Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:PHR:2026:223

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
25/01086
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 843a RvArt. 194 RvArt. 195a RvArt. 205 RvArt. 206 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing inzagevordering bewijsbeslag wegens onvoldoende aannemelijkheid onrechtmatige concurrentie

Deze zaak betreft een bewijsbeslag en een inzagevordering ex art. 843a Rv (oud) door [eiseres] tegen F2Y c.s. wegens vermeende onrechtmatige concurrentie. [Eiseres] stelt dat F2Y c.s. werknemers, klanten en telers van haar hebben overgenomen, vertrouwelijke informatie hebben gebruikt en haar bedrijfsmodel hebben gekopieerd.

De voorzieningenrechter en het hof hebben de vorderingen van [eiseres] afgewezen omdat zij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een rechtsbetrekking die inzage rechtvaardigt. Het hof heeft de Semtex-maatstaf toegepast en geoordeeld dat de stellingen van [eiseres] onvoldoende onderbouwd zijn, ook niet in samenhang bezien. Het hof oordeelde tevens dat het bewijsbeslag niet meer voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit en heeft het beslag opgeheven.

In cassatie klaagt [eiseres] onder meer dat het hof de maatstaf onjuist heeft toegepast en te hoge eisen heeft gesteld aan de aannemelijkheid van onrechtmatig handelen. De Hoge Raad oordeelt dat het hof de juiste maatstaf heeft gehanteerd, de beoordeling zorgvuldig heeft gemotiveerd en dat het oordeel feitelijk van aard is en niet onbegrijpelijk. Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof bekrachtigd.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest dat de inzagevordering en het bewijsbeslag afwijst wegens onvoldoende aannemelijkheid van onrechtmatige concurrentie.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/01086
Zitting6 maart 2026
CONCLUSIE
G. Snijders
In de zaak
[eiseres] B.V.,
eiseres tot cassatie,
advocaat: B.T.M. van der Wiel
tegen
1. Fresh2You B.V.,
2. [verweerder 2] ,
3. [verweerder 3] ,
4. [verweerder 4] ,
5. [verweerder 5] ,
6. [verweerder 6] ,
verweerders in cassatie
advocaat: B.I. Kraaijpoel en T.E. Booms
Partijen worden hierna aangeduid als enerzijds [eiseres] en anderzijds F2Y, [verweerder 2] , [verweerder 3] , [verweerder 4] , [verweerder 5] en [verweerder 6] , gezamenlijk F2Y c.s.

1.Inleiding

Deze zaak heeft betrekking op een bewijsbeslag en een inzagevordering ex art. 843a Rv (oud). Volgens [eiseres] doen F2Y c.s. haar onrechtmatige concurrentie aan, al dan niet in groepsverband (art. 6:166 BW Pro). Om dit nader aannemelijk te kunnen maken, heeft [eiseres] bewijsbeslag gelegd onder F2Y c.s. en vordert zij in dit kort geding inzage in het beslagen materiaal. F2Y c.s. hebben in reconventie opheffing van het beslag gevorderd. Het hof heeft, evenals de voorzieningenrechter, geoordeeld dat [eiseres] het bestaan van de door haar aan haar inzagevordering ten grondslag gelegde rechtsbetrekking onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt, en het heeft daarom de vordering van [eiseres] afgewezen en die van F2Y toegewezen. Hiertegen komt [eiseres] in cassatie op met een zeer groot aantal klachten, die goeddeels tegen feitelijke oordelen zijn gericht. Geen van die klachten treft doel. Het beroep leent zich voor toepassing van art. 81 RO Pro.

2.Feiten en procesverloop

2.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan: [1]
(i) [eiseres] is onder de naam [eiseres] in 2010 opgericht door [verweerder 3] . De aandelen in die vennootschap werden gehouden door [A] B.V. Bestuurder en enig aandeelhouder van [A] B.V. was [Holding 1] B.V. [verweerder 3] was en is daarvan de indirecte bestuurder.
(ii) [eiseres] is actief op het gebied van teelt van en handel in groenten, welke handel ook wel in bredere zin wordt aangeduid als AGF-markt (Aardappelen, Groenten en Fruit-markt). De kernactiviteiten van [eiseres] zijn handel in en teelt van bonen en spruiten. [eiseres] werkt samen met teeltlocaties in Nederland, Marokko en Senegal. Vanaf medio 2022 voert [eiseres] de handelsnaam Priméale United.
(iii) Door middel van een Share Purchase Agreement van 9 juli 2015 (hierna: SPA) heeft [Holding 1] B.V. alle aandelen in [A] B.V. verkocht aan de Franse Landbouwcoöperatie Agrial voor een koopsom van circa € 119,5 miljoen. De overdracht van de aandelen heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2015.
(iv) In de art. 11.1.1 en 11.1.2. van de SPA is een non-concurrentiebeding en wervingsverbod opgenomen voor [verweerder 3] met een termijn van 3 jaar. Het non-concurrentiebeding en het wervingsverbod zijn (in ieder geval) vervallen op 7 oktober 2018.
(v) Op 18 april 2016 is F2Y opgericht door Stichting Administratiekantoor F2Y (hierna: STAK F2Y). STAK F2Y houdt alle aandelen in F2Y en geeft op haar beurt certificaten van aandelen uit. De certificaathouders (en de achterliggende natuurlijke personen) in STAK F2Y zijn:
- Stichting Administratiekantoor [Holding 2] ( [verweerder 2] );
- Stichting Administratiekantoor [Holding 3] ( [betrokkene 1] );
- Casteel Holding BV ( [betrokkene 2] );
- Barxeta Holding BV ( [betrokkene 3] ); en
- [Holding 4] B.V. ( [betrokkene 4] ).
[verweerder 2] en [betrokkene 1] zijn kinderen van [verweerder 3] .
(vi) STAK F2Y houdt kantoor aan [a-straat 1] te [plaats] . Op dat adres staan ook enkele vennootschappen van [verweerder 3] geregistreerd. Verder is [verweerder 3] de bestuurder van Stichting Administratiekantoor [Holding 3] .
(vii) F2Y hield zich van 2016 tot en met 2019 (met name) bezig met ‘Cash & Carry’, dat wil zeggen de handel in groenten en fruit aan afnemers zoals markthandelaren, buurtsupermarkten en groentespeciaalzaken. In die jaren was F2Y geen concurrent van [eiseres] en werkte zij ook samen met [eiseres] . Vanaf 2019/2020 veranderde dit. Inmiddels houdt F2Y zich bezig met de handel in en teelt van bonen en spruiten. F2Y werkt samen met teeltlocaties in Nederland, Marokko en Senegal. F2Y werkt samen met Quality Citrus Morocco (hierna: QCM) en Quality Fruit Senegal (hierna: QFS). QCM en QFS zijn opgericht in 2016.
(viii) F2Y houdt alle aandelen in Fresh2You BV, een besloten vennootschap naar Belgisch recht (hierna: F2Y België). [verweerder 2] is bestuurder van F2Y België. F2Y houdt ook 70% van de aandelen in Freshsprouts B.V. (hierna: Freshsprouts). De overige 30% van de aandelen in Freshsprouts zijn in handen van (de persoonlijke holdings van) [verweerder 5] en [verweerder 6] .
(ix) [verweerder 2] was vanaf 1 januari 2005 tot en met 30 september 2016 in dienst van [eiseres] in de functie van operational director. [verweerder 2] is (samen met [betrokkene 2] ) de oprichter van F2Y en sinds haar oprichting ook bestuurder van F2Y.
(x) [verweerder 4] was van januari 2011 tot en met augustus 2020 in dienst van [eiseres] in de functie van commercial director. Uit hoofde van die functie was hij verantwoordelijk voor de bonen en spruiten (in het bijzonder voor het onderhouden van het klantennetwerk). Per 1 september 2020 is hij betrokken bij F2Y als managing director via zijn persoonlijke holding AGF Management B.V.
(xi) [verweerder 5] was van september 2005 tot en met augustus 2021 in dienst van [eiseres] in de functie van business development manager. Hij is na zijn uitdiensttreding bij [eiseres] nog tot en met december 2021 aan [eiseres] verbonden verbleven als ZZP’er. Vanaf januari 2022 werkt hij via Freshsprouts samen met F2Y. [verweerder 5] had een non-concurrentiebeding bij [eiseres] dat op 1 juli 2021 is vervallen.
(xii) [verweerder 6] was vanaf september 2014 tot en met januari 2021 in dienst van [eiseres] in de functie van commercial manager sprouts. [verweerder 6] had een non-concurrentiebeding bij [eiseres] dat afliep in december 2021. Vanaf februari 2022 werkt hij via Freshsprouts samen met F2Y.
(xiii) Fenmarc was een klant van [eiseres] in het Verenigd Koninkrijk. In de loop van 2022 is Fenmarc klant geworden van F2Y.
(xiv) [eiseres] heeft op 28 februari 2023 bij de rechtbank een verzoekschrift ingediend, waarin zij de voorzieningenrechter verlof heeft gevraagd tot het leggen van bewijsbeslag en tot afgifte ter gerechtelijke bewaring ten laste van F2Y c.s. Aan het verzoek heeft zij ten grondslag gelegd dat F2Y c.s. jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld door te bewerkstelligen dat tientallen werknemers, telers en klanten zijn overgestapt naar F2Y, waardoor [eiseres] op grote schaal winsten heeft gederfd en de waarde van de door haar overgenomen aandelen aanzienlijk is gedaald.
(xv) De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft bij beschikking van 6 april 2023 het verlof tot het leggen van bewijsbeslag verleend voor de (onder 3.2) in het dictum van de beschikking genoemde bescheiden. De beslaglegging is aangevangen op 17 mei 2023 en afgerond op 23 mei 2023. Op 23 mei 2023 heeft de deurwaarder een exploot aanzegging verwijderen data betekend aan F2Y. Daarin staat dat tijdens de beslaglegging op 17 mei 2023 tussen 15:16 en 15:19 uur 732 e-mails zijn verwijderd uit de mailbox van een van gedaagden. Van deze verwijderde e-mails is een back-up beschikbaar die beslagen is.
2.2
Bij de deze procedure inleidende dagvaarding van 9 juni 2023 heeft [eiseres] F2Y c.s. in kort geding gedagvaard voor de rechtbank Zeeland-West-Brabant. [eiseres] heeft gevorderd de deurwaarder een selectie te mogen laten maken uit bepaalde van de in de beslag genomen bescheiden, aan de hand van bepaalde zoektermen, en een bevel aan F2Y c.s. om bepaalde bescheiden aan [eiseres] te verstrekken, dit alles zoals nader omschreven in de dagvaarding. [2]
Aan deze vordering heeft [eiseres] ten grondslag gelegd dat zij concrete aanwijzingen heeft dat F2Y c.s. zich schuldig hebben gemaakt aan onrechtmatige concurrentie. Het bedrijfsdebiet van [eiseres] is substantieel en stelselmatig geschaad doordat F2Y, vermoedelijk op instigatie of met actieve betrokkenheid van [verweerder 3] en in ieder geval van [verweerder 2] , die de kern van de onderneming van [eiseres] heeft gekopieerd. Sinds de oprichting van F2Y zijn bijna 50 werknemers van [eiseres] uit dienst getreden (waaronder [verweerder 2] , [verweerder 4] , [verweerder 5] en [verweerder 6] ) om vervolgens direct daarna in dienst te treden bij F2Y of bij aan F2Y gelieerde vennootschappen. Het betreft veelal werknemers in sleutelposities, die beschikken over belangrijke expertise voor de bonen- of spruitenteelt of met belangrijke connecties met klanten of telers. In ieder geval [verweerder 4] heeft hierbij actieve betrokkenheid gehad. De toplaag van het management van F2Y wordt (grotendeels) gevormd door voormalig [eiseres] -werknemers die nu sleutelposities binnen F2Y vervullen. Bij het overnemen van personeelsleden van [eiseres] zijn concurrentiebedingen door [verweerder 4] aangepast en daarnaast omzeild met schijnconstructies. De werknemers zijn onder meer ingezet om belangrijke klanten en telers van [eiseres] af te pakken, om daarmee in één keer een sterke marktpositie te verkrijgen ten koste van [eiseres] . Daarbij lijken in ieder geval [verweerder 4] , [verweerder 5] en [verweerder 6] een cruciale rol te hebben gespeeld, maar dit heeft plaatsgevonden ten behoeve van F2Y en vermoedelijk hebben [verweerder 3] of [verweerder 2] hierin de leiding. F2Y c.s. hebben bij dit alles gebruik gemaakt van vertrouwelijke informatie van [eiseres] .
[eiseres] stelt dat zij een rechtmatig belang heeft bij inzage in de bescheiden, omdat deze zien op het nader vaststellen van de aard en omvang van het onrechtmatig handelen van F2Y c.s. De onrechtmatige concurrentie die F2Y c.s. [eiseres] aandoen is grotendeels verborgen gebleven. [eiseres] ondervindt onredelijk nadeel als de bescheiden niet aan haar als bewijsmiddelen ter beschikking komen.
De bescheiden zijn verder voldoende bepaald. Er is geen sprake van een ‘fishing expedition’, nu uit het door [eiseres] overgelegde bewijs al genoegzaam blijkt dat F2Y c.s. betrokken zijn geweest bij het overnemen van werknemers, klanten of telers van [eiseres] . [3]
2.3
In reconventie hebben F2Y c.s. gevorderd de gelegde beslagen op te heffen.
2.4
Bij vonnis van 30 augustus 2023 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant zowel in conventie als in reconventie de vorderingen afgewezen. [4] De voorzieningenrechter oordeelde dat [eiseres] met betrekking tot geen van de gedaagden voldoende aannemelijk had gemaakt dat een rechtsbetrekking bestaat die inzage kan rechtvaardigen (rov. 5.29). Voorts oordeelde de voorzieningenrechter dat door F2Y c.s. onvoldoende is gesteld om opheffing van het beslag te rechtvaardigen (rov. 5.40).
2.5
[eiseres] heeft van het vonnis van de voorzieningenrechter hoger beroep ingesteld bij het hof ’s-Hertogenbosch. F2Y c.s. hebben incidenteel hoger beroep ingesteld. Het hof heeft bij arrest van 28 januari 2025 in conventie het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd en in reconventie dat vonnis vernietigd en de gelegde beslagen opgeheven. [5]
2.6
Het hof heeft in rov. 4.9 het volgende vooropgesteld:
“Voor de beoordeling van een vordering op de voet van art. 843a Rv heeft te gelden dat het bestaan van de rechtsbetrekking waarop de vordering ziet, voldoende aannemelijk moet zijn. Die maatstaf stelt de rechter in staat een evenwicht te vinden tussen het belang van eiser of verzoeker om de waarheid te kunnen achterhalen en zijn bewijspositie te versterken, en het belang van verweerder om geen vertrouwelijke informatie prijs te hoeven geven en om verschoond te blijven van de ingrijpende maatregel die exhibitie niet zelden is. Die maatstaf biedt de rechter voorts voldoende ruimte om rekening te houden met de aard van het onderliggende geschil en de overige omstandigheden van het geval, waaronder de omvang van de gevorderde exhibitie en de mogelijkheid om het bestaan van de gestelde vordering met andere bewijsmiddelen te onderbouwen. Degene die inzage, afschrift of uittreksel van bewijsmateriaal verlangt om een door hem vermoede tekortkoming of onrechtmatige daad te kunnen aantonen, zal derhalve gemotiveerd zodanige feiten en omstandigheden dienen te stellen en met eventueel reeds voorhanden bewijsmateriaal moeten onderbouwen, dat voldoende aannemelijk is dat die tekortkoming of onrechtmatige daad zich heeft voorgedaan of dreigt voor te doen. De vraag wat in het kader van een vordering uit hoofde van art. 843a Rv bij een gestelde tekortkoming of onrechtmatige daad als een ‘voldoende ’ mate van aannemelijkheid kan worden beschouwd, kan niet in algemene zin kan worden beantwoord. Het komt steeds aan op een waardering van de stellingen en verweren van partijen en de overtuigingskracht van het eventueel reeds overgelegde bewijsmateriaal. Daarbij is enerzijds uitgangspunt dat niet behoeft te zijn voldaan aan de mate van aannemelijkheid die is vereist voor toewijzing in kort geding van een op (dreigend) tekortschieten of onrechtmatig handelen gebaseerde (ge- of verbods)vordering of vordering tot schadevergoeding; anderzijds dienen aan de mate van aannemelijkheid van de gestelde tekortkoming of onrechtmatige daad bij de beoordeling van een inzagevordering hogere eisen te worden gesteld dan bij de beoordeling van een verzoek tot het in beslag mogen nemen van bewijsmateriaal (vgl. HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1251).”
