’s hofs verwerping daarvan weer. Ook ga ik kort in op internationale rechtsinstrumenten, wetswijzingen en rechtspraak betreffende de strafbaarstelling van art. 240b Sr.
Bewezenverklaring, bewijsmiddelen en bewijsoverweging
en
BFK: volgt een omschrijving van drie andere foto’s die overeenkomt met de beschrijving van deze foto’s in de bewezenverklaring)
Geen seksueel karakter, geen interactie met minderjarige
meteen minderjarige en daarmee kunnen de foto's niet als kinderpornografisch worden gekwalificeerd.’
"en "FOTO ‘4") dan wel twee ("FOTO 3") van zijn jonge kinderen bevindt of bevinden. Gelet op de aard van de afbeeldingen is de aanwezigheid van de kinderen niet min of meer toevallig, maar vormen zij (deels) het onderwerp van de betreffende foto's. De foto's hebben voorts telkens onmiskenbaar een seksuele lading, zij zijn bedoeld ter seksuele prikkeling.
seksuele gedragingwaarbij iemand die de leeftijd van achttien jaren (
BFK: nog niet heeft bereikt)
is betrokkenof schijnbaar is betrokken (artikel 240b Sr). Het hof beantwoordt die vraag in de omstandigheden van het geval bevestigend en overweegt in dit verband het volgende.
BFK: van het hof) voorts sprake van seksuele exploitatie van die kinderen.
schijnbarebetrokkenheid van kinderen leidt tot strafbaarheid onder genoemde bepaling.
Internationale rechtsinstrumenten
Artikel 1
Optional Protocol to the United Nations Convention on the Rights of the Child. It defines the term “child pornography” as any visual depiction of a child engaged in real or simulated sexually explicit conduct, or any representation of a child’s sexual organs “for primarily sexual purposes”. Such images are governed by national standards pertaining to bodily harm, or the classification of materials as obscene or inconsistent with public morals. Therefore, material having an artistic, medical, scientific or similar merit, i.e. where there is absence of sexual purposes, does not fall within the ambit of this provision. The visual depiction includes data stored on computer diskette or on other electronic means or other storage device which are capable of conversion into a visual image.
Artikel 1
child pornographyin de eerste rechtsinstrumenten niet was gedefinieerd. Daarin kwam in 2000 verandering door het Facultatief Protocol. Dat merkte als kinderpornografie aan (1)
any representation (…) of a child engaged in real or simulated explicit sexual activities; (2)
any representation of the sexual parts of a child for primarily sexual purposes. In de
Convention on Cybercrimekeerde de tweede categorie niet terug. Een verruiming was dat de verplichting tot strafbaarstelling niet alleen van toepassing was bij een
minor, maar ook bij een
person appearing to be a minoren bij
realistic images representing a minor. Het Kaderbesluit combineerde de benaderingen van het Facultatief Protocol en de
Convention on Cybercrime. Afbeeldingen waarop (kort gezegd) de geslachtsdelen van een kind te zien zijn werden benaderd als subcategorie (‘waaronder’) van afbeeldingen waarop het kind is betrokken bij of deelneemt aan expliciet seksueel gedrag. Het Verdrag van Lanzarote maakte onderscheid tussen twee categorieën, net als het Facultatief Protocol. Richtlijn 2011/93/EU ten slotte maakt eveneens onderscheid tussen twee categorieën afbeeldingen.
sexual activityof
sexual conductin de zin van de diverse rechtsinstrumenten dient te worden geduid. Het
Explanatory Reportbij het Verdrag van Lanzarote duidt
masturbationen enkele andere gedragingen als zodanig aan maar laat de invulling van het begrip overigens in belangrijke mate over aan de Staten. Ik wijs er in dit verband op dat uit de beschrijving van foto 4 (zie ook de bewijsmiddelen 1 en 7) volgt dat de penis van de verdachte stijf is, maar niet dat de verdachte zijn penis vasthoudt. De overweging van het hof dat de verdachte ‘op de foto’s telkens zijn blote, al dan niet stijve, penis vast(houdt)’ vindt wat foto 4 betreft geen steun in de gebezigde bewijsmiddelen. Bij deze foto zit het kind achter de verdachte. Uit ’s hofs vaststellingen volgt dat zij over de schouder van de verdachte kijkt maar niet dat zij de penis waarneemt. Het hof spreekt van een seksuele ambiance; de afbeeldingen hebben een seksuele strekking waarvan de kinderen ‘deel uitmaken’. Dat de kinderen deel uitmaken van de seksuele strekking van de afbeeldingen betekent echter niet dat zij deelnemen (in de zin van de diverse besproken rechtsinstrumenten) aan (seksuele) handelingen die daarop (voor hen verborgen) te zien zijn.
De wetsgeschiedenis van art. 240b Sr
NJ1990/667 m.nt. ‘t Hart). Deze uitspraak werd kritisch benaderd door D66, PvdA en GroenLinks. [16] Minister Sorgdrager omschreef naar aanleiding van die kritiek in de Nota naar aanleiding van het Verslag in een ‘globale aanduiding’ vijf categorieën gedragingen die onder de strafbaarstelling vielen: [17]
schijnbaar. Het gewijzigde artikel zal dan zien op drie gevallen: (1) een afbeelding van een echt kind; (2) een afbeelding van een echt persoon die eruit ziet als een kind; (3) een realistische afbeelding van een niet bestaand kind. Deze drie categorieën zijn ook vermeld in artikel 9, tweede lid, van de Convention on Cyber-Crime: (a) a minor engaged in sexually explicit conduct; (b) a person appearing to be a minor engaged in sexually explicit conduct; (c) realistic images representing a minor engaged in sexually explicit conduct. Eenzelfde indeling is opgenomen in artikel 1, onderdeel b, van het reeds genoemde voorstel voor een kaderbesluit van de Raad ter bestrijding van seksuele uitbuiting van kinderen en van kinderpornografie.
schijnbaarechte kinderporno verbeeldt.
