Conclusie
Het hof heeft dit vonnis bekrachtigd. Volgens het hof heeft Heraeus de zoektermen die de deurwaarder moet gebruiken bij de doorzoeking, niet gespecificeerd. Gelet op de belangrijke rol die de zoektermen in dit geval spelen, is het hof van oordeel dat dit meebrengt dat de bescheiden waarop de inzagevordering betrekking heeft, onvoldoende zijn bepaald. Het hof overweegt verder onder meer dat Biomet c.s. en het hof zonder concrete zoektermen of andere duidelijke criteria niet met een voldoende mate van zekerheid kunnen vaststellen (i) op welke bescheiden de vorderingen betrekking hebben, (ii) of aan de voorwaarden voor toewijzing van de vorderingen is voldaan en (iii) of gewichtige redenen zich verzetten tegen toewijzing.
1.Feiten en procesverloop
United States District Court in the Northern District of Indianaheeft in een
‘pre-trial discovery’ procedure op 17 maart 2011 een ‘
protective order’ uitgesproken die vervolgens nog acht keer is geamendeerd. In die beslissing is onder meer bepaald dat Heraeus een aantal documenten mocht gebruiken in de - na te melden - procedure bij onder meer het
Oberlandesgericht Frankfurt am Main(hierna: het OLG Frankfurt).
Bundesgerichtshofop 16 juni 2016 de klacht van Biomet c.s. tegen de beslissing dat geen
Revisionmocht worden ingesteld, heeft afgewezen.
Ambtsgericht Münchenheeft in een strafrechtelijke procedure bij vonnis van 28 april 2015 een manager van Biomet veroordeeld wegens zijn betrokkenheid bij het onrechtmatige gebruiken van bedrijfsgeheimen van Heraeus. In hoger beroep heeft de openbaar aanklager een schikking getroffen met de aangeklaagde manager. Die schikking is door de beroepsrechter goedgekeurd.
litigation holdzal worden geplaatst, een en ander tot dit hof in deze zaak arrest zal hebben gewezen.
fishing expedition. [11]
fishing expedition, en 7) de afwijzing van de vorderingen.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Inleiding
NJ1998/459, als doel toegevoegd dat het – verruimde – art. 843a Rv ook aan bod kan komen bij het belang dat een partij heeft om (tegen)bewijs te kunnen leveren. [24] De wetgever merkt op dat aangezien voor de mogelijkheid van een vordering op grond van art. 843a Rv als voorwaarde geldt dat daarbij een ‘rechtmatig’ belang komt vast te staan en dat het moet gaan om ‘bepaalde’ bescheiden, zogenaamde
fishing expeditionsworden voorkomen. [25] Voor het overige is uit de wetsgeschiedenis slechts op te maken dat de enkele interesse van een partij in bepaalde bescheiden niet voldoende is. [26]
ISG c.s./Cornefruit c.s [54] had een partij verzocht om overlegging/inzage in:
Theodoor Gilissen Bankiers. [56]
ISG c.s./Cornefruit c.sen
Theodoor Gilissen Bankierszich tot elkaar verhouden.
ISG c.s./Cornefruit c.s. dat art. 843a Rv steeds vereist dat het verzoek betrekking moet hebben op bepaalde, met name genoemde, bescheiden, verlaten. Z.i. brengt de bepaaldheidseis na het arrest Theodoor Gilissen Bankiers met zich dat het bestaan van de bescheiden in voldoende mate vaststaat en dat de bescheiden in de omstandigheden van het geval voldoende concreet (tenminste afgebakend naar onderwerp en betrokken personen) in de vordering worden aangeduid. [57]
ISG c.s./Cornefruit c.s. niet een eigen regel heeft geformuleerd, maar de rechtsopvatting van het hof in stand laat. Die rechtsopvatting komt er op neer dat in de omstandigheden van het specifieke geval de vordering te onbepaald was omdat de inzagevordering betrekking had op alle bescheiden uit een bepaalde periode en het het hof niet duidelijk was gemaakt of de stukken betrekking hadden op de overname van alle of een deel van de aandelen.