2.7
Het hof stelt vast dat [eiseres] (in ieder geval) in hoger beroep haar vorderingen (ook) heeft toegespitst op groepsaansprakelijkheid, daar waar in eerste aanleg [eiseres] (primair) stelde dat ieder van geïntimeerden zich schuldig heeft gemaakt aan onrechtmatige concurrentie. Het hof beoordeelt de stellingen van [eiseres] dan ook mede op basis van de door [eiseres] gestelde groepsaansprakelijkheid van F2Y c.s. (rov. 4.13).
2.8
Het hof beoordeelt vervolgens, mede in het licht van het gemotiveerde verweer van F2Y, de stellingen van [eiseres] die het onrechtmatig handelen door F2Y c.s. aannemelijk maken, te weten (1) de uittocht van tientallen (bijna 50) voormalig werknemers van [eiseres] naar F2Y of aan haar gelieerde bedrijven, (2) de omzeiling van non-concurrentiebedingen van voormalig werknemers van [eiseres] , (3) het meenemen en gebruiken van vertrouwelijke bedrijfsinformatie van [eiseres] ten behoeve van F2Y, (4) de overgang van belangrijke klanten en telers van [eiseres] naar F2Y, terwijl [eiseres] met deze partijen doorgaans jarenlange samenwerkingsverbanden had, (5) de betrokkenheid van [verweerder 3] bij F2Y en (6) het kopiëren van het bedrijfsmodel van [eiseres] (rov. 4.18-4.37).
Naar het oordeel van het hof heeft [eiseres] op geen van deze punten voldoende aannemelijk gemaakt dat zich een onrechtmatige daad heeft voorgedaan of dreigt voor te doen. Ook als de feiten in onderlinge samenhang worden beschouwd, is er volgens het hof geen rechtsbetrekking aannemelijk geworden die tot een recht op inzage leidt (rov. 4.38). Volgens het hof heeft [eiseres] onvoldoende aangedragen op grond waarvan kan worden geoordeeld dat geïntimeerden hebben gehandeld als een groep en met een duidelijk plan. Het hof ziet bovendien geen, althans onvoldoende, aanknopingspunten voor het aannemen van een objectieve samenhang tussen verschillende gedragingen die [eiseres] ten grondslag legt aan de door haar gestelde onrechtmatige concurrentie. Daarvoor lopen de gedragingen zowel qua verschijningsvorm als in de tijd waarbinnen deze gedragingen zich hebben voorgedaan, teveel uiteen (rov. 4.39).
Het door [eiseres] gedane verzoek om F2Y c.s. op de voet van art. 22 Rv Pro te bevelen het hiervoor in 2.1 onder (xv) bedoelde Excel-bestand met verwijderde e-mails over te leggen en daaraan de voorwaarde te verbinden dat enkel het hof kennis zal mogen nemen van het Excel-bestand, wijst het hof af (rov. 4.40).
[eiseres] heeft volgens het hof haar belang bij de beslaglegging onvoldoende aannemelijk gemaakt en de beslaglegging voldoet volgens het hof ook niet meer aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit (rov. 4.44). Het hof overweegt:
“4.45. Tussen partijen is een uitvoerig debat gevoerd of sprake is geweest van onrechtmatige concurrentie door F2Y c.s. of niet. [eiseres] meent van wel, terwijl F2Y c.s. uitgebreid en omstandig heeft betoogd dat sprake is geweest van rechtmatige concurrentie. [eiseres] heeft, daar waar zij gemakkelijk in staat was om haar stellingen op punten nader te onderbouwen, dit (ook) in hoger beroep nagelaten. (…) Nu [eiseres] bovendien haar vorderingen in hoger beroep heeft toegesneden op onrechtmatige concurrentie in groepsverband, terwijl daarvan in het geheel niet is gebleken (vgl. rechtsoverweging 4.39), ziet het hof aanleiding het beslag op te heffen.”
Het belang van F2Y c.s. bij opheffing van het beslag weegt naar het oordeel van het hof zwaarder dan het belang van [eiseres] bij handhaving daarvan (rov. 4.46).
2.9
[eiseres] heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. [6] F2Y c.s. hebben bij verweerschrift geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk laten toelichten. [eiseres] heeft gerepliceerd en F2Y c.s. hebben gedupliceerd.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het middel bevat 10 onderdelen, die alle op hun beurt meerdere klachten bevatten. Het middel klaagt in de eerste plaats dat het hof bij de beoordeling van de inzagevordering in strijd heeft geoordeeld met de Semtex-maatstaf (die het hof in rov. 4.9 noemt).
Voordat wordt ingegaan op de klachten, wordt hierna eerst kort stilgestaan bij het op de inzagevordering in deze zaak toepasselijke recht en bij de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan voor de toewijzing van die vordering.
Op inzagevordering toepasselijke recht
3.2
Op 1 januari 2025 is de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht in werking getreden. [7] Op grond van deze wet is onder meer art. 843a Rv (oud) komen te vervallen. In plaats daarvan is het inzagerecht nu geregeld in de art. 194-195a Rv. Ook is nu voorzien in een wettelijke regeling voor een algemeen conservatoir bewijsbeslag (art. 205-207 Rv). Voorheen vond dat beslag alleen een basis in de rechtspraak.
Art. XIIA van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht bepaalt: ‘Ten aanzien van de verdere behandeling door een rechtbank, een gerechtshof of de Hoge Raad van zaken die op de datum van inwerkingtreding van deze wet met een dagvaarding aanhangig zijn dan wel met een verzoekschrift zijn ingediend, blijft het recht zoals dat gold vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet van toepassing.’
In de nota van wijziging is ter toelichting op die bepaling het volgende vermeld:
‘Artikel XIIA betreft een overgangsbepaling. Op grond van deze bepaling gelden de artikelen van dit wetsvoorstel uitsluitend voor procedures die op of na de datum van inwerkingtreding van dit wetsvoorstel bij de rechter aanhangig worden gemaakt. Het procesrecht zoals dat geldt vóór de inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing op alle bij de verschillende gerechten aanhangig gemaakte dagvaardingzaken dan wel ingediende verzoekschriften totdat de procedure in die instantie is beëindigd. Als de rechter op of na de datum van inwerkingtreding van deze wet uitspraak doet, is op een eventuele volgende instantie na het instellen van een rechtsmiddel tegen die uitspraak het nieuwe recht van toepassing’. [8]
De aard van de cassatierechtspraak brengt echter mee dat in geval van een cassatieberoep het cassatiemiddel dient te worden beoordeeld aan de hand van het vóór 1 januari 2025 geldende recht, als de uitspraak waarvan beroep wordt ingesteld, is gedaan onder toepasselijkheid van het oude recht. De aard van de verwijzingsprocedure (die een heropening van de appelinstantie is) brengt in dat geval mee dat na een eventuele cassatie en verwijzing ook op die procedure het oude recht van toepassing is. [9]
Voor het onderhavige cassatieberoep betekent dit dat het oordeel van het hof moet worden beoordeeld aan de hand van het voor 1 januari 2025 geldende bewijsrecht, dus art. 843a Rv (oud).
Art. 843a Rv (oud)
3.3
Art. 843a lid 1 Rv bepaalt dat hij die daarbij rechtmatig belang heeft, op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel kan vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft (hiervoor en hierna steeds kort ‘inzage’ genoemd). Het tweede lid van het artikel, waarin is bepaald dat de rechter zo nodig de wijze waarop inzage zal worden verschaft, bepaalt, en ook het derde en vierde lid daarvan, waarin uitzonderingen op de exhibitieplicht zijn opgenomen voor bepaalde geheimhouders en voor gevallen waarin gewichtige redenen en redenen van proportionaliteit of subsidiariteit aan voldoening aan de vordering in de weg staan, spelen in dit cassatieberoep geen dan wel slechts een zeer marginale rol.
3.4
Art. 843a lid 1 Rv stelt voor toewijzing van een op deze bepaling gegronde vordering drie cumulatieve voorwaarden: (i) dat de verzoeker een rechtmatig belang heeft bij de inzage, (ii) dat het gaat om bepaalde bescheiden en (iii) dat die bescheiden betrekking hebben op een rechtsbetrekking waarbij de verzoeker of een rechtsvoorganger van de verzoeker partij is. [10] Over deze voorwaarden – die sterk met elkaar samenhangen – bestaat de nodige literatuur. [11]
3.5
Uit de parlementaire geschiedenis van het op 1 april 1988 in werking getreden art. 843a Rv blijkt dat de onder (i) genoemde voorwaarde van een ‘rechtmatig belang’ in die bepaling is bedoeld om te voorkomen dat de exhibitieplicht van art. 843a Rv nodeloos wordt ingeroepen. [12] Deze voorwaarde is bovendien samen met de eis dat het gaat om ‘bepaalde bescheiden’ mede bedoeld om zogeheten ‘
fishing expeditions’ te voorkomen. [13] Een partij heeft een rechtmatig belang bij inzage als de betrokken bescheiden relevant kunnen zijn voor de vaststelling van voor haar relevante feiten. [14]
De onder (ii) genoemde voorwaarde dat het verzoek betrekking heeft op ‘bepaalde bescheiden’, beoogt eveneens om
fishing expeditionste voorkomen. Degene die inzage verlangt, zal voldoende concreet moeten aangeven in welke bescheiden hij inzage wenst. Alleen dan kan worden beoordeeld of hij ook een voldoende relevant belang heeft bij inzage. [15]
De onder (iii) genoemde voorwaarde dat de bescheiden betrekking hebben op een rechtsbetrekking waarbij de verzoeker of een rechtsvoorganger van de verzoeker partij is, beoogt tot slot eveneens om
fishing expeditionste voorkomen. Deze voorwaarde dicteert immers het belang dat de verzoeker ten minste zal moeten hebben bij inzage. Dat is dat de bescheiden relevant zijn voor de vaststelling van zijn rechtspositie (rechtsbetrekking met anderen). Het bestaan van de rechtsbetrekking die de verzoeker inroept, zal daarvoor voldoende aannemelijk moeten zijn.
3.6
De drie cumulatieve voorwaarden moeten in onderlinge samenhang worden beoordeeld en zijn tot op zekere hoogte communicerende vaten. Die voorwaarden zijn samen erop gericht te bewerkstelligen dat alléén recht op inzage bestaat als duidelijk is dat inzage op haar plaats is en dat het inzagerecht (dus) niet kan worden gebruikt voor fishing expeditions. [16]
Aangaande een rechtsbetrekking waarbij de verzoeker partij is
3.7
Voor de aanspraak op inzage en dus voor de toewijzing van de inzagevordering ex art. 843a Rv is vereist dat het bestaan van de rechtsbetrekking waarop de aanspraak en de vordering zien, voldoende aannemelijk moet zijn. Deze voorwaarde is door de Hoge Raad algemeen gemaakt in het arrest Semtex, waarin is overwogen:
“3.1.3 In de zaken
AIB/Novisemen
Synthon/Astellasheeft de Hoge Raad in het kader van een inbreuk op een recht van intellectuele eigendom een maatstaf gegeven voor het aannemen van het bestaan van een rechtsbetrekking als bedoeld in art. 1019a Rv in verbinding met art. 843a Rv. Die maatstaf houdt in dat degene die inzage, afschrift of uittreksel van bewijsmateriaal verlangt, zodanige feiten en omstandigheden moet stellen en met eventueel reeds voorhanden bewijsmateriaal moet onderbouwen, dat voldoende aannemelijk is dat inbreuk op een recht van intellectuele eigendom is of dreigt te worden gemaakt. In de zaak
Organik/Dowheeft de Hoge Raad geoordeeld dat die maatstaf zich ook leent voor toepassing op een rechtsbetrekking die voortvloeit uit het onrechtmatig verkrijgen en gebruiken van bedrijfsgeheimen, alhoewel de art. 1019 e.v. Rv daarop niet van toepassing zijn.
3.1.4
Ook buiten het terrein van inbreuk op intellectuele eigendomsrechten en het onrechtmatig verkrijgen en gebruiken van bedrijfsgeheimen heeft als maatstaf voor de beoordeling van een vordering op de voet van art. 843a Rv te gelden dat het bestaan van de rechtsbetrekking waarop de vordering ziet, voldoende aannemelijk moet zijn. Die maatstaf stelt de rechter in staat een evenwicht te vinden tussen het belang van eiser of verzoeker om de waarheid te kunnen achterhalen en zijn bewijspositie te versterken, en het belang van verweerder om geen vertrouwelijke informatie prijs te hoeven geven en om verschoond te blijven van de ingrijpende maatregel die exhibitie niet zelden is. Die maatstaf biedt de rechter voorts voldoende ruimte om rekening te houden met de aard van het onderliggende geschil en de overige omstandigheden van het geval, waaronder de omvang van de gevorderde exhibitie en de mogelijkheid om het bestaan van de gestelde vordering met andere bewijsmiddelen te onderbouwen. Degene die inzage, afschrift of uittreksel van bewijsmateriaal verlangt om een door hem vermoede tekortkoming of onrechtmatige daad te kunnen aantonen, zal derhalve gemotiveerd zodanige feiten en omstandigheden dienen te stellen en met eventueel reeds voorhanden bewijsmateriaal moeten onderbouwen, dat voldoende aannemelijk is dat die tekortkoming of onrechtmatige daad zich heeft voorgedaan of dreigt voor te doen.