Rechtspraak
NJ1990/667 m.nt. ‘t Hart ging het om de beoordeling van een bezwaarschrift tegen de dagvaarding. Tenlastegelegd was, kort gezegd, het in voorraad hebben van foto’s waarop jongens die kennelijk de leeftijd van zestien jaar nog niet hadden bereikt, poseerden op zodanige wijze ‘dat hun geslachtsdelen nadrukkelijk in beeld gebracht worden en/of op een wijze die kennelijk bedoeld is althans mede bedoeld is om seksuele prikkeling op te wekken’. Het hof had geoordeeld ‘dat onder afbeelding van een seksuele gedraging in de zin van art. 240b Sr mede moet worden begrepen de afbeelding (van iemand die kennelijk de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, al dan niet alleen) in een zodanige houding dat daarmee kennelijk het opwekken van seksuele prikkeling wordt beoogd’. In cassatie werd geklaagd dat deze overweging om verschillende redenen onbegrijpelijk was. Ten eerste zou noch in de tekst, noch in de wetsgeschiedenis van art. 240b Sr een aanknopingspunt te vinden zijn voor de opvatting dat dit artikel mede het oog heeft ‘op kinderen in een zodanige houding dat daarmee kennelijk het opwekken van seksuele prikkeling is beoogd’. Ten tweede zou het begrip ‘seksuele gedraging’ ontoelaatbaar ruim zijn uitgelegd door daaronder mede een ‘houding’ te begrijpen. Ten derde zouden afbeeldingen waarop alleen een persoon die kennelijk de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt te zien is (en geen derde) geen afbeeldingen in de zin van art. 240b Sr kunnen zijn. Uw Raad oordeelde dat ’s hofs verwerping van het verweer geen blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting en dat het door het hof overwogene niet onbegrijpelijk was.
NJ2011/81 m.nt. Schalken heeft Uw Raad in een aan de beoordeling van de middelen voorafgaande beschouwing het volgende overwogen:
NJ2001/61 m.nt. De Hullu.
Het tweede middel
engaged, daaraan ‘deelneemt’ in de zin van de richtlijn en het Verdrag van Lanzarote, en daarbij is ‘betrokken’ in de zin van art. 240b Sr. [32] Ik wijs in dit verband op de bewezenverklaring die verband houdt met de foto op p. 191. Tegen kwalificatie van die foto als kinderpornografisch wordt in cassatie ook niet opgekomen. [33]
schijnbarebetrokkenheid van kinderen leidt tot strafbaarheid onder genoemde bepaling’. Met de steller van het middel meen ik dat deze overweging niet begrijpelijk is. Dat ook strafbaar is het in bezit hebben etc. van een afbeelding waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt schijnbaar is betrokken, heeft betrekking op virtuele kinderpornografie. Het breidt de reikwijdte van de strafbaarstelling niet in die zin uit dat lagere eisen worden gesteld aan het verband tussen op de afbeelding zichtbare kinderen en de daarop zichtbare seksuele gedraging. Nu het hier gelet op de context gaat om een overweging ten overvloede, behoeft het slagen van deze deelklacht evenwel op zichzelf genomen niet tot cassatie te leiden.
Ernst van de feiten’ het volgende:
eerstemiddel klaagt over de door het hof gestelde bijzondere voorwaarde dat de verdachte gedurende de proeftijd van vijf jaren alleen contact heeft met (zijn) kinderen onder toeziend oog van hulpverlening/andere volwassenen, indien en voor zover de reclassering dit nodig acht. Deze voorwaarde zou dusdanig verstrekkend zijn dat zij zonder nadere inkadering in strijd is met art. 8 EVRM Pro. Zij zou voorts niet te handhaven zijn en voor de verdachte onoverzienbare consequenties hebben. Hij zou onmogelijk kunnen voorkomen dat een kind contact met hem maakt als er geen andere meerderjarige bij aanwezig is. De steller van het middel wijst daarbij op HR 6 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2981,
NJ2015/431.
derdemiddel klaagt dat de strafmotivering (zie randnummer 59) onbegrijpelijk is nu het hof bij het bepalen van de straf rekening heeft gehouden met de aanwezigheid van nog ruim 30 afbeeldingen waarvan het hof heeft vastgesteld dat een aanzienlijk deel daarvan als kinderpornografisch is aan te merken, terwijl deze niet ten laste zijn gelegd. De steller van het middel wijst er daarbij op dat Uw Raad in HR 24 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1497,
NJ2014/339 m.nt. Reijntjes het rekening houden met kinderpornografische afbeeldingen die niet ten laste zijn gelegd slechts onder voorwaarden mogelijk acht en dat het hof niet heeft getoetst aan deze voorwaarden. Van grootschalig bezit zou geen sprake zijn; de steller van het middel wijst erop dat de verdachte is vrijgesproken van het maken van een gewoonte van het bezit van kinderpornografische bestanden. De verdachte zou niet hebben erkend dat hij genoemde 30 afbeeldingen voorhanden heeft gehad en door het hof niet in de gelegenheid zijn gesteld zich hierover uit te laten. Voor de verdachte zou niet voorzienbaar zijn of en hoe het hof hiermee in strafverzwarende zin rekening zou kunnen houden. En ’s hofs oordeel dat daadwerkelijk sprake is van kinderpornografische afbeeldingen zou in cassatie op geen enkele wijze controleerbaar zijn.