Theodoor Gilissen Bankiershandelt het wederom om de specifieke omstandigheden van het geval, maar daarin was de vordering wel bepaald/concreet genoeg. Uitgaande van de veronderstelling dat AFM bij de bank een onderzoek naar de gang van zaken met betrekking tot het dossier D. heeft ingesteld, althans dat in dit verband enige correspondentie is gewisseld – dat moet na verwijzing nog worden onderzocht – is de vordering om afschrift/inzage te krijgen voldoende bepaald door de omschrijving van het dossier en het noemen van de bij de stukken betrokken personen en instanties.
Theodoor Gilissen Bankiersvan het in
ISG c.s./Cornefruit c.sgegeven oordeel is m.i. dan ook geen sprake.
ISG c.s./Cornefruit c.s.af te leiden dat de Hoge Raad hierin een algemene regel heeft gegeven inhoudende dat een inzagevordering alleen maar toelaatbaar is indien die vordering betrekking heeft op ‘bepaalde, met name genoemde bescheiden.’ Z.i. heeft de Hoge Raad, voor zover uit het arrest
ISG c.s./Cornefruit c.s.het bestaan werd afgeleid van de algemene regel dat alleen inzage kan worden gevorderd in ‘bepaalde, met name genoemde bescheiden’, duidelijk gemaakt dat dit niet het geval is. [58]
Theodoor Gilissen Bankiersdat er “een redelijke grond is voor de veronderstelling dat de AFM bij de bank een onderzoek heeft ingesteld, althans dat in dit verband enige correspondentie is gewisseld”, blijkt z.i. dat niet vaststaat dat een en ander er is. [60] Ekelmans brengt in herinnering dat in de parlementaire geschiedenis van de wetswijziging van 1988 nog werd aangegeven dat een verzoek betrekking moest hebben op bescheiden waarvan de inhoud de verzoeker in beginsel bekend was [61] , om vervolgens te constateren dat die eis inmiddels is losgelaten. [62] Dat de inhoud van de bescheiden niet bekend behoeft te zijn, past volgens Ekelmans bij hetgeen geldt voor een aanbod tot leveren van getuigenbewijs. Wat de getuigen naar verwachting zullen verklaren hoeft daar immers in beginsel evenmin te worden gesteld. [63]
Theodoor Gilissen Bankiersarrest niet juist acht dat het vereiste van bepaaldheid inhoudt (zoals soms werd aangenomen) dat een partij precies moest omschrijven welke bescheiden zij wenste in te zien, waarbij elk schriftelijk stuk afzonderlijk diende te worden aangeduid. [64] Volgens de expertgroep blijkt uit genoemd arrest dat het er in feite om gaat of de vordering tot inzage betrekking heeft op een onderwerp dat voldoende nauwkeurig is afgebakend. Indien dat het geval is, aldus de expertgroep, “zijn de bescheiden waarvan afschrift wordt gevorderd, voldoende concreet om te worden aangemerkt als ‘bepaald’ in de zin van art. 843a Rv. Het individueel omschrijven van de bescheiden is derhalve niet nodig om te voldoen aan de eis van ‘bepaaldheid’. Het omschrijven van categorieën documenten volstaat. Met deze invulling wordt enerzijds bereikt dat de positie van degene die inzage vordert niet onredelijk wordt bemoeilijkt door van hem te verlangen dat hij alle bescheiden specificeert en individueel omschrijft. Dat is immers vaak ondoenlijk, omdat hij juist niét over die informatie beschikt. Anderzijds wordt ook de positie van degene van wie inzage wordt gevorderd niet onredelijk geschaad, doordat wel sprake moet zijn van een voldoende nauwkeurige afbakening. Daardoor wordt voorkomen dat op té ruime en té weinig specifieke schaal informatie wordt opgevraagd. [65] In dat geval kan namelijk sprake zijn van een ongewenste