3.1.5
Overeenkomstig de hiervoor in 3.1.3 bedoelde arresten geldt voorts dat de vraag wat in het kader van een vordering uit hoofde van art. 843a Rv bij een gestelde tekortkoming of onrechtmatige daad als een ‘voldoende’ mate van aannemelijkheid kan worden beschouwd, niet in algemene zin kan worden beantwoord. Het komt steeds aan op een waardering van de stellingen en verweren van partijen en de overtuigingskracht van het eventueel reeds overgelegde bewijsmateriaal. Daarbij is enerzijds uitgangspunt dat niet behoeft te zijn voldaan aan de mate van aannemelijkheid die is vereist voor toewijzing in kort geding van een op (dreigend) tekortschieten of onrechtmatig handelen gebaseerde (ge- of verbods)vordering of vordering tot schadevergoeding; anderzijds dienen aan de mate van aannemelijkheid van de gestelde tekortkoming of onrechtmatige daad bij de beoordeling van een inzagevordering hogere eisen te worden gesteld dan bij de beoordeling van een verzoek tot het in beslag mogen nemen van bewijsmateriaal.” [17]
3.8
Deze beslissing ligt naar mijn mening voor de hand, omdat de drempel voor het recht op inzage anders te laag ligt. Het enkele beweren van een rechtsbetrekking (waaruit een rechtmatig belang volgt om van bepaalde bescheiden kennis te nemen) zou anders immers al voor inzage volstaan. In de literatuur is erop gewezen dat het wetsvoorstel Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht de lat op dit punt lager lijkt te leggen, doordat in het voorgestelde art. 194 de Pro eis van het voldoende aannemelijk zijn van de rechtsbetrekking niet lijkt te worden gesteld. [18] In een eerdere conclusie heb ik al opgemerkt dat deze zienswijze volgens mij niet juist is. [19] Zoals in die conclusie vermeld, komt de in art. 194 Rv Pro vervatte eis dat de verzoeker voldoende belang
hééftbij inzage, namelijk op hetzelfde neer. Steun daarvoor valt onder meer te vinden in het advies van de Expertgroep Modernisering Burgerlijk Bewijsrecht 2017, op welk advies het wetsvoorstel is gebaseerd. In dat advies wordt opgemerkt:
“124. Voor het stellen van de eis van aannemelijkheid van het bestaan van de rechtsbetrekking kan steun worden gevonden in de Europese Handhavingsrichtlijn en de daarop gevormde rechtspraak (…). Wij menen echter dat de door ons voorgestelde eis van voldoende belang de rechter een maatstaf biedt om aan de hand van de stellingen van de verzoekende partij te beoordelen of dit belang aanwezig is. Een
aparte eisvan voldoende aannemelijkheid van de door art. 843a Rv geëiste rechtsbetrekking (in het lE-recht: van de inbreuk) voegt daaraan niets toe. Dit is in zaken betreffende intellectuele eigendom in overeenstemming met hetgeen de Hoge Raad overweegt in HR 9 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2834 (
Synthon/Astellas), samengevat in r.o. 3.3.4, namelijk ‘dat de rechter bij zijn oordeel omtrent de toewijsbaarheid van een exhibitievordering in intellectuele-eigendomszaken in de toetsing van het “rechtmatig belang” de belangen van de verweerder dient te betrekken, waaronder diens belang dat de bescherming van vertrouwelijke informatie is gewaarborgd, maar in het bijzonder ook om verschoond te blijven van de ingrijpende maatregel die exhibitie niet zelden is, ingeval de beweerde inbreuk niet voldoende aannemelijk is (…).’”
Ook onder het nieuwe recht moet mijns inziens dus nog steeds worden getoetst of de gestelde rechtsbetrekking voldoende aannemelijk is, [20] teneinde ongerechtvaardigde (belastende) fishing expeditions te voorkomen.
3.9
Zoals blijkt uit de hiervoor in 2.6 aangehaalde rov. 4.9, heeft het hof in dit geval de maatstaf van Semtex-arrest toegepast. Het hof is als gezegd vanaf rov. 4.17 nagegaan of de door [eiseres] gestelde rechtsbetrekkingen voldoende aannemelijk zijn. Het hof is de vele stellingen op dit punt van [eiseres] nagelopen en heeft telkens geoordeeld dat dit niet het geval is, omdat [eiseres] daarvoor onvoldoende heeft aangevoerd, al dan niet tegenover de gemotiveerde betwistingen van F2Y c.s. Het oordeel van het hof komt erop neer dat sprake is van een fishing expedition, ook al gebruikt het hof die term niet.
Bespreking onderdeel 1; miskenning Semtex-maatstaf en gefragmenteerde beoordeling
3.1
Subonderdeel 1.1bevat de klacht dat het hof, door doorlopend, waaronder in rov. 4.19, 4.20, 4.21, 4.23, 4.27, 4.29, 4.30, 4.31, 4.35, 4.37, 4.38, 4.39, te beoordelen of hetgeen [eiseres] aan haar inzagevordering ten grondslag heeft gelegd, de conclusie kan dragen dat F2Y c.s. al dan niet in groepsverband, onrechtmatig jegens [eiseres] hebben gehandeld, miskent dat voor toewijsbaarheid van een inzagevordering niet is vereist dat en dus ook niet behoeft te worden beoordeeld of daadwerkelijk sprake is van een rechtsbetrekking. Voldoende is dat degene die inzage in bewijsmateriaal verlangt om een door hem vermoede onrechtmatige daad te kunnen aantonen, gemotiveerd zodanige feiten en omstandigheden stelt en met eventueel reeds voorhanden bewijsmateriaal onderbouwt, dat voldoende aannemelijk is dat die onrechtmatige daad zich heeft voorgedaan. Daaraan doet volgens het subonderdeel niet af dat het hof op verschillende plaatsen wel aan de juiste maatstaf refereert.
Subonderdeel 1.2klaagt dat het hof in rov. 4.18-4.37 ten onrechte heeft nagelaten te beoordelen of de door [eiseres] aan haar inzagevordering ten grondslag gelegde feiten, omstandigheden en verwijten tezamen, in onderling verband beschouwd, voldoende aannemelijk maken dat F2Y c.s. [eiseres] onrechtmatig hebben beconcurreerd.
3.11
Beide subonderdelen missen feitelijke grondslag in het arrest van het hof en kunnen daarom niet tot cassatie leiden. Het hof noemt in rov. 4.9 de juiste maatstaf en herhaalt die nog in rov. 4.33, 4.38 en 4.39. Het hof toetst ook consequent aan die maatstaf. Het overweegt afwisselend dat [eiseres] niet heeft voldaan aan haar stelplicht voor de bewering dat sprake is onrechtmatige concurrentie, en dat [eiseres] haar stellingen onvoldoende heeft gemotiveerd en onderbouwd, tegenover de gemotiveerde betwistingen van F2Y, waardoor het die stellingen onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt in de zin van de Semtex-maatstaf. In rov. 4.38 tweede zin, waarin het hof zijn oordeel recapituleert, overweegt het hof met zoveel woorden dat ook als de feiten in onderlinge samenhang worden beschouwd, geen rechtsbetrekking tussen partijen aannemelijk is geworden die tot een aanspraak op inzage leidt.
Het arrest van het hof bevat geen aanwijzingen dat het hof de inhoud of betekenis van de Semtex-maatstaf op enig punt uit het oog zou hebben verloren of verkeerd zou hebben toegepast, door die maatstaf te streng toe te passen. Het middel klaagt een heel aantal keer dat dit laatste wel het geval zou zijn, maar weet dat niet behoorlijk aannemelijk te maken aan de hand van de stukken en de overwegingen van het hof. Hetgeen het hof overweegt, strookt steeds met die maatstaf. Voor het overige is het oordeel van het hof van feitelijke aard en kan het dus niet op juistheid in cassatie worden onderzocht.
Bespreking onderdeel 2; de uittocht van werknemers van [eiseres] naar F2Y
3.12
Onderdeel 2 bestrijdt het oordeel van het hof in rov. 4.18-4.21 over de stelling van [eiseres] dat sprake is geweest van een uittocht van werknemers van [eiseres] naar F2Y of aan hen gelieerde bedrijven.
Subonderdeel 2.1is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 4.19 dat het vertrek van [verweerder 4] en de daaropvolgende betrokkenheid van [verweerder 4] bij F2Y als zodanig geen onrechtmatige daad oplevert van [verweerder 4] of F2Y en dat de benadering en werving van [verweerder 4] door F2Y evenmin onrechtmatig is, althans dat [eiseres] geen omstandigheden heeft gesteld waarvan zou moeten worden aangenomen dat de benadering van [verweerder 4] door F2Y onrechtmatig is geweest en dat de wel door [eiseres] gestelde omstandigheden geen onrechtmatig handelen van [verweerder 4] opleveren. Het subonderdeel voert
onder aaan dat het hof te hoge eisen heeft gesteld aan [eiseres] ’s inzagevorderingsgrondslag door te oordelen dat het vertrek van [verweerder 4] en de daaropvolgende betrokkenheid van [verweerder 4] bij F2Y als zodanig geen onrechtmatige daad oplevert van [verweerder 4] of F2Y, en dat de benadering en werving van [verweerder 4] evenmin onrechtmatig is, althans dat [eiseres] geen omstandigheden heeft gesteld waarvan zou moeten worden aangenomen dat de benadering van [verweerder 4] door F2Y onrechtmatig is geweest, en dat de wel door [eiseres] gestelde omstandigheden geen onrechtmatig handelen van [verweerder 4] opleveren. Het subonderdeel betoogt dat [eiseres] onrechtmatig handelen niet voldoende hoefde te stellen, maar slechts aannemelijk hoefde te maken en dat die aannemelijkheidsdrempel lager ligt dan bij een onrechtmatige daad-vordering in kort geding.
Onder bbetoogt het subonderdeel dat het hof de benadering en werving van [verweerder 4] door F2Y c.s. zelfstandig heeft beoordeeld en niet (ook) in onderlinge samenhang met de overige door [eiseres] gestelde vermoedens ten aanzien van [verweerder 4] en F2Y c.s.
3.13
De klacht onder a vormt goeddeels een herhaling van de klacht van subonderdeel 1.1 en faalt dus om dezelfde reden. Voor zover het subonderdeel klaagt dat [eiseres] onrechtmatig handelen niet voldoende hoefde te stellen, gaat het uit van een onjuiste rechtsopvatting. [eiseres] zal immers ten minste een onrechtmatige daad (of een ander rechtsfeit) moeten stellen, waardoor sprake is van een rechtsbetrekking die de inzage kan rechtvaardigen. De klacht onder b kan om dezelfde reden niet tot cassatie leiden als subonderdeel 1.2.
3.14
Subonderdeel 2.2 is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 4.20 dat van het stelselmatig benaderen van werknemers van [eiseres] door F2Y in Nederland niet, althans onvoldoende is gebleken. Het hof heeft daarover het volgende overwogen:
“4.20 (…) F2Y c.s. heeft in dit verband allereerst naar voren gebracht dat in de periode medio 2019 tot juli 2020, dus voorafgaand aan het vertrek van [verweerder 4] , er 14 senior medewerkers bij [eiseres] zijn vertrokken. Deze werknemers waren dragers van de bedrijfscultuur binnen [eiseres] en zijn geen van allen bij F2Y in dienst getreden, aldus F2Y c.s. Voorts heeft F2Y c.s. naar voren gebracht dat van de (in totaal) 66 bij [eiseres] vertrokken werknemers er 16 bij F2Y in dienst zijn getreden. Daarnaast heeft F2Y c.s. aangevoerd dat een groot deel van de werknemers van [eiseres] bij Kamps, een grote concurrent van [eiseres] , in dienst zijn getreden, waarbij F2Y c.s. tien senior werknemers/bestuurders bij naam noemt. Dit alles is niet, althans onvoldoende, door [eiseres] weersproken. Voorts heeft F2Y c.s. op zichzelf terecht opgemerkt dat het voor de hand ligt dat werknemers een nieuwe werkkring zoeken in de buurt van een oude werkgever in verband met hun woonplaats. Ten aanzien van vier medewerkers heeft F2Y c.s. bovendien aangevoerd dat deze personen in eerste instantie bij een andere werkgever zijn gaan werken na hun vertrek bij [eiseres] . In zoverre kan het verwijt van [eiseres] van stelselmatige benadering door F2Y ten opzichte van deze vier medewerkers niet aan de orde zijn. Het hof neemt aan dat het verlies van 16 werknemers, die ervaring, kennis en goodwill bij leveranciers en afnemers van [eiseres] hebben opgebouwd, een aderlating voor [eiseres] kan zijn geweest, maar dit gegeven op zich kan niet leiden tot de conclusie dat F2Y onrechtmatig heeft gehandeld door deze werknemers in dienst te nemen. Daarbij merkt het hof op dat het het oordeel deelt van de voorzieningenrechter dat het onder omstandigheden onrechtmatig kan zijn als de nieuwe werkgever actief werft onder het personeelsbestand van de oude werkgever. Door [eiseres] is evenwel onvoldoende gesteld dat sprake is geweest van de hiervoor bedoelde omstandigheden, terwijl van een stelselmatig benaderen van medewerkers door F2Y niet is gebleken.”
3.15
Subonderdeel 2.2klaagt
onder adat het hof te hoge eisen heeft gesteld aan [eiseres] ’s inzagevordering door (1) van [eiseres] te vergen dat het stelselmatig benaderen van werknemers door F2Y blijkt, (2) te oordelen dat het feit dat [eiseres] zestien werknemers aan F2Y heeft verloren, op zich niet kan leiden tot de conclusie dat F2Y onrechtmatig heeft gehandeld door deze werknemers in dienst te nemen, en (3) te oordelen dat [eiseres] onvoldoende omstandigheden heeft gesteld voor de conclusie dat er in dit geval sprake is van onrechtmatig handelen doordat de nieuwe werkgever actief werft onder het personeelsbestand van de oude werkgever. [eiseres] hoefde dit volgens het subonderdeel namelijk slechts aannemelijk te maken en die aannemelijkheidsdrempel ligt lager dan bij een onrechtmatige daad-vordering in kort geding.
Onder bvoert het subonderdeel aan dat de in rov. 4.20 genoemde omstandigheden niets zeggen over en niet uitsluiten dat F2Y c.s. (oud-)werknemers van [eiseres] , al dan niet met wisselend succes, stelselmatig hebben benaderd en dat niet valt in te zien wat [eiseres] meer had kunnen en moeten stellen om het stelselmatig benaderen door F2Y van (oud-)werknemers van [eiseres] aannemelijk te maken. Volgens het subonderdeel heeft het hof niet kenbaar in zijn beoordeling heeft betrokken dat een groot aantal werknemers [eiseres] daadwerkelijk heeft verruild voor F2Y en dat F2Y daadwerkelijk oud-werknemers heeft benaderd en daarmee zijn oordeel niet behoren gemotiveerd dan wel blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
Onder cklaagt het subonderdeel dat het hof niet bij zijn beoordeling heeft betrokken dat F2Y c.s. slechts ten aanzien van drie van de negentien oud [eiseres] werknemers hebben gesteld dat zij F2Y hebben benaderd en niet andersom, terwijl het voor hen eenvoudig was om ook van de overige oud-werknemers aan te tonen dat zij F2Y hebben benaderd en dat F2Y c.s. dit niet hebben gedaan.
3.16
De klacht onder a miskent opnieuw dat voor de eis van het voldoende aannemelijk zijn van de rechtsbetrekking vereist is dat enerzijds (i) het bestaan van die rechtsbetrekking voldoende wordt gesteld, door het aanvoeren van concrete feiten die het oordeel kunnen dragen dat van die rechtsbetrekking sprake is (in dit geval dus onrechtmatige daad), en dat anderzijds (ii) het feitelijk bestaan van die gestelde rechtsbetrekking ook voldoende aannemelijk wordt gemaakt, door het aanvoeren van aanwijzingen waaruit die aannemelijkheid volgt, waarbij mede voldoende zal moeten worden ingegaan op de feiten en argumenten die de wederpartij op beide punten (dus (i) en (ii)) aanvoert ter bestrijding van het voldoende aannemelijk zijn van een rechtsbetrekking die inzage kan rechtvaardigen. Het oordeel van het hof komt erop neer dat de stellingen van [eiseres] op beide punten (dus (i) en (ii)) op verschillende onderdelen tekortschieten. Wat betreft het bij de klacht genoemde oordeel (1) betreft dat de feitelijke aannemelijkheid (dus punt (ii)), wat betreft de bij de klacht genoemde oordelen (2) en (3) betreft dat de kwestie of de gestelde feiten wel de beweerde rechtsbetrekking opleveren, in dit geval dus of die feiten wel een onrechtmatige daad vormen (dus punt (i)). Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onvoldoende gemotiveerd.