fishing expedition.” [66]
bepaaldegegevens. Van een onbegrensd inzagerecht is geen sprake. Een partij bij een rechtsbetrekking kan nu ook aanspraak maken op informatie die rechtstreeks verband houdt met die rechtsbetrekking en tot die informatie is haar recht op inzage beperkt. Omdat van een partij die om informatie vraagt niet kan worden verlangd dat zij de gegevens waarvan zij inzage wenst precies aanduidt en elk stuk afzonderlijk omschrijft [69] , moet zij aanvoeren waarom een redelijke grond bestaat dat die ander over die informatie beschikt en voldoende concreet vermelden waarom die informatie relevant is voor haar rechtspositie in een potentieel of ontstaan geschil over een rechtsbetrekking. Het onderwerp waarop de informatie betrekking heeft moet voldoende nauwkeurig zijn afgebakend om als relevant te worden aangemerkt. Een verzoek om afschrift “van alle gegevens uit een bepaalde periode” is bijvoorbeeld geen voldoende specificatie van stukken, maar eerder een aanwijzing dat het om een zogenaamde fishing expedition gaat. Met het bepaaldheidsvereiste wordt beoogd een passend evenwicht te vinden tussen de belangen van de informatievrager en die van de informatiebezitter. Enerzijds wordt de positie van de partij die om informatie vraagt, niet onredelijk bemoeilijkt doordat de gegevens waarover zij zelf niet beschikt, niet afzonderlijk hoeven te worden gespecificeerd. Anderzijds wordt de positie van de partij die over de informatie beschikt niet onredelijk geschaad, doordat het onderwerp waarop de verlangde gegevens betrekking hebben, relevant moeten zijn en voldoende nauwkeurig afgebakend. [70] ”
fishing expedition. “In het wilde weg vragen mag niet én verlangen dat slechts naar de bekende weg gevraagd wordt evenmin. Waar het juiste evenwicht ligt tussen die twee uitersten, maakt de parlementaire geschiedenis vervolgens echter niet duidelijk”, aldus Ekelmans. [78]
fishing expeditionsen op de vraag wanneer deze ongewenst zijn. [79] De expertgroep constateert dat het begrip vaak opduikt in literatuur en rechtspraak, niet alleen in relatie tot het inzagerecht, maar ook in relatie tot andere voorlopige bewijsverrichtingen. Het is echter volgens de expertgroep niet altijd duidelijk wat er precies onder wordt verstaan en wordt het begrip soms zelfs oneigenlijk gebruikt.
fishing expeditionwanneer aan twee kenmerken wordt voldaan [80] :
primafacieeen rechtstreeks verband tussen de informatie waarvan inzage wordt gevorderd en een concrete vordering, en
fishing expedition.”
kunnenzijn, kan dit reden zijn om de vordering af te wijzen.”
fishing expedition, spelen volgens de expertgroep ook nog de volgende aspecten een rol [83] :
subonderdeel 1.1wordt voorop gesteld dat in cassatie veronderstellenderwijs vaststaat [86] – verkort weergegeven – dat (i) de inzagevordering van Heraeus geen
fishing expeditionbetreft en (ii) Heraeus een rechtmatig belang heeft bij inzage in de bescheiden, zoals gedefinieerd in de processtukken. Daarnaast dient, aldus het subonderdeel, in cassatie zelfs tot uitgangspunt dat de onrechtmatigheid "in hoge mate" vaststaat, gelet op rov. 4.10.
dieeis. Het hof toetst dus aan het vermelde uitgangspunt.
subonderdeel 2.1wordt eerst betoogd dat in cassatie, ten minste veronderstellenderwijs [87] , vaststaat dat (onderdelen van) de bescheiden waarvan Heraeus inzage vordert, bestaan en dat Biomet c.s., bij raadpleging van de grote hoeveelheid conservatoir beslagen data, zelf weten of daarin de bedrijfsgeheime informatie van Heraeus voorkomt. In hoeverre het hof dat weet, doet daarbij als zodanig niet terzake. Het subonderdeel klaagt vervolgens dat het hof heeft miskend dat van (groot) gewicht is of de partij die inzage vordert redelijkerwijs in staat is een zodanige nadere specificatie te geven dat de bescheiden waarvan inzage wordt gevorderd "bepaald" zijn. Daarbij geldt, evenals het geval is bij bewijslevering door middel van getuigen, dat de mate van specificatie die mag worden verlangd mede afhankelijk is van de vraag in hoeverre degene die inzage vordert, bekend is of kan zijn met bescheiden die in het domein van de wederpartij liggen.
Project Galapagos” [89] . Zoals Heraeus heeft gesteld, hangt de mate waarin het onderwerp van een inzagevordering voldoende nauwkeurig is afgebakend, samen met een afweging tussen de over en weer bestaande belangen van partijen. [90] Daarbij is volgens het subonderdeel van belang dat Biomet c.s. op de hoogte zijn van de verschillende codewoorden die zij gebruiken voor verschillende processen en producten en dat, in het verlengde daarvan en gelet op de afbakening van de inzagevordering, zij er dus ook van op de hoogte waren (althans moesten zijn) dat bescheiden waarin die codewoorden voor kwamen dus eveneens onder de reikwijdte van de inzagevordering vielen. [91]
een enorme hoeveelheid” heeft gekwalificeerd en heeft opgemerkt dat het bij elkaar om 145 terabyte (232.000 encyclopedieën) gaat, terwijl het zonder nadere toelichting, die ontbreekt, echter niet duidelijk is op welke wijze het hof de grootte van die data (die in het kader van het
conservatoire bewijsbeslagis gekopieerd), vervolgens heeft betrokken in zijn oordeel over de inzagevordering. Voor zover het hof heeft geoordeeld dat de grootte van de gekopieerde data maakt dat niet is voldaan aan het voor toewijzing van art. 843a Rv geldende vereiste van voldoende bepaaldheid, is dat oordeel rechtens onjuist, althans onvoldoende gemotiveerd. De hoeveelheid data die in de fase van het conservatoir bewijsbeslag is veiliggesteld, zegt immers volgens het subonderdeel niets over de vraag of het onderwerp waarop de
inzagevorderingbetrekking heeft, voldoende nauwkeurig is afgebakend. [96] Dat geldt eens te meer, nu de uitvoering van het conservatoir bewijsbeslag nog niet is voltooid (en de hoeveelheid gekopieerde data dus niet eens gelijk zal zijn aan de hoeveelheid onder het
bewijsbeslagvallende bescheiden, laat staan dat die hoeveelheid dus gelijk is aan de onder de
inzagevorderingvallende bescheiden). Voor zover het hof heeft geoordeeld dat (de grootte van de gekopieerde data meebrengt dat) alleen sprake kan zijn van ‘voldoende bepaalde' bescheiden in de zin van art. 843a Rv, indien zoektermen worden verschaft, is dat oordeel eveneens rechtens onjuist, althans onvoldoende gemotiveerd. (cursiveringen advocaat)