De klacht onder b miskent in de eerste plaats dat het op grond van de Semtex-maatstaf aan [eiseres] was om het bestaan van een rechtsbetrekking voldoende aannemelijk maken. Het volstaat dus niet dat een bepaald feit niet is uitgesloten. Het hof heeft de relevante stellingen van [eiseres] in rov. 4.18 vastgesteld. In rov. 4.20 stelt het vast wat F2Y c.s. daartegenover hebben aangevoerd. Het middel klaagt niet dat die vaststellingen onjuist of onvolledig zijn. Hetgeen het hof overweegt in rov. 4.20, maakt begrijpelijk waarom het hof de stellingen van [eiseres] onvoldoende heeft geoordeeld. Anders dan bij de klacht wordt aangevoerd, heeft het hof in rov. 4.20 wel kenbaar in zijn beoordeling betrokken dat volgens [eiseres] een groot aantal werknemers [eiseres] daadwerkelijk heeft verruild voor F2Y en dat volgens [eiseres] F2Y daadwerkelijk oud-werknemers heeft benaderd. De eerste stelling reduceert het hof in rov. 4.20 tot 16 werknemers waarvan F2Y dit heeft erkend, en het oordeelt dat deze overstap geen onrechtmatige daad is van F2Y c.s. De tweede stelling heeft het hof aan het slot van rov. 4.20 verworpen met de overweging dat van een stelselmatig benaderen van medewerkers door F2Y niet is gebleken en dat onvoldoende door [eiseres] is gesteld dat sprake is geweest van omstandigheden waardoor het werven een onrechtmatige daad oplevert.
Ook de klacht onder c miskent dat het aan [eiseres] was om het bestaan van een rechtsbetrekking voldoende aannemelijk maken. Dat F2Y op een bepaald punt haar betwistingen van de stellingen van [eiseres] beter had kunnen onderbouwen, maakt dat niet zonder meer anders. Evenmin maakt dit dat [eiseres] om die reden al aan genoemd vereiste voor inzage heeft voldaan.
3.17
Subonderdeel 2.3 komt op tegen rov. 4.21, waarin het hof overweegt:
“4.21 Door [eiseres] is onvoldoende toegelicht dat en waarom sprake is van onrechtmatig handelen door [verweerder 3] en/of F2Y dat verband houdt met de indiensttreding van medewerkers bij QCM of QFS. Vaststaat dat de medewerkers in Marokko en Senegal niet waren gebonden aan enig concurrentiebeding en dat het hen vrijstond om bij een andere werkgever in dienst te treden. Deze andere werkgever betrof bovendien QCM of QFS en niet F2Y. Voorts heeft F2Y c.s. naar voren gebracht dat de aanwezigheid in Marokko van Nature Growers en Kamps (sinds 2016) al zijn weerslag had op de medewerkers van [eiseres] in Marokko. Ten aanzien van de medewerkers in Senegal geldt dat sprake is van veelal seizoenarbeiders; een vast contract met [eiseres] was niet aan de orde. F2Y c.s. heeft aangevoerd dat inherent aan seizoenarbeid is dat een medewerker na het seizoen niet meer was verbonden aan [eiseres] . Dit alles is niet, althans onvoldoende, door [eiseres] weersproken.”
3.18
Subonderdeel 2.3klaagt
onder adat door te oordelen dat door [eiseres] onvoldoende is toegelicht dat en waarom sprake is van onrechtmatig handelen door [verweerder 3] of F2Y dat verband houdt met de indiensttreding van medewerkers bij QCM of QFS, het hof te hoge eisen stelt aan [eiseres] ’s inzagevorderingsgrondslag. [eiseres] hoefde volgens het subonderdeel onrechtmatig handelen niet voldoende te stellen, maar slechts aannemelijk te maken.
Onder bvoert het subonderdeel aan dat de door het hof in rov. 4.21 genoemde omstandigheden er niet aan afdoen dat het voor een nieuwe werkgever, zoals [verweerder 3] of F2Y, onder omstandigheden onrechtmatig kan zijn als de nieuwe werkgever actief werft onder het personeelsbestand van de oude werkgever.
Onder cklaagt het subonderdeel dat de omstandigheid dat het gaat om indiensttreding bij QCM of QFS en niet F2Y, niet, althans niet zonder nadere motivering, afdoet aan de door het hof niet in de beoordeling betrokken stelling van [eiseres] dat het bij QCM en QFS gaat om entiteiten die onder volledige controle staan van [verweerder 3] en F2Y.
Onder dvoert het subonderdeel aan dat het oordeel van het hof dat [eiseres] de stellingen van F2Y c.s. niet voldoende heeft weersproken, onjuist is doordat het hof in strijd met de Semtex-maatstaf te hoge eisen stelt aan [eiseres] ’s stelplicht, althans onvoldoende is gemotiveerd in het licht van hetgeen het subonderdeel onder c aanvoert.
3.19
De klacht onder a berust op dezelfde onjuiste rechtsopvatting als de klacht onder a van subonderdeel 2.1 (zie daarvoor hiervoor in 3.13).
De klacht onder b faalt, nu het hof al in rov. 4.20 het bij die klacht bedoelde standpunt van [eiseres] – dat [verweerder 3] of F2Y onrechtmatig heeft gehandeld door actief personeel van [eiseres] te werven – heeft verworpen, op de grond dat daarvoor onvoldoende is gesteld door [eiseres] , in de zin dat [eiseres] onvoldoende feiten heeft aangevoerd die tot het oordeel kunnen leiden dat sprake is geweest van onrechtmatig handelen door [verweerder 3] of F2Y.
De klachten onder c en d zijn is ongegrond, omdat het hof in rov. 4.21 niet heeft miskend dat [eiseres] heeft aangevoerd dat het bij QCM en QFS gaat om entiteiten die onder volledige controle staan van [verweerder 3] en F2Y. [21] Het zwaartepunt van de motivering voor zijn oordeel dat [eiseres] onvoldoende heeft toegelicht dat en waarom sprake is van onrechtmatig handelen door [verweerder 3] of F2Y dat verband houdt met de indiensttreding van medewerkers bij QCM of QFS, ligt immers in de daar door het hof vastgestelde omstandigheid dat de medewerkers in Marokko en Senegal niet waren gebonden aan enig concurrentiebeding en dat het hen vrijstond om bij een andere werkgever in dienst te treden. Dat deze andere werkgever QCM of QFS betrof en niet F2Y, noemt het hof slechts als een extra argument. Het hof wijst bovendien nog op het feit dat de aanwezigheid in Marokko van Nature Growers en Kamps (sinds 2016) al zijn weerslag had op de medewerkers van [eiseres] in Marokko. Voorts wijst het hof op het feit dat ten aanzien van de medewerkers in Senegal geldt dat sprake is van veelal seizoenarbeiders en dat een vast contract met [eiseres] dus niet aan de orde was.
Bespreking onderdeel 3; omzeiling van non-concurrentiebedingen
3.2
Onderdeel 3 bestrijdt het oordeel van het hof in rov. 4.22-4.26 dat niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat F2Y onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiseres] door non-concurrentiebedingen van voormalig werknemers van [eiseres] te omzeilen.
Subonderdeel 3.1is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 4.23 dat door [eiseres] niet, althans onvoldoende is weersproken dat [betrokkene 5] , de toenmalige HR-directeur van [eiseres] , in 2019 het HR-beleid bij [eiseres] wijzigde, in die zin dat de looptijd van non-concurrentiebedingen van twee jaar naar één jaar werden aangepast en dat niet de later naar F2Y overgestapte [verweerder 4] , maar [betrokkene 5] bevoegd was om non-concurrentiebedingen te wijzigen. Het subonderdeel klaagt
onder adat het hof, door te oordelen dat [verweerder 4] geen onrechtmatig handelen kan worden verweten, omdat [eiseres] onvoldoende de betwistingen van F2Y heeft weersproken, te hoge eisen heeft gesteld aan [eiseres] ’s inzagevorderingsgrondslag. Het subonderdeel betoogt dat [eiseres] onrechtmatig handelen niet voldoende behoefde te stellen, maar slechts aannemelijk behoefde te maken.
Onder bklaagt het subonderdeel dat het oordeel van het hof dat alleen [betrokkene 5] bevoegd concurrentiebedingen kon wijzigen, zodat [verweerder 4] ter zake geen onrechtmatig handelen kan worden verweten, onjuist is, althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is in het licht van een vijftal stellingen van [eiseres] , die er, zeer kort gezegd, op neerkomen dat [verweerder 4] de mogelijkheid had om de HR-afdeling te instrueren en betrokken is geweest bij de wijziging van non-concurrentiebedingen. Als het hof heeft gemeend dat het enkele feit dat (formeel) alleen [betrokkene 5] concurrentiebedingen kon wijzigen, uitsluit dat [eiseres] voldoende aannemelijk kan maken dat [verweerder 4] hierbij op onrechtmatige wijze was betrokken, getuigt dit volgens het subonderdeel van een onjuiste rechtsopvatting. In het licht van de stellingen van [eiseres] is het oordeel van het hof aan het slot van rov. 4.32 dat de door [eiseres] overgelegde stukken ook overigens onvoldoende steun bieden voor de stelling dat [verweerder 4] verantwoordelijk was voor de aanpassing van de concurrentiebedingen volgens het subonderdeel onbegrijpelijk.
3.21
De klacht onder a faalt omdat deze miskent dat een onderdeel van het voldoende aannemelijk maken zoals dat is vereist volgens de Semtex-maatstaf, kan zijn dat voldoende wordt ingegaan op gemotiveerde betwistingen van de wederpartij en het oordeel van het hof in rov. 4.23 op een toepassing van dat laatste berust. Die betwistingen kunnen immers meebrengen dat de rechtsbetrekking die wordt gesteld en aan de inzagevordering ten grondslag worden gelegd, onmiskenbaar van iedere grond is ontbloot.
De klachten onder b falen nu het hof in rov. 4.24 vaststelt dat [verweerder 4] ook feitelijk niet betrokken is geweest bij de wijziging van de concurrentiebedingen van de personen op wie de door het hof in rov. 4.22 eerste twee zinnen genoemde stelling van [eiseres] betrekking heeft, welke stelling het hof in rov. 4.23-4.24 bespreekt. Het hof heeft de in het subonderdeel bedoelde stellingen dus uitdrukkelijk in rov. 4.24 verworpen.
3.22
Subonderdeel 3.2voert aan dat de overwegingen van het hof in rov. 4.24, in het licht van [eiseres] ’s stellingen, niet de conclusie kunnen dragen dat [eiseres] haar vermoedens ten aanzien van [verweerder 4] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Het onderdeel klaagt
onder adat [eiseres] heeft aangevoerd dat F2Y en [verweerder 4] in mei 2020 een fysieke bespreking hebben gehad en dat niet uitgesloten en zelfs eerder aannemelijk is dat F2Y [verweerder 4] voor mei 2020 heeft benaderd.
Onder bvoert het subonderdeel aan dat de overwegingen van het hof dat [betrokkene 5] zelf uiteindelijk de beperking van het concurrentiebeding van [verweerder 5] en [verweerder 6] met hen overeenkwam, en dat in het geval van [verweerder 6] door [betrokkene 5] akkoord is gegaan met de beperking van het beding toen bekend was dat [verweerder 4] zou vertrekken, geen afdoende weerlegging vormt van de stelling [eiseres] dat F2Y [verweerder 4] al vóór mei 2020 heeft benaderd en dat [verweerder 4] [betrokkene 5] heeft geïnstrueerd om de concurrentiebedingen van [verweerder 5] en [verweerder 6] te wijzigen.
3.23
Met betrekking tot de klacht onder a geldt dat het hof blijkens rov. 4.22 en 4.24 op grond van de stellingen van [eiseres] tot uitgangspunt heeft genomen dat F2Y [verweerder 4] in mei 2020 heeft benaderd. Deze vaststelling is niet onbegrijpelijk. De opmerking van de kant van [eiseres] bij de mondelinge behandeling bij het hof die in voetnoot 45 bij het middel wordt aangehaald, behoefde het hof niet te nopen om deze stelling ruimer te nemen, zeker niet nu de fysieke bespreking volgens [eiseres] heeft plaatsvonden op 20 mei 2020. De klacht onder a faalt daarom.
De klacht onder b is ongegrond omdat het daardoor bestreden oordeel van het hof feitelijk is en niet onbegrijpelijk. Hetgeen het hof in rov. 4.24 overweegt omtrent [verweerder 5] en [verweerder 6] – kort gezegd: dat [verweerder 5] zelf voor de wijziging van zijn concurrentiebeding heeft gezorgd en dat [betrokkene 5] bij de wijziging van het concurrentiebeding van [verweerder 6] wist dat [verweerder 4] zou vertrekken –, kan zijn oordeel dragen dat niet aannemelijk is (gemaakt) dat [verweerder 4] als baas van [betrokkene 5] voor de wijzigingen van de concurrentiebedingen van [verweerder 5] en [verweerder 6] heeft gezorgd.
3.24
Subonderdeel 3.3komt op tegen het oordeel van het hof in rov. 4.25 dat F2Y c.s. de stelling van [eiseres] dat F2Y voor Vijn, die in dienst is getreden bij F2Y Senegal, constructies heeft bedacht om non-concurrentiebedingen te omzeilen, gemotiveerd hebben weersproken en dat [eiseres] die weerspreking niet, althans onvoldoende, heeft weersproken. Volgens het subonderdeel is dit oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, omdat de door het hof genoemde omstandigheid dat Vijn met [eiseres] heeft geschikt juist een indicatie is dat hij niet volledig vrijuit ging met betrekking tot het omzeilen van zijn concurrentiebeding en de omstandigheid dat hij niet langer werkzaam is bij F2Y Senegal, er niet aan afdoet dat Vijn volgens [eiseres] ten tijde van zijn overstap naar F2Y zijn concurrentiebeding heeft proberen te omzeilen.
3.25
Het subonderdeel is ongegrond. Het oordeel van het hof dat [eiseres] haar stelling dat F2Y voor de overstappers Vogelaar, Vijn en Van Nieuwenhoven constructies heeft bedacht om concurrentiebedingen te omzeilen, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt, gelet op de gemotiveerde betwisting door F2Y c.s., is feitelijk van aard. Het hof heeft vastgesteld dat in een procedure tussen [eiseres] en Vogelaar is geoordeeld dat van omzeiling of schending van het concurrentiebeding geen sprake was door de indiensttreding bij F2Y België. Het hof heeft vervolgens vastgesteld dat Vijn, die in dienst is getreden bij F2Y Senegal, eveneens door [eiseres] in rechte is aangesproken, dat dit heeft geleid tot een schikking en dat Vijn inmiddels niet meer werkzaam is bij F2Y Senegal. Met deze vaststellingen heeft het hof klaarblijkelijk bedoeld dat ook ten aanzien van Vogelaar en Vijn niet aannemelijk is (gemaakt) dat F2Y constructies heeft bedacht om concurrentiebedingen te omzeilen. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Dat de totstandkoming van een schikking eventueel ook anders zou kunnen worden geduid, zoals het subonderdeel aanvoert, maakt dat niet anders.
3.26
De subonderdelen 3.4 en 3.5 keren zich tegen rov. 4.26, waarin het hof ingaat op de stelling van [eiseres] dat Mimoun een voorbeeld vormt waaruit volgt dat F2Y moedwillig concurrentiebedingen omzeilt door werknemers van [eiseres] via andere vennootschapen in dienst te laten treden. Het hof overweegt onder meer dat partijen twisten over de vraag of Mimoun is benaderd door F2Y of dat Mimoun F2Y zelf heeft benaderd, maar dat het antwoord op die vraag in het midden kan blijven, nu Mimoun uiteindelijk niet bij F2Y in dienst is getreden, maar bij [eiseres] is gebleven. Dat F2Y Mimoun een arbeidsovereenkomst heeft aangeboden met Wouda Invest, is gemotiveerd en onderbouwd met stukken betwist door F2Y c.s., aldus het hof.
Subonderdeel 3.4betoogt dat het hof in rov. 4.26 heeft miskend dat of Mimoun al dan niet in dienst is getreden bij F2Y of een aan haar gelieerde vennootschap, niet relevant is voor het antwoord op de vraag of voldoende aannemelijk is dat F2Y c.s. onrechtmatig jegens [eiseres] hebben gehandeld door (onder meer) werknemers van [eiseres] te proberen te werven, althans niet eraan afdoet dat het enkele proberen te werven kan bijdragen aan de conclusie dat voldoende aannemelijk is dat F2Y onrechtmatig jegens [eiseres] hebben gehandeld.