in de uitvoeringsfasebehulpzaam kunnen zijn om de op dat onderwerp betrekking hebbende bescheiden in een grotere bak met bescheiden te vinden. Echter, de vraag of een onderwerp waarop de inzagevordering betrekking heeft voldoende nauwkeurig is afgebakend, is volgens het subonderdeel niet, laat staan zonder meer, gelijk te stellen met de vraag welke zoektermen gebruikt moeten worden om de onder de inzagevordering vallende bescheiden vervolgens uit die grotere bak met bescheiden te destilleren. Zo kunnen zoektermen volgens het subonderdeel aan de ene kant
te beperktzijn om die bescheiden te vinden, terwijl zoektermen daarvoor aan de andere kant ook
te ruimkunnen zijn. Ter illustratie wordt in het subonderdeel vermeld dat de zoekterm Palacos in dit geval bijvoorbeeld te beperkt zal zijn om alle bescheiden te vinden waarin "
PALACOS wordt genoemd of bedoeld”, omdat die zoekterm geen 'hits' zal geven op het door Biomet gebruikte codewoord 'Galapagos', terwijl ook die bescheiden
binnende reikwijdte van de inzagevordering vallen. Dat een zoekterm ook te ruim kan zijn, volgt bijvoorbeeld uit documenten die weliswaar via een zoekterm worden gevonden, maar die echter toch
buitende inzagevordering vallen, bijvoorbeeld omdat zij onder een wettelijk verschoningsrecht vallen. Het hof heeft derhalve volgens het subonderdeel ten onrechte (impliciet) tot uitgangspunt genomen dat zoektermen gelijk zijn te stellen aan een voldoende nauwkeurige afbakening van een inzagevordering (rov. 4.4 en 4.6, begin). Het daarop voortbouwende oordeel van het hof dat met specificatie van zoektermen niet kan worden gewacht tot na toewijzing, is om die reden eveneens onjuist. Integendeel, het (dynamische) proces van uitvoering van een inzagevordering brengt rechtens juist met zich dat die (nadere) specificatie ook na toewijzing nog kan volgen. Een dergelijk dynamisch proces komt, indien omgeven met de nodige waarborgen, voldoende tegemoet aan de belangen van degene van wie inzage wordt gevorderd en komt ook op adequate wijze tegemoet aan de rechtmatige belangen van degene die inzage vordert, daar het de mogelijkheid biedt om gedurende de tenuitvoerlegging bij te sturen op eventueel tijdens die tenuitvoerlegging blijkende omstandigheden (bijvoorbeeld wanneer daarbij blijkt dat er meer codewoorden worden gebruikt voor bepaalde, onder de inzagevordering vallende, onderwerpen). [97] (cursiveringen en onderstrepingen advocaat)
subonderdeel 3.3wordt geklaagd dat het oordeel van het hof in rov. 4.4 dat Heraeus haar inzagevordering nader had kunnen specificeren door concrete zoektermen te formuleren, miskent dat Heraeus daartoe niet gehouden was en Heraeus daarmee onnodig wordt beperkt. Bovendien kon het hof in rov. 4.5 niet (begrijpelijk) uit Heraeus' uitlatingen over de trefwoorden die zij ten behoeve van de selectie had kunnen opgeven, afleiden dat zij in staat is om
allerelevante concrete zoektermen vast te stellen, die als hulpmiddel zouden kunnen dienen voor de vaststelling van de bescheiden waarin de door haar aangeduide onderwerpen niet alleen zijn "genoemd", maar ook die bescheiden waarin zij zijn "bedoeld" (cursivering advocaat). [98] Het hof diende volgens het subonderdeel in elk geval, zeker nu Biomet c.s. in hun omvangrijke verweer bij memorie van antwoord nauwelijks een op het ontbreken van specifieke zoektermen gericht bepaaldheidsverweer hadden gevoerd, en de nadruk daarop bij appelpleidooi als een verassing kwam, Heraeus in de gelegenheid te stellen om de volgens het hof vereiste zoektermen al in het kort geding (en niet pas in de executiefase) op te stellen.