Subonderdeel 3.5klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 4.26 in ieder geval onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is. Het gegeven dat Mimoun in dienst is gebleven bij [eiseres] doet niet af aan [eiseres] ’s betoog dat F2Y werknemers van [eiseres] heeft benaderd om over te stappen en dat zij dit overstappen heeft proberen te faciliteren door concurrentiebedingen te laten aanpassen dan wel te omzeilen.
3.27
De subonderdelen kunnen niet tot cassatie leiden, nu deze berusten op een onjuiste lezing van het arrest van het hof. In rov. 4.26 beoordeelt het hof niet of F2Y heeft geprobeerd om werknemers van [eiseres] te werven, maar of F2Y (moedwillig) non-concurrentiebedingen omzeilt door werknemers van [eiseres] via andere vennootschappen in dienst te laten treden. Het hof heeft al eerder in zijn arrest, in rov. 4.20, de stelling van [eiseres] verworpen dat van stelselmatig benaderen van medewerkers van [eiseres] door F2Y sprake is. In rov. 4.22-4.26 gaat het hof in op de stelling van [eiseres] dat sprake is van het omzeilen van concurrentiebedingen. Blijkens zijn overwegingen heeft het hof deze stelling aldus begrepen dat F2Y aldus (onrechtmatig) personeel van [eiseres] binnenhaalde. Dat Mimoun niet in dienst is getreden van F2Y is dus wel relevant voor het oordeel dat het hof in dit verband geeft.
Bespreking onderdeel 4; het meenemen en gebruik van vertrouwelijke bedrijfsinformatie van [eiseres] ten behoeve van F2Y
3.28
Onderdeel 4 komt op tegen het oordeel van het hof in rov. 4.25-4.27 [22] dat [eiseres] haar stellingen dat [verweerder 5] op 5 oktober 2021 vanaf zijn [eiseres] -mailadres een prijslijst van [eiseres] heeft verstuurd naar zijn privé-emailadres, dat deze prijslijst vertrouwelijke informatie betreft en dat deze informatie door F2Y c.s. is gebruikt, in het licht van de gemotiveerde betwisting van F2Y c.s. onvoldoende heeft onderbouwd. Het hof heeft daartoe overwogen dat door F2Y c.s. gemotiveerd en onderbouwd is betwist dat er op 5 oktober 2021 een e-mail met bijlage is verzonden van het [eiseres] -e-mailadres naar het privé-e-mailadres van [verweerder 5] , maar dat zelfs indien het hof ervan uit zou gaan dat dit bericht op 5 oktober 2021 (of op een ander tijdstip) naar het privé-e-mailadres van [verweerder 5] is verzonden, daaruit niet kan worden afgeleid dat [verweerder 5] op deze wijze bedrijfsgeheimen van [eiseres] heeft ontvreemd en deze daarna zijn gebruikt ten behoeve van F2Y, aangezien de prijzen binnen de AGF-markt doorgaans bekend zijn en [eiseres] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de informatie in deze prijslijst vertrouwelijke informatie betreft en dat deze informatie door F2Y c.s. is gebruikt.
Subonderdeel 4.1klaagt dat het hof bij dit oordeel heeft miskend dat [eiseres] haar stellingen slechts aannemelijk behoeft te maken en dat met betrekking tot de e-mail heeft gedaan door (a) die e-mail als productie over te leggen, en aan te voeren (b) dat de e-mail op een ongebruikelijk tijdstip, namelijk half vijf ’s ochtends, is verstuurd en (c) dat [verweerder 5] op loopafstand van zijn werk woonde, zodat de verklaring dat [verweerder 5] de e-mail naar zijn eigen privéadres stuurde om die te kunnen printen, onaannemelijk is en dit geen weerlegging, maar eerder een erkenning vormt van de verzending van de e-mail naar het privé-e-mailadres.
3.29
Het subonderdeel faalt omdat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk is in het licht van de gemotiveerde betwisting van F2Y c.s. van de stelling van [eiseres] dat [verweerder 5] een e-mail van het werk e-mailadres van [verweerder 5] naar een privé e-mailadres heeft verstuurd. F2Y heeft onder verwijzing naar een onderzoek door de e-mailprovider van [verweerder 5] betwist dat [verweerder 5] de e-mail heeft ontvangen. [23] Het subonderdeel kan ook bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden. Het hof is immers veronderstellenderwijs ervan uitgegaan dat het bericht wel is verzonden en heeft geoordeeld dat daaruit niet kan worden afgeleid dat [verweerder 5] op deze wijze bedrijfsgeheimen van [eiseres] heeft ontvreemd en dat deze daarna zijn gebruikt ten behoeve van F2Y. Dat oordeel kan zijn beslissing zelfstandig dragen.
3.3
Subonderdeel 4.2betoogt
onder adat het oordeel van het hof dat [eiseres] niet heeft onderbouwd dat de door [verweerder 5] aan zichzelf verstuurde prijslijst geheime informatie bevat omdat de prijzen binnen de markt bekend zijn, onbegrijpelijk is in het licht van [eiseres] ’s stelling dat de prijslijst niet alleen informatie over door [eiseres] gehanteerde prijzen bevatte maar ook zeer concurrentiegevoelige informatie over [eiseres] ’s prijsopbouw en daarmee haar marges en dat concurrenten op basis van die informatie precies die prijzen kunnen bieden die net laag genoeg zijn om rendabel te zijn voor dat bedrijf.
Onder bvoert het subonderdeel aan dat het brengen van vertrouwelijke informatie buiten de beschermde bedrijfsomgeving, bijvoorbeeld om deze te sturen naar een extern adres, per definitie een sterke aanwijzing is dat de verzender die informatie probeert te ontvreemden om deze te gebruiken.
3.31
De klacht onder a faalt. [eiseres] heeft inderdaad aangevoerd, zoals bij de klacht wordt vermeld en het hof in (de tweede) rov. 4.25 vaststelt, dat de prijslijst concurrentiegevoelige informatie over [eiseres] ’s prijsopbouw en daarmee haar marges bevatte en dat concurrenten op basis van die informatie precies die prijzen kunnen bieden die net laag genoeg zijn om rendabel te zijn voor dat bedrijf. Het oordeel van het hof houdt met zoveel woorden in dat [eiseres] deze stelling onvoldoende heeft onderbouwd (rov. 4.27 slot). Het hof verwijst daarvoor al in de aanvang van rov. 4.27 naar de gemotiveerde betwisting door F2Y c.s. F2Y c.s. hebben mede aangevoerd dat de prijsopbouw in de prijslijst (productie 83 van [eiseres] ) dezelfde is voor alle aanbieders in de AGF-markt, dat deze aan verandering onderhevig is en dat [eiseres] niet aannemelijk maakt dat of hoe F2Y de prijslijst kan hebben gebruikt. [24] Die betwisting is door [eiseres] niet bestreden. Ook heeft [eiseres] haar stelling niet nader uitgewerkt of van een toelichting voorzien. In dit licht is het oordeel van het hof, dat van feitelijke aard is, niet onbegrijpelijk.
De klacht onder b faalt omdat, gelet op het voorgaande, niet tot uitgangspunt kan worden genomen dat de e-mail vertrouwelijke informatie bevatte.
Bespreking onderdeel 5; overgang klanten en telers
3.32
Onderdeel 5 ziet op het oordeel van het hof in rov. 4.28-4.33 over de door [eiseres] gestelde overgang van belangrijke klanten en telers van [eiseres] naar F2Y.
Subonderdeel 5.1 is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 4.29 dat de verklaringen van Rebecca Faux, die eerder werkte bij Fenmarc en inmiddels werkzaam is bij [eiseres] , onvoldoende gewicht in de schaal leggen tegenover de verklaring en e-mail van Phil Beckett, operationeel directeur van Fenmarc, en dat niet eenduidig uit producties 76-77 van F2Y c.s. kan worden afgeleid dat F2Y aan Fenmarc een lagere prijs dan [eiseres] hebben geboden, nog los van de vraag of dit gegeven op zich onrechtmatig zou zijn, en dat door [eiseres] niet aannemelijk is gemaakt dat de in rov. 4.25 genoemde prijslijst hierbij een rol van betekenis heeft gespeeld.
Subonderdeel 5.1klaagt
onder adat het hof, door de vraag te stellen of het onrechtmatig is dat F2Y aan Fenmarc een lagere prijs dan [eiseres] heeft geboden, heeft miskend dat [eiseres] in het kader van haar inzagevordering slechts voldoende aannemelijk hoeft te maken dat F2Y c.s. onrechtmatig hebben gehandeld, en dat die aannemelijkheidsdrempel lager ligt dan bij toewijzing van een onrechtmatige daad-vordering in kort geding.
Onder bklaagt het subonderdeel dat de oordelen van het hof onvoldoende respons inhouden op zeven stellingen van [eiseres] die er (in de kern genomen) op neerkomen dat [verweerder 5] de prijslijst heeft ontvreemd van [eiseres] en dat de vertrouwelijke informatie die de prijslijst bevat, door F2Y is gebruikt om Fenmarc een lagere prijs te bieden dan de door [eiseres] geboden prijs. Zonder nadere motivering valt volgens het subonderdeel in het licht van deze stellingen niet in te zien waarom niet aannemelijk zou zijn dat die prijslijst een rol heeft gespeeld bij de lagere prijs die F2Y heeft geboden, althans heeft proberen te bieden, in vergelijking met de prijs die [eiseres] onder normale omstandigheden zou hebben gerekend.
3.33
De klacht onder a faalt omdat het hof dit niet heeft miskend. De klacht onder b kan al niet tot cassatie leiden om de reden dat het hof in rov. 4.27 heeft vastgesteld dat [verweerder 5] de prijslijst – in de woorden van het subonderdeel gezegd – niet heeft ontvreemd en dat de prijslijst geen vertrouwelijke informatie bevatte, en de tegen die vaststellingen gerichte klachten van de subonderdelen 4.1 en 4.2 niet slagen (zie hiervoor in 3.29 en 3.31). Bovendien zijn de vaststellingen van het hof in rov. 4.29 dat niet eenduidig blijkt dat F2Y aan Fenmarc een lagere prijs dan [eiseres] heeft geboden, en dat [eiseres] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de prijslijst een rol van betekenis heeft gespeeld bij het aanbod van F2Y aan afnemer Fenmarc, opnieuw feitelijk van aard en niet onbegrijpelijk, gelet op hetgeen het hof in de laatste zin van rov. 4.29 overweegt, te weten dat [eiseres] een
lagereprijs offreerde aan Fenmarc dan F2Y. [eiseres] heeft over dat laatste aangevoerd dat haar lagere offerte een omvangrijke korting omvatte en F2Y zonder die korting net iets lager, heeft geboden (zie de uiteenzettingen in de klacht), maar kennelijk heeft het hof dit aangemerkt als louter een speculatie, dat wil zeggen een bewering waarvoor geen behoorlijke grond (onderbouwing) bestaat.
3.34
Subonderdeel 5.2komt op tegen het oordeel van het hof in rov. 4.30 dat de omstandigheid dat [eiseres] in de periode van 2020 tot 2022 een groot aantal klanten en verkoopvolume op het gebied van sperziebonen aan F2Y verloor, niet betekent dat daarom van onrechtmatige concurrentie sprake moet zijn geweest. Het subonderdeel bevat
allereerst [25] de klacht dat het hof met dit oordeel heeft miskend dat [eiseres] in het kader van haar inzagevordering slechts voldoende aannemelijk hoeft te maken dat F2Y c.s. onrechtmatig hebben gehandeld, en dat die aannemelijkheidsdrempel lager ligt dan bij toewijzing van een onrechtmatige daad-vordering in kort geding. Het subonderdeel betoogt
ten tweededat het oordeel van het hof onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is, omdat het hof slechts ingaat op absolute volumecijfers en geen aandacht heeft besteed aan marktaandeelwijzigingen.
Ten derdeklaagt het subonderdeel dat het hof door niet in te gaan op de stelling van [eiseres] dat in de spruitenmarkt hetzelfde beeld opdoemt als in de sperziebonenmarkt, zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd, althans heeft miskend dat deze stellingname relevant is voor de beoordeling op dit punt.
Ten vierdevoert het subonderdeel aan dat het oordeel van het hof aan het slot van rov. 4.30 dat de stelling van [eiseres] dat F2Y de markt zou hebben overspoeld met laaggeprijsde sperziebonen en op die manier een positie op de markt zou hebben verworven, niet wordt ondersteund door de feitelijke gegevens uit het overzicht, onbegrijpelijk is, omdat [eiseres] die stelling niet heeft gestaafd met dat overzicht, maar met een verklaring van [verweerder 4] (productie 68) waaruit die strategie van F2Y c.s. blijkt en het oordeel op die onderbouwing onvoldoende respons inhoudt.
3.35
De eerste klacht faalt omdat het hof dit niet heeft miskend. De tweede klacht mist feitelijke grondslag in het arrest van het hof. Het hof gaat immers wel degelijk in op de gewijzigde marktaandelen in rov. 4.30. Het leidt uit de ontwikkelingen in de loop der jaren van de door hem genoemde volumecijfers én van de marktaandelen van de diverse aanbieders af dat de stelling van [eiseres] dat F2Y de markt zou hebben overspoeld met laaggeprijsde sperziebonen en op die manier een positie op de markt zou hebben verworven, niet wordt ondersteund door de feitelijke gegevens.
De derde klacht faalt, omdat de stelling van [eiseres] dat dat in de spruitenmarkt hetzelfde beeld opdoemt als in de sperziebonenmarkt, slechts is onderbouwd met de stelling dat van de zeven tussen 2020 en 2022 overgestapte telers, er vijf naar F2Y gingen. [26] Het hof is op overstappen van de telers van spruiten ingegaan in rov. 4.32. Het heeft daar geoordeeld dat die overstap niet getuigt van onrechtmatige concurrentie, gelet op de daar door hem genoemde feiten. Dat oordeel is feitelijk en niet onbegrijpelijk. De verder niet uitgewerkte of toegelichte stelling die de klacht noemt, brengt daarin geen verandering.
De vierde klacht faalt eveneens. De bij de klacht ingeroepen productie betreft een e-mail waarin [verweerder 4] niet meer doet dan zeggen dat F2Y de hele bonenmarkt verstiert. Niet onbegrijpelijk is dan ook dat het hof heeft geoordeeld dat, tegenover de feitelijke gegevens uit het overzicht waarnaar F2Y c.s. verwijzen, [eiseres] niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat F2Y de markt heeft overspoeld met laaggeprijsde sperziebonen.
3.36
De subonderdelen 5.3 en 5.4 zijn gericht tegen rov. 4.31, waarin het hof overweegt:
“4.31. F2Y c.s. heeft ten aanzien van het overstappen van klanten nog het volgende naar voren gebracht. Na toetreding van Kamps in 2016 nam de concurrentie toe op de AGF-markt. F2Y noemt 19 klanten die (gedeeltelijk) in de periode 2018-2019 met sperziebonen zijn overgestapt naar andere AGF-marktpartijen. Voor wat betreft de klanten die naar F2Y zijn overgestapt, heeft F2Y c.s. aangevoerd dat het overstappen van klanten geen onrechtmatig handelen van F2Y c.s. oplevert. Voorts heeft F2Y c.s. nog gemotiveerd en per partij toegelicht dat een overstap veeleer te maken had met leveringsproblemen van [eiseres] en dat voor een aantal van de door [eiseres] genoemde partijen geldt dat F2Y daaraan niet, of zeer beperkt, heeft geleverd. Dit alles is niet, althans onvoldoende, door [eiseres] weersproken. Door [eiseres] is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het overstappen van klanten naar F2Y het gevolg is van onrechtmatige concurrentie door F2Y c.s.”