subonderdeel 4.1wordt vooropgesteld dat de door Heraeus ingestelde primaire inzagevordering betrekking heeft op bepaalde bescheiden waarin bepaalde, in rov. 4.3 onder (i) - (iv) van het arrest opgesomde, onderwerpen worden genoemd
ofbedoeld (
nevenschikkend)
.Het subonderdeel klaagt dat het hof die nevenschikkende vordering in rov. 4.4 en 4.5 heeft miskend, althans dat het oordeel van het hof dat de relevante zoektermen niet voldoende duidelijk uit de inzagevordering voortvloeien, gelet op die nevenschikkende vordering in ieder geval onbegrijpelijk (althans onvoldoende) is gemotiveerd voor zover het gaat om bescheiden waarin de desbetreffende onderwerpen zijn
genoemd. Ter illustratie wordt in het subonderdeel opgemerkt dat Heraeus onder meer inzage heeft gevorderd in bescheiden voor zover daarin "
(ii) PALACOS wordt genoemd of bedoeld". Het is evident dat voor bescheiden waarin het woord "Palacos" wordt
genoemd, "Palacos" een relevante zoekterm is. In gelijke zin geldt dat de namen van de zeven verschillende inbreukmakende botcementen voor de hand liggende zoektermen zijn voor bescheiden waarin "
(i) één of meer van de Zeven Inbreukmakende Botcementen (zoals gedefinieerd in de memorie van grieven) wordengenoemd(...)." Voor de bescheiden waarin de opgesomde onderwerpen zijn
genoemd,geldt volgens het subonderdeel voorts dat zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet duidelijk is waarom de invulling van zoektermen aanzienlijk verder zou gaan dan voor de hand liggende variaties (rov. 4.5). (cursiveringen en onderstrepingen advocaat)
kreeg het project gericht op het namaken van Palacos de naam "project Galapagos" en kregen de Esschem-samples van Heraeus' copolymeren namen als "Acrylbeads 15 en 16",
"Acrylicbeads 15 en 16", "AB 15 en 16" en "R262 en R263." [101] Het subonderdeel klaagt vervolgens dat het hof in rov. 4.5 een onbegrijpelijke uitleg aan de gedingstukken heeft gegeven, door te oordelen dat voor het vinden van de Zeven Inbreukmakende Botcementen, de zoekterm 'Galapagos' relevant is. Uit de gedingstukken blijkt immers dat die term (als codewoord) relevant is voor de zoektocht naar documenten waarin Palacos wordt genoemd of bedoeld. Voor zover het daaropvolgende oordeel in rov. 4.5, dat niet met (voldoende) mate van zekerheid uit de afbakening van de inzagevordering kon worden afgeleid dat Heraeus ook inzage wenste in documenten waarin 'Galapagos' of 'Acrylbead 15' voor kwamen, op die onbegrijpelijke uitleg van de gedingstukken voortbouwt, is dat oordeel volgens het subonderdeel om die reden onjuist, althans onbegrijpelijk gemotiveerd. Voor zover dat oordeel daar niet op voortbouwt, is het onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd, gelet op de (nevenschikkende) formulering van de inzagevordering. De inzagevordering ziet immers op bescheiden waarin de verschillende onderwerpen zijn genoemd
of bedoeld. (onderstreping advocaat) En indien codewoorden voor bepaalde onderwerpen worden gebruikt, is het evident dat de bescheiden waarin die codewoorden voorkomen, kwalificeren als bescheiden waarin de desbetreffende onderwerpen zijn
bedoeld. (cursivering advocaat)
subonderdeel 4.3wordt naar voren gebracht dat Heraeus in haar subsidiaire vordering de onderwerpen waarop haar inzagevordering betrekking heeft, bovendien nader heeft gespecificeerd in vijf verschillende categorieën. [102] Inzage wordt gevorderd in elk van deze categorieën afzonderlijk, dan wel één of meer gezamenlijk ("
en/of"). Het hof wijst deze subsidiaire inzagevordering in rov. 4.9 in zijn geheel af, omdat die omschrijving volgens het hof voortbouwt op de omschrijving van de primaire vordering en daaraan "
dus" dezelfde problemen kleven. In zoverre geldt voor dit oordeel van het hof dan ook hetzelfde als hiervoor in het kader van de primaire inzagevordering is aangevoerd. (cursiveringen advocaat)
additionele onduidelijkheden meebrengt" onbegrijpelijk, althans in ieder geval onvoldoende is gemotiveerd
.Het hof wijst er namelijk uitsluitend op dat onduidelijk is hoe invulling moet worden gegeven aan het