3.37
Subonderdeel 5.3klaagt dat het oordeel van het hof dat [eiseres] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het overstappen van klanten naar F2Y het gevolg is van onrechtmatige concurrentie door F2Y c.s., getuigt van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het hof met dit oordeel heeft miskend dat [eiseres] in het kader van haar inzagevordering slechts voldoende aannemelijk hoeft te maken dat F2Y c.s. onrechtmatig heeft gehandeld, en dat die aannemelijkheidsdrempel lager ligt dan bij toewijzing van een onrechtmatige daad-vordering in kort geding.
Subonderdeel 5.4voert aan dat het oordeel van het hof in rov. 4.31 dat [eiseres] de daar besproken stellingen van F2Y onvoldoende heeft weersproken, onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd en de door het hof getrokken conclusie in rov. 4.31 dat door [eiseres] onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat het overstappen van klanten naar F2Y het gevolg is van onrechtmatige concurrentie door F2Y c.s., niet kan dragen in het licht van het volgende:
(i) Dat er ook klanten naar andere marktpartijen zijn overgestapt, zegt niets over de aannemelijkheid van [eiseres] 's onderbouwde vermoedens ter zake van onrechtmatige concurrentie door F2Y c.s. jegens [eiseres] .
(ii) De stelling van F2Y c.s. dat het overstappen van klanten niet onrechtmatig is, zegt niets over de vraag of de door [eiseres] naar voren gebrachte aanwijzingen en vermoedens voldoende aannemelijk maken dat F2Y c.s. onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld.
(iii) De stelling van [eiseres] dat alle AGF-marktpartijen, waaronder ook F2Y, te kampen hadden met leveringsproblemen en dat deze problemen dus niet de grote uitloop van klanten kunnen verklaren.
(iv) Dat F2Y aan een aantal partijen niet of beperkt heeft geleverd, zegt niets over de aannemelijkheid van [eiseres] 's onderbouwde vermoedens ter zake van onrechtmatige concurrentie door F2Y c.s. jegens [eiseres] .
3.38
Subonderdeel 5.3 faalt omdat het hof dit niet heeft miskend. Subonderdeel 5.4 faalt omdat hetgeen daarin is vermeld onder (i)-(iv), niet afdoet aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof dat [eiseres] niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het overstappen van klanten naar F2Y het gevolg is van onrechtmatige concurrentie door F2Y c.s. Met betrekking tot hetgeen onder (iii) is vermeld, geldt bovendien dat F2Y c.s. er gemotiveerd op heeft gewezen dat de leveringsproblemen [eiseres] meer raakten dan andere marktpartijen. [27]
3.39
Subonderdeel 5.5bestrijdt het oordeel van het hof in rov. 4.32 dat de overstap van telers van [eiseres] naar F2Y niet getuigt van onrechtmatige concurrentie. Het hof heeft in dat verband onder meer overwogen dat [eiseres] onvoldoende heeft weersproken de stelling van F2Y c.s. dat in de jaren 2020-2022 een groot aantal telers hun samenwerking met [eiseres] heeft beëindigd om vervolgens met andere AGF-marktpartijen te gaan samenwerken en dat onjuist is dat opeens in 2022 een groot aantal telers is gaan samenwerken met F2Y. Het subonderdeel betoogt dat dit oordeel onbegrijpelijk is, gelet op het overzicht dat [eiseres] als productie 105 heeft overgelegd, waarop het hof niet heeft gerespondeerd.
3.4
Het subonderdeel faalt. Het oordeel van het hof is feitelijk en niet onbegrijpelijk. De in productie 105 vermelde gegevens maken dat niet anders. Bovendien volgt uit productie 105 dat in 2022 drie van de vijf telers die volgens die productie uiteindelijk zijn overgestapt naar F2Y of samenwerkten met [verweerder 6] of [verweerder 5] , nog samenwerkten met [eiseres] . Reeds in dat licht kan het oordeel van het hof dat [eiseres] onvoldoende heeft weersproken dat in 2022 niet ineens een
grootaantal telers is gaan samenwerken met F2Y, niet als onbegrijpelijk worden aangemerkt.
Bespreking onderdeel 6; betrokkenheid [verweerder 3] bij F2Y
3.41
Onderdeel 6 is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 4.34-4.35 over de door [eiseres] gestelde betrokkenheid van [verweerder 3] bij F2Y. Zoals het hof in rov. 4.34 vaststelt, heeft [eiseres] zich op het standpunt gesteld dat sterke vermoedens bestaan dat [verweerder 3] betrokken is geweest bij de oprichting van F2Y en dat hij een (financieel) belang heeft in F2Y. Daarmee heeft hij het concurrentiebeding van de SPA overtreden, aldus [eiseres] . F2Y was namelijk al voor het einde van de looptijd van dat beding (7 oktober 2018) doende met het ontwikkelen van activiteiten waarop het beding zag. Deze stellingen verwerpt het hof in rov. 4.35 op de grond dat [eiseres] in dit verband tegenover het verweer van F2Y c.s. enkel vermoedens heeft gesteld. Het hof loopt in rov. 4.35 de door [eiseres] gestelde concurrerende activiteiten van F2Y na die tijdens de looptijd van dat beding zouden hebben plaatsgevonden en oordeelt telkens dat deze niet als zodanig kunnen gelden.
Subonderdeel 6.1klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 4.35, dat [eiseres] tegenover het verweer van F2Y c.s. enkel vermoedens heeft gesteld over de betrokkenheid van [verweerder 3] bij F2Y c.s., getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, nu het hof er met dit oordeel onmiskenbaar van uitgaat dat het stellen van vermoedens onvoldoende is om tot toewijzing van [eiseres] ’s inzagevordering te kunnen leiden. Volgens het subonderdeel heeft het hof miskend dat [eiseres] in het kader van de inzagevordering slechts voldoende aannemelijk hoeft te maken dat F2Y c.s. onrechtmatig hebben gehandeld, en dat die aannemelijkheidsdrempel lager ligt dan bij toewijzing van een onrechtmatige daad-vordering in kort geding.
Subonderdeel 6.2voert aan dat het oordeel van het hof in rov. 4.35 onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd omdat het hof niet (kenbaar) heeft gerespondeerd op zes door [eiseres] gestelde aanwijzingen voor de betrokkenheid van [verweerder 3] bij F2Y die, zeker wanneer zij in samenhang worden beschouwd, tot het oordeel kunnen leiden dat de betrokkenheid van [verweerder 3] bij F2Y aannemelijk is.
Subonderdeel 6.3voert
ten eersteaan dat voor zover het hof in rov. 4.35 zou hebben geoordeeld dat [eiseres] geen beroep kan doen op strijdigheid met de koopovereenkomst van haar aandelen, het hof miskent dat de niet-nakoming van de koopovereenkomst door [verweerder 3] als gevolg van een schending van het concurrentiebeding een onrechtmatige daad jegens [eiseres] kan opleveren.
Ten tweedevoert het subonderdeel aan dat van eenzelfde onjuiste rechtsopvatting getuigt het oordeel van het hof aan het slot van rov 4.35 dat, zelfs indien ervan moet worden uitgegaan dat eventuele concurrerende activiteiten van F2Y ten aanzien van de sperziebonen en spruiten voor 7 oktober 2018, de einddatum van het concurrentiebeding van [verweerder 3] , hebben plaatsgevonden, deze op zichzelf niet als onrechtmatig kunnen worden beschouwd. Volgens het subonderdeel miskent het hof dat de niet-nakoming van de koopovereenkomst door [verweerder 3] als gevolg van een schending van het concurrentiebeding een onrechtmatige daad jegens [eiseres] kan opleveren.
Subonderdeel 6.4voert aan dat het hof met zijn oordeel in rov. 4.35 dat vermoedens van de betrokkenheid van [verweerder 3] onvoldoende zijn om inzage te rechtvaardigen omdat eventuele concurrerende activiteiten van F2Y ten aanzien van de sperziebonen en spruiten op zichzelf niet als onrechtmatig kunnen worden beschouwd, heeft miskend dat [eiseres] in het kader van haar inzagevordering slechts voldoende aannemelijk hoeft te maken dat F2Y c.s. onrechtmatig hebben gehandeld en dat die aannemelijkheidsdrempel lager ligt dan bij toewijzing van een onrechtmatige daad-vordering in kort geding.
3.42
Subonderdeel 6.1 faalt. Met ‘vermoedens’ heeft het hof in rov. 4.35, anders dan het subonderdeel tot uitgangspunt neemt, niet het oog op bewijsvermoedens of iets dergelijks – waaruit inderdaad het voldoende aannemelijk zijn van feiten kan worden afgeleid die inzage kunnen rechtvaardigen –, maar op ‘speculatie’, zoals de voorzieningenrechter in dit verband uitdrukkelijk heeft overwogen (rov. 5.9 van zijn vonnis: “De voorzieningenrechter constateert dat [eiseres] tegenover het verweer van F2Y c.s. enkel vermoedens heeft gesteld. De onderbouwing van een rechtsbetrekking ten opzichte van [verweerder 3] blijft speculatief.”) en naar wiens oordeel het hof in dit verband ook met zoveel woorden verwijst.
Subonderdeel 6.2 faalt omdat vaststaat dat F2Y pas vanaf 2019 activiteiten ondernam waarmee zij in concurrentie trad met [eiseres] (zie hiervoor in 2.1 onder (vii)), het hof in rov. 4.35 nog nader vaststelt dat van dergelijke activiteiten van F2Y voordien geen sprake is geweest (en de betrokkenheid van [verweerder 3] bij F2Y dus niet tot het oordeel kan leiden dat hij [eiseres] tijdens de looptijd van het beding concurrentie aandeed door betrokkenheid bij F2Y) en geen van de in het subonderdeel genoemde omstandigheden die nadere vaststelling onbegrijpelijk doet zijn.
De eerste klacht van subonderdeel 6.3 faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag, nu het hof niet heeft geoordeeld dat [eiseres] geen beroep kan doen op strijdigheid met de SPA. De tweede klacht faalt, nu het hof terecht overweegt dat concurrerende activiteiten door F2Y tijdens de looptijd van het concurrentiebeding van de SPA nog niet betekent dat F2Y onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiseres] .
Subonderdeel 6.4 faalt omdat het hof dit niet heeft miskend.
Bespreking onderdeel 7; kopiëren bedrijfsmodel [eiseres]
3.43
Onderdeel 7 komt op tegen het oordeel van het hof in rov. 4.36-4.37 dat [eiseres] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van het kopiëren van het bedrijfsmodel van [eiseres] . Volgens het hof hebben F2Y c.s. dit gemotiveerd weersproken. F2Y c.s. hebben, naar het hof vaststelt, naar voren gebracht dat de supply chain bij F2Y korter was dan bij [eiseres] , F2Y een breder assortiment heeft, omdat zij naast groente ook fruit levert, en F2Y doorgaans hogere prijzen dan [eiseres] hanteert, omdat zij concurreert op kwaliteit en leveringskwaliteit.
Onderdeel 7bevat
onder (i)een herhaling van de klacht van subonderdeel 1.1 tegen het oordeel van het hof dat [eiseres] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van het kopiëren van het bedrijfsmodel van [eiseres] .
Onder (ii)betoogt het onderdeel dat zonder nadere motivering niet valt in te zien waarom het enkele feit dat het assortiment van F2Y breder is, in die zin dat F2Y ook andere goederen levert, een aanwijzing vormt dat F2Y niet het bedrijfsmodel van [eiseres] heeft gekopieerd, omdat goed mogelijk is dat F2Y het bedrijfsmodel heeft gekopieerd voor zover het gaat om goederen die F2Y en [eiseres] allebei leveren. Door [eiseres] is bovendien gesteld dat zij, zij het in beperkte omvang, fruit levert.
Onder (iii)klaagt het onderdeel dat de stelling van F2Y c.s. dat F2Y doorgaans hogere prijzen hanteert onverenigbaar is met de onderbouwde stelling van [eiseres] dat F2Y, op basis van de gestolen prijslijst, bewust lagere prijzen dan [eiseres] heeft gehanteerd. Volgens het subonderdeel is het hof niet op die stelling ingegaan, terwijl deze tot een ander oordeel had kunnen leiden.
3.44
De klacht onder (i) faalt om dezelfde redenen als subonderdeel 1.1. De klacht onder (ii) berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest, nu het hof niet heeft overwogen dat het enkele feit dat het assortiment van F2Y breder is, een aanwijzing vormt dat F2Y niet het bedrijfsmodel van [eiseres] heeft gekopieerd, maar aan dit oordeel ook andere, in rov. 4.37 genoemde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. De klacht onder (iii) faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag, nu het hof in rov. 4.29 heeft geoordeeld dat [eiseres] die stelling onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt.
Bespreking onderdeel 8; onrechtmatige concurrentie in groepsverband
3.45
Onderdeel 8 bestrijdt het oordeel van het hof in rov. 4.38-4.39 dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat sprake is van onrechtmatige concurrentie in groepsverband. Het hof overweegt daarover:
“4.38. In dit kort geding is naar het oordeel van het hof van onrechtmatig handelen door (één van de) geïntimeerden niet gebleken, althans heeft [eiseres] niet voldoende aannemelijk gemaakt dat zich een onrechtmatige daad heeft voorgedaan of dreigt voor te doen. Ook als de feiten in onderlinge samenhang worden beschouwd, is er geen rechtsbetrekking tussen partijen aannemelijk geworden die tot een recht op inzage leidt. Anders dan [eiseres] meermaals lijkt te betogen is onvoldoende voor het aannemen van een rechtsbetrekking dat het handelen van F2Y c.s. als gevolg heeft dat het duurzame bedrijfsdebiet van [eiseres] op stelselmatige en substantiële wijze is aangetast. [eiseres] gaat er ten onrechte aan voorbij dat voorop blijft staan dat zij voldoende aannemelijk dient te maken dat sprake is van het op onrechtmatige wijze veroorzaken van schade door de groep (of een lid daarvan).
4.39.
Daarbij komt dat [eiseres] onvoldoende heeft aangedragen op grond waarvan kan worden geoordeeld dat geïntimeerden hebben gehandeld als groep en met een duidelijk plan. Met de omschrijving dat de groep wordt gevormd "door een kern van F2Y-management met een (recente) historie bij [eiseres] ” is geen, althans onvoldoende, samenhang gegeven. Het hof ziet bovendien geen, althans onvoldoende, aanknopingspunten voor het aannemen van een objectieve samenhang tussen de verschillende gedragingen die [eiseres] ten grondslag legt aan de door haar gestelde gepleegde onrechtmatige concurrentie. Daarvoor lopen de gedragingen, waarvan het hof bovendien oordeelt dat niet aannemelijk is dat sprake is van onrechtmatige gedragingen, zowel qua verschijningsvorm als in de tijd waarbinnen deze gedragingen zich zouden hebben voorgedaan, teveel uiteen. Dat voor ieder van F2Y c.s. duidelijk was wat het plan was, namelijk [eiseres] waar mogelijk en op oneigenlijke wijze uit de markt duwen, is door [eiseres] volstrekt onvoldoende onderbouwd. Het hof komt tot de slotsom dat de voorzieningenrechter geen blijk heeft gegeven van een onjuiste toepassing van het leerstuk onrechtmatige concurrentie. Het hof deelt voorts het oordeel van de voorzieningenrechter dat [eiseres] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er tussen [eiseres] en F2Y c.s. een rechtsbetrekking bestaat. De grieven 3 en 4 in principaal hoger beroep falen.”
3.46
De
subonderdelen 8.1 en 8.3bevatten slechts voortbouwklachten en behoeven daarom geen bespreking.
Subonderdeel 8.2klaagt
onder adat het hof, door in rov. 4.39 te beoordelen of hetgeen [eiseres] aan haar inzagevordering ten grondslag legt, de conclusie kan dragen dat F2Y c.s. hebben gehandeld als groep en met een duidelijk plan, het hof heeft miskend dat [eiseres] in het kader van haar inzagevordering slechts voldoende aannemelijk hoeft te maken dat F2Y c.s. in groepsverband onrechtmatig hebben gehandeld, en dat de aannemelijkheidsdrempel lager ligt dan bij toewijzing van een onrechtmatige daad-vordering in kort geding.
Onder bbetoogt het subonderdeel dat het oordeel van het hof in rov. 4.39 dat van voldoende aannemelijkheid geen sprake is, onbegrijpelijk is, omdat het zonder nadere motivering geen respons inhoudt op, dan wel een te enge uitleg geeft aan [eiseres] ’s stellingen dat sprake is van handelen in groepsverband door een kern van F2Y-management met een arbeidsverleden bij [eiseres] die door verschillende met elkaar samenhangende gedragingen, bestaande uit het weglokken van [eiseres] -werknemers, het versoepelen van hun concurrentiebedingen, het overnemen van telers en klanten en het vervreemden van vertrouwelijke bedrijfsinformatie, schade aan [eiseres] hebben toegebracht door haar op onrechtmatige wijze te beconcurreren en dat voor de betrokken kernleden van het management inzichtelijk was dat hun handelen een aanzienlijke kans op schade voor [eiseres] in het leven riep, zeker nu enkele van die kernleden zelf nog bij [eiseres] werkten toen F2Y haar op onrechtmatige wijze begon te beconcurreren zodat zij de gevolgen voor [eiseres] moeten hebben meegemaakt.
3.47
De klacht onder a van subonderdeel 8.2 berust op een onjuiste rechtsopvatting. [eiseres] zal immers om te beginnen zodanige feiten moet stellen dat daarop het oordeel kan worden gebaseerd dat sprake is van groepsaansprakelijkheid. De klacht onder b faalt, nu het hof in rov. 4.18-4.37 uitvoerig heeft gemotiveerd dat al de bij deze klacht genoemde stellingen van [eiseres] (‘het weglokken van [eiseres] -werknemers, het versoepelen van hun concurrentiebedingen, het overnemen van telers en klanten en het vervreemden van vertrouwelijke bedrijfsinformatie’) onvoldoende zijn onderbouwd of uitgewerkt en daardoor onvoldoende aannemelijk zijn gemaakt, zoals het hof in rov. 4.38 ook nog eens kort recapituleert.
3.48
Subonderdeel 8.4bevat de klacht dat het hof, door in rov. 4.39 enerzijds bij de objectieve samenhang te vereisen dat de gedragingen in verschijningsvorm en in tijd samenhangen en anderzijds bij de subjectieve samenhang het bestaan van een plan en de bekendheid van ieder groepslid daarmee te eisen, een te beperkte uitleg heeft gegeven aan de door art. 6:166 lid 1 BW Pro gestelde vereisten voor groepsaansprakelijkheid. Volgens het subonderdeel is voor objectieve samenhang voldoende dat de deelnemers op de een of andere manier een bijdrage hebben geleverd aan de onrechtmatige gedragingen in groepsverband en is voor subjectieve samenhang voldoende dat de betrokken personen zich ervan bewust zijn dat anderen naast hen met hetzelfde bewustzijn van gemeenschappelijk optreden betrokken zijn bij gedragingen waarvan de kans op het aldus toebrengen van schade hen daarvan had behoren te weerhouden.
3.49
Het subonderdeel faalt al bij gebrek aan belang, nu de overweging van het hof in rov. 4.38 dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat sprake is van het op
onrechtmatigewijze veroorzaken van schade, zijn oordeel dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat sprake is van onrechtmatige concurrentie in groepsverband zelfstandig kan dragen. Hiernaast berust het subonderdeel op een onjuiste lezing van het arrest van het hof. Anders dan het subonderdeel tot uitgangspunt neemt, overweegt het hof niet dat voor groepsaansprakelijkheid steeds vereist is dat sprake is van een plan en bekendheid van ieder groepslid daarmee, maar oordeelt het hof dat [eiseres] haar stelling dat voor ieder van F2Y c.s. duidelijk was wat het plan was, “volstrekt onvoldoende onderbouwd” heeft. Het oordeel van het hof is dus slechts een reactie op de stelling die [eiseres] zelf heeft aangevoerd in dit verband.
Anders dan het subonderdeel aanvoert, heeft het hof in rov. 4.39 niet geoordeeld dat eenheid van verschijningsvorm en tijd is vereist voor groepsaansprakelijkheid. Het hof heeft slechts overwogen dat voor groepsaansprakelijkheid objectieve samenhang vereist is, en zijn oordeel dat daarvan bij de stellingen van [eiseres] geen sprake is, gemotiveerd door te overwegen dat de gestelde gedragingen zowel qua verschijningsvorm als in de tijd teveel uiteenlopen, daarmee uitsluitend tot uitdrukking brengend dat overeenkomsten in verschijningsvorm en tijd factoren zijn die eventueel de vereiste objectieve samenhang aannemelijk kunnen maken.
Bespreking onderdeel 9: verzoek om op de voet van art. 22 Rv Pro kennis te nemen van het overzicht van verwijderde mails
3.5
Onderdeel 9 is gericht tegen de afwijzing door het hof in rov. 4.41 van het verzoek dat [eiseres] op de voet van art. 22 Rv Pro heeft gedaan met betrekking tot het hiervoor in 2.1 onder (xv) genoemde Excel-bestand met verwijderde e-mails. Het hof verwijst voor die afwijzing naar zijn oordeel dat niet aan de vereisten voor inzage op de voet van art. 843a Rv is voldaan en dat het in hetgeen [eiseres] overigens heeft aangevoerd, geen aanleiding ziet om gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheid als bedoeld in art. 22 Rv Pro.
Subonderdeel 9.1bevat tegen deze beslissing een voortbouwklacht en behoeft geen bespreking.
Subonderdeel 9.2klaagt dat het oordeel van het hof dat het in hetgeen [eiseres] overigens heeft aangevoerd, geen aanleiding ziet om gebruik te maken van deze discretionaire bevoegdheid, onbegrijpelijk is, aangezien het hof door aldus te oordelen geen inzicht biedt in zijn gedachtegang of de te maken belangenafweging, zeker in het licht van een vijftal stellingen van [eiseres] , die er in de kern genomen op neerkomen dat nadat [eiseres] bewijsbeslag heeft laten leggen, een van de verweerders meer dan 700 e-mails uit zijn inbox heeft verwijderd en F2Y c.s. hebben verklaard dat het ging om een paniekreactie.
3.51
Het subonderdeel faalt. Art. 22 Rv Pro bevat, zoals het hof heeft overwogen en het subonderdeel tot uitgangspunt neemt, een discretionaire bevoegdheid voor de rechter. Aan het wel of niet toepassen van die bevoegdheid kunnen daarom geen hoge eisen worden gesteld. Volgens de parlementaire toelichting op art. 22 Rv Pro behoeft de rechter op een verzoek tot toepassing ervan niet uitdrukkelijk te beslissen en gelden wat betreft de motivering geen hoge eisen. Bij een beroep op art. 843a Rv is volgens de toelichting de vrije beoordelingsruimte van de rechter kleiner (de rechter heeft in dat geval geen discretionaire bevoegdheid) en gelden ook hogere motiveringseisen. [28]
Gelet op dit karakter van de bevoegdheid van art. 22 Rv Pro is er geen tot zeer weinig mogelijkheid om tegen de niet-toepassing van die bevoegdheid in cassatie op te komen. Het is duidelijk dat het hof, gelet op zijn oordeel over de inzagevordering (dat erop neerkomt dat die vordering onmiskenbaar ongegrond is), in hetgeen [eiseres] heeft aangevoerd, geen aanleiding heeft gezien tot die toepassing. Dat is een begrijpelijk oordeel. De klacht van het subonderdeel stuit daarop af.
Bespreking onderdeel 10; opheffing bewijsbeslag
3.52
Onderdeel 10 bestrijdt de opheffing van het bewijsbeslag door het hof. Het hof overweegt daarover:
“4.42. In het incidenteel hoger beroep voert F2Y c.s. aan dat bij bekrachtiging van het vonnis het bewijsbeslag van [eiseres] dient te worden opgeheven wegens onder meer schending van artikel 21 Rv Pro door [eiseres] . Volgens F2Y c.s. zijn zowel de voorzieningenrechter bij het ex parte bewijsbeslag, als de voorzieningenrechter in kort geding als het hof onjuist en onvolledig ingelicht. F2Y c.s. verzoekt het hof de vordering tot opheffing van het bewijsbeslag alsnog toe te wijzen.
4.43.
In de zogenoemde Molenbeek-uitspraak heeft de Hoge Raad het volgende overwogen: “In het verzoekschrift dient zowel de rechtsbetrekking te worden gesteld niet het oog waarop het verlof wordt gevraagd, als de identiteit van de wederpartij of de derde onder wie het beslag moet worden gelegd. Voorts dient de verzoeker zijn belang bij de beslaglegging voldoende aannemelijk te maken, alsmede feiten en omstandigheden waaruit volgt dat de beslaglegging met het oog daarop noodzakelijk is. Daartoe is nodig dat gegronde vrees bestaat dat de betrokken bescheiden anders verloren gaan, en dat de beoogde bewijsvoering niet op andere, voor de beslagene minder ingrijpende wijze kan plaatsvinden (zie de MvT bij art. 1019b Rv, Kamerstukken II
2005/06, 30 392, nr. 3,p. 20: de keuze van de maatregelen dient te worden geleid door overwegingen van proportionaliteit en subsidiariteit).” (HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9958, rov. 3.7.1). Voorts is van belang dat de rechter in een opheffïngskortgeding van een beslag niet dient te beoordelen of terecht verlof voor het beslag is verleend, maar of op het moment van zijn beslissing grond bestaat voor opheffing van het beslag. De rechter dient in geval van een bewijsbeslag het beslag op te heffen als hij op grond van hetgeen partijen aanvoeren tot het oordeel komt dat op dat moment niet of niet meer is voldaan aan de eisen die voor het verlof voor het leggen van bewijsbeslag zijn gesteld in de Molenbeek-uitspraak (vgl. HR 19 februari 2023, ECLI:NL:HR:2021:273, rov. 3.3.3).
4.44.
In deze zaak is sprake van een in conventie ingestelde exhibitievordering ex artikel 843a Rv en een in reconventie gevorderde opheffing van het bewijsbeslag. Het hof is van oordeel dat op grond van hetgeen partijen in dit kort geding hebben aangevoerd niet meer wordt voldaan aan de eisen die voor het verlof voor het leggen van bewijsbeslag gelden. Het hof heeft, evenals de voorzieningenrechter, ten aanzien van de exhibitievordering geoordeeld dat [eiseres] de rechtsbetrekking tussen partijen onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. [eiseres] heeft haar belang bij de (voortdurende) beslaglegging onvoldoende aannemelijk gemaakt, terwijl de beslaglegging ook niet (meer) voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Daarnaast blijkt uit het oordeel in principaal hoger beroep de summierlijke ondeugdelijkheid van het door [eiseres] ingeroepen recht. Daartoe is voorts het volgende redengevend.
4.45.
Tussen partijen is een uitvoerig debat gevoerd of sprake is geweest van onrechtmatige concurrentie door F2Y c.s. of niet. [eiseres] meent van wel, terwijl F2Y c.s. uitgebreid en omstandig heeft betoogd dat sprake is geweest van rechtmatige concurrentie. [eiseres] heeft, daar waar zij gemakkelijk in staat was om haar stellingen op punten nader te onderbouwen, dit (ook) in hoger beroep nagelaten. Het hof wijst bijvoorbeeld op hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 4.23 is overwogen ten aanzien van het gewijzigde HR-beleid en de rol van [betrokkene 5] . Nu [eiseres] bovendien haar vorderingen in hoger beroep heeft toegesneden op onrechtmatige concurrentie in groepsverband, terwijl daarvan in het geheel niet is gebleken (vgl. rechtsoverweging 4.39), ziet het hof aanleiding het beslag op te heffen.
4.46.
De hier te maken belangenafweging valt in het nadeel van [eiseres] uit. Het leggen van conservatoir bewijsbeslag is een ingrijpende maatregel. Er is door [eiseres] beslag gelegd op een groot aantal documenten met een vertrouwelijk en (mogelijk) concurrentiegevoelig karakter, terwijl voorts legal holds zijn opgelegd met betrekking tot de e-mailaccounts van geïntimeerden, de e-mailaccounts van verschillende andere medewerkers van F2Y en het e-mailaccount van de administratie en HR van F2Y. [eiseres] en F2Y zijn directe concurrenten, terwijl [eiseres] niet aannemelijk heeft gemaakt dat van onrechtmatige concurrentie door F2Y c.s. sprake is. Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat het belang van F2Y c.s. bij opheffing van het bes lag zwaarder weegt dan het belang van [eiseres] bij handhaving daarvan. Het incidenteel hoger beroep van F2Y c.s. slaagt in zoverre.”
3.53
Subonderdeel 10.1bevat een voortbouwklacht en behoeft daarom geen bespreking.
Subonderdeel 10.2voert aan dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden door het bewijsbeslag op te heffen op andere gronden dan de aan de vordering van F2Y ten grondslag gelegde schending van art. 21 Rv Pro.
3.54
Deze klacht is ongegrond. Het hof is niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden. Kennelijk heeft het hof de stellingen van F2Y c.s. aldus begrepen dat F2Y c.s. mede opheffing van het bewijsopslag hebben gevorderd omdat de inzagevordering niet voor toewijzing vatbaar is, de grond waarop het hof het beslag heeft opgeheven (vgl. de eerste zin van rov. 4.42 en het ‘onder meer’ daarin). Dat is niet onbegrijpelijk. F2Y c.s. hebben weliswaar zowel in eerste aanleg als in hoger beroep voor de opheffing gewezen op art. 21 Rv Pro, maar hebben hun eerste incidentele grief het als zodanig duidelijke kopje gegeven: ‘Grief 1 Bij bekrachtiging van het vonnis dient het bewijsbeslag [eiseres] te worden opgeheven’. Zij hebben hun incidenteel appel in hun memorie bovendien onmiddellijk daarvoor ingeleid met het verzoek aan het hof om al hetgeen zij in de hoofdstukken I-VI van hun memorie naar voren hebben gebracht, in het incidenteel appel als herhaald en ingelast te beschouwen. [29] Die hoofdstukken betreffen het verweer tegen de inzagevordering, welk verweer erop neerkomt dat die vordering zonder grond is en daarom moet worden afgewezen.
3.55
Subonderdeel 10.3klaagt dat het hof, door in rov. 4.44 te oordelen dat uit zijn afwijzing van [eiseres] ’s inzagevordering volgt dat (i) niet meer aan de eisen die gelden voor het leggen van bewijsbeslag wordt voldaan, (ii) [eiseres] haar belang bij de voortdurende beslaglegging onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt, en/althans (iii) de beslaglegging niet voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, heeft miskend dat de maatstaf voor de beoordeling van het al dan niet laten voortduren van een bewijsbeslag, lagere eisen stelt aan de aannemelijkheid van de gestelde rechtsbetrekking dan de Semtex-maatstaf.
3.56
Het subonderdeel faalt. Het hof heeft in rov. 4.43 en 4.44 de juiste maatstaf vooropgesteld, welke maatstaf dan ook in cassatie niet wordt bestreden. Die maatstaf houdt onder meer in dat belang bij het beslag moet bestaan en dat het beslag moet voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het hof stelt in rov. 4.44 vast dat aan die eisen niet wordt voldaan, nu vaststaat dat de inzagevordering van [eiseres] niet voor toewijzing in aanmerking komt, nu [eiseres] het bestaan van de haar gestelde rechtsbetrekkingen niet als vereist aannemelijk kan maken. Het oordeel van het hof is dus overeenkomstig de geldende maatstaf. Voorts heeft het hof in rov. 4.44-4.46 getoetst aan de algemene grond voor opheffing van een beslag, of summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht (art. 704 lid 2 Rv Pro), en ook de daarbij behorende belangenafweging uitgevoerd. Ook daarbij is het uitgegaan van de juiste maatstaven. [30] Voor zover het subonderdeel tot uitgangspunt neemt dat voor de beoordeling van het al dan niet laten voortduren van een bewijsbeslag, lagere eisen gelden, ziet het eraan voorbij dat die eisen allicht niet meer gelden als eenmaal van de ondeugdelijkheid van de vordering is gebleken. Dan is er immers geen enkele grond voor het beslag meer. Wat dan nog rest is uitsluitend een belangenafweging en die heeft het hof in rov. 4.46 uitgevoerd.
3.57
Subonderdeel 10.4voert aan dat het oordeel van het hof in rov. 4.44 dat het door [eiseres] ingeroepen recht summierlijk ondeugdelijk is gebleken, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Het afwijzende oordeel in principaal beroep maakt volgens het subonderdeel nog niet dat F2Y c.s. als degenen die de opheffing van het beslag vorderen, aannemelijk hebben gemaakt dat de door [eiseres] als beslaglegger gepretendeerde inzagevordering (summierlijk) ondeugdelijk is.
3.58
Het subonderdeel faalt. Het oordeel van het hof dat uit zijn overwegingen mede volgt dat summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van het door [eiseres] ingeroepen recht, welk oordeel het hof in rov. 4.45 nog nader motiveert door nogmaals en nog wat meer indringend te wijzen op het gebrek aan onderbouwing van de stellingen van [eiseres] , die volgens het hof mede beweringen bevat waarvan ‘in het geheel niet is gebleken’, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
3.59
Subonderdeel 10.5klaagt
onder adat de overweging van het hof in rov. 4.45 dat [eiseres] haar stellingen gemakkelijk nader had kunnen onderbouwen, onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is, nu het hof niet nader heeft toegelicht dat [eiseres] dit had gekund. Volgens het subonderdeel heeft het hof met deze motivering miskend dat [eiseres] ’s inzagevordering juist ertoe strekt dergelijke onderbouwing mogelijk te maken.
Onder bklaagt het subonderdeel
ten eerstedat het hof met het oordeel in rov. 4.45 dat het beslag moet worden opgeheven omdat in het geheel niet is gebleken dat sprake is van onrechtmatige concurrentie in groepsverband, heeft miskend dat voor (het laten voortduren van) bewijsbeslag niet vereist is dat [eiseres] een rechtsbetrekking voldoende aannemelijk maakt in de mate die vereist is voor de toewijzing van een inzagevordering, laat staan dat [eiseres] aantoont dat sprake is van onrechtmatige concurrentie. Volgens de klacht onder b valt
ten tweedezonder nadere motivering in ieder geval niet in te zien dat het oordeel over de afwijzing van de inzagevordering het oordeel over de opheffing van het bewijsbeslag zou kunnen dragen.
3.6
De klacht onder a mist feitelijke grondslag. In rov. 4.18-4.37 heeft het hof immers zeer uitvoerig toegelicht in welke opzichten [eiseres] haar stellingen in het licht van de gemotiveerde betwistingen door F2Y c.s. onvoldoende heeft onderbouwd. Het betoog dat de inzagevordering er juist toe strekt een dergelijke onderbouwing mogelijk te maken, gaat eraan voorbij dat een inzagevordering volgens de Semtex-maatstaf alléén toewijsbaar is als in de zin van die maatstaf voldoende aannemelijk is (gemaakt) dat sprake is van een rechtsbetrekking.
De eerste klacht onder b faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag in het arrest van het hof. Het hof heeft dit niet miskend. De tweede klacht onder b is ongegrond omdat het oordeel van het hof alleszins begrijpelijk is.
3.61
Subonderdeel 10.6bevat de klacht dat voor zover het oordeel van het hof in rov. 4.45 zo moet worden begrepen dat volgens het hof de rechtsbetrekking uit onrechtmatige daad in groepsverband de enige rechtsbetrekking is die [eiseres] aan haar bewijsbeslag ten grondslag heeft gelegd, dat oordeel onvoldoende gemotiveerd is, omdat het een te enge uitleg geeft aan [eiseres] ’s stellingen, en innerlijk tegenstrijdig is.
3.62
De klacht mist feitelijke grondslag in het arrest van het hof, nu het hof de stellingen van [eiseres] niet in deze zin heeft vastgesteld. Zijn overwegingen bevatten ook geen aanknopingspunt om zijn arrest of rov. 4.45 aldus te lezen.
3.63
Subonderdeel 10.7betoogt dat het hof door in rov. 4.46 te oordelen dat het belang van F2Y c.s. bij opheffing van het beslag zwaarder weegt dan het belang van [eiseres] bij handhaving daarvan, buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden aangezien F2Y c.s. niet hebben gesteld dat het bewijsbeslag belastend is of dat zij anderszins een (zwaarwegend) belang hebben bij opheffing van het bewijsbeslag.
3.64
De klacht faalt omdat zij uitgaat van een onjuiste opvatting over de stelplicht van degene die opheffing van een beslag vordert. De overweging van het hof heeft betrekking op de belangenafweging die in kort geding gemaakt moet worden bij het al dan niet opheffen van een beslag. Die belangenafweging moet de rechter uitvoeren aan de hand van hetgeen hem in de procedure blijkt over de belangen van partijen (en eventueel ook de betrokken belangen van derden en algemene belangen). [31] Die afweging is geen onderdeel van de aan te voeren grondslag van de opheffingsvordering. Dat is dat de vordering waarvoor beslag is gelegd, ondeugdelijk is. Voor belangenafweging gelden dus niet de gewone regels van stelplicht en bewijslast. Dat het hof de belangen van F2Y c.s. heeft vastgesteld zoals het heeft gedaan in rov. 4.46, is niet onbegrijpelijk. F2Y c.s. hebben ook uitdrukkelijk op die belangen gewezen, zij het met betrekking tot de inzage. [32] Dat die belangen voor hen aan de orde zijn, lijkt me in beginsel ook zonder meer gegeven.
3.65
Subonderdeel 10.8voert
ten eersteaan dat het oordeel van het hof in rov. 10.8 dat de belangenafweging in het nadeel van [eiseres] uitvalt, onjuist, althans onbegrijpelijk gemotiveerd is. Het subonderdeel klaagt dat niet valt in te zien waarom het laten voortduren van het bewijsbeslag belastend zou zijn voor F2Y c.s., nu het beslag niet rust op (fysieke of digitale) documenten zelf, maar op een kopie daarvan en de legal holds inmiddels zijn verwijderd.
Ten tweedevoert het subonderdeel aan dat de overweging dat [eiseres] niet aannemelijk heeft gemaakt dat van onrechtmatige concurrentie door F2Y c.s. sprake zou zijn, de belangenafweging die het hof maakt, niet kan dragen, aangezien het hof hiermee heeft miskend dat de drempel voor bewijsbeslag lager ligt dan voor de toewijzing van de inzagevordering.
Ten derdeklaagt het subonderdeel dat het oordeel van het hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is, omdat [eiseres] evident belang heeft bij het voortduren van het bewijsbeslag, aangezien met het bewijsbeslag wordt gewaarborgd dat geen bescheiden verloren gaan die kunnen dienen ter onderbouwing van de vorderingen van [eiseres] op F2Y c.s.
3.66
De klachten falen. Het oordeel van het hof dat de belangenafweging in het voordeel van F2Y c.s. uitvalt, is niet onbegrijpelijk. Het subonderdeel ziet eraan voorbij dat die afweging in de eerste plaats daarop berust dat volgens het hof de inzagevordering van [eiseres] onmiskenbaar zonder grond is. Een beslag voor een dergelijke vordering behoeft in beginsel niet te worden geduld, zelf als er maar weinig hinder door het beslag zou bestaan. Het hof stelt echter alleszins begrijpelijk vast dat die hinder er wel is voor F2Y c.s. Het gaat, afgezien nog van de legal holds, om (kopieën van) een groot aantal documenten met een vertrouwelijk en (mogelijk) concurrentiegevoelig karakter.
3.67
Subonderdeel 10.9voert aan dat het hof, door in rov. 4.46 rekening te houden met de omstandigheden dat het
leggenvan bewijsbeslag een ingrijpende maatregel is en dat er legal holds zijn opgelegd ten aanzien van verschillende e-mailaccounts, heeft miskend dat de eventuele opheffing van een reeds gelegd bewijsbeslag ex nunc moet worden getoetst.
3.68
Ook deze klacht faalt weer bij gebrek aan feitelijke grondslag in het arrest van het hof, nu het hof met zoveel woorden ex nunc heeft getoetst in rov. 4.43-4.46.
Slotsom
3.69
Het middel is ongegrond. Het beroep leent zich voor toepassing van art. 81 RO Pro.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Vgl. voor de vaststaande feiten rov. 4.2.1-4.2.17 van het arrest van het hof. Niet al die feiten zijn in cassatie nog van belang. Feiten ten aanzien waarvan dat duidelijk niet het geval is, zijn hier weggelaten.
2.Zie de vaststelling van het hof in rov. 4.3.1. De tekst van de vorderingen beslaat meerdere bladzijden.
3.Vgl. de vaststellingen van het hof in rov. 4.3.2. Vgl. ook rov. 4.2.1-4.2.4 van het vonnis van de rechtbank.
4.Rb. Zeeland-West-Brabant 30 augustus 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:6397.
5.Hof ’s-Hertogenbosch 28 januari 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:205,
6.De procesinleiding is op 25 maart 2025 bij de Hoge Raad ingediend, de laatste dag van de termijn van acht weken.
7.Wet van 6 maart 2024 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en enige andere wetten in verband met de vereenvoudiging en modernisering van het bewijsrecht (Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht),
9.Vgl. aldus ook HR 6 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:201, rov. 3.6, en art. 74 lid 4 Overgangswet Pro Nieuw BW. Zie ook de conclusie voor het arrest, ECLI:NL:PHR:2025:996, onder 6.22-6.26.
10.Zie behalve de wettekst ook HR 18 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4877, NJ 2001/259 m.nt. P. Vlas, rov. 4.1.3 (destijds sprak art. 843a Rv nog alleen van ‘akten’ en niet in meer algemene zin van ‘bescheiden’). Zie voorts de toelichting op de wijziging van art. 843a Rv in 2002 in de memorie van toelichting, Van Mierlo/Bart, Parl. Gesch. Burgerlijk Procesrecht 2002, p. 553.
11.Zie bijv. J.R. Sijmonsma, Het inzagerecht (BPP nr. IX) 2017, hoofdstuk 7, J. Ekelmans, De exhibitieplicht (BPP nr. X) 2010, hoofdstuk 6, en B. Altena, Inzage in exhibitie van bescheiden bij derden. Over de vordering tot inzage in bescheiden onder derden en het inzagerecht naar komend recht, Weert: Celsus juridische uitgeverij 2016, hoofdstuk 1. Zie voorts o.a. Pitlo/Rutgers & Krans, Bewijs, 2014/97 en E.M. Hoogervorst, ‘8. Exhibitieplicht’, in Thoe Schwartzenberg/J.W. de Groot, E.M. Hoogervorst en B.T.M. van der Wiel (red.), Civiel bewijsrecht voor de rechtspraktijk, Apeldoorn: Maklu 2020, p. 92 e.v., i.h.b. vanaf p. 98 e.v. Zie ook A-G Wesseling-van Gent, ECLI:NL:PHR:2020:10, par. 2.3-2.41.
12.Boon e.a., Parl. Gesch. Bewijsrecht 1988, p. 416.
13.Vgl. de uiteenzetting in de wetsgeschiedenis die te vinden is in Van Mierlo/Bart, Parl. Gesch. Burgerlijk Procesrecht 2002, p. 553 (nr. 2).
14.Zie daarover kort mijn conclusie in zaak 22/03404, ECLI:NL:PHR:2023:771, onder 3.6-3.8, met verdere verwijzingen.
15.Vgl. o.m. HR 19 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:273, NJ 2024/119, m.nt. H.B. Krans, rov. 3.6.2, en de toelichting op de nieuwe art. 194-195a Rv, Kamerstukken II 2019/20, 35498, nr. 3, p. 48.
16.Vgl. in deze zin Asser Procesrecht/Asser 3 2023/198, Thoe Schwartzenberg/J.W. de Groot, E.M. Hoogervorst en B.T.M. van der Wiel (red.), Civiel bewijsrecht voor de rechtspraktijk, Apeldoorn: Maklu 2020, p. 98, met verwijzing naar de conclusie van A-G Wesseling-van Gent van 3 januari 2020, ECLI:NL:PHR:2020:10, onder 2.31 e.v., en B. Altena, Inzage in exhibitie van bescheiden bij derden. Over de vordering tot inzage in bescheiden onder derden en het inzagerecht naar komend recht, Weert: Celsus juridische uitgeverij 2016, p. 7.
17.HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1251,
18.Zie bijv. T.R.B. de Greve, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 843a Rv, aant. 3.4, onder verwijzing naar de toelichting op deze bepaling,
19.Conclusie in zaak 22/03404, ECLI:NL:PHR:2023:771, onder 3.11.
20.Zie in dezelfde zin naar ik begrijp A. Hammerstein, ‘Ontwikkelingen rond het inzagerecht’,
21.F2Y c.s. hebben deze stelling, als ik het goed zie, niet betwist.
22.Rov. 4.25 en 4.26 komen twee keer voor in het arrest van het hof. Hier gaat het om de tweede rov. 4.25-4.26. Hiervoor in deze conclusie werd gesproken over de eerste rov. 4.25-4.26.
23.Memorie van antwoord onder 31, onder verwijzing naar een als productie 61 overgelegde e-mail van de provider.
24.Memorie van antwoord onder 35. Zie ook de pleitaantekeningen van F2Y c.s. in hoger beroep onder 5.
25.Een aantal (sub)onderdelen bevat diverse klachten zonder nummering. In deze conclusie heb ik die klachten alsnog genummerd met ‘ten eerste’ enz.
26.Zie de pleitaantekeningen van de kant van [eiseres] in hoger beroep, onder 2.5.4, waarnaar het subonderdeel ook verwijst.
27.Memorie van antwoord onder 12 en conclusie van antwoord onder 100-110.
28.Zie Parl. Gesch. Herziening Rv (Van Mierlo/Bart), p. 157, en Kamerstukken II 1999/00, 26855, nr. 5, p. 28. Vgl. voorts bijv. T&C Rv, commentaar op art. 22 Rv Pro, aant. 1 (F.J.P. Lock, actueel t/m 30-01-2026) en GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 22 Rv Pro, aant. 2 (T.F.E. Tjong Tjin Tai, actueel t/m 01-01-2025).
29.Memorie van antwoord onder 173.
30.Vgl. daarvoor o.m. HR 17 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2105, NJ 1997/481, m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.3, en HR 25 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT9060, NJ 2006/148, m.nt. G.R. Rutgers, rov. 3.8-3.9. Zie ook HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1074, NJ 2017/155, m.nt. A.I.M. van Mierlo.
31.Zie uitvoerig over de belangenafweging in kort geding in het algemeen en bij opheffing van een beslag in het bijzonder Asser Procesrecht/Boonekamp 6 2024/135-138 en 212. Zie over het meewegen van algemene belangen en belangen van derden mijn conclusie voor HR 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:95, onder 3.26-3.27 (onderdeel door HR verworpen met art. 81 RO Pro).
32.Memorie van antwoord onder 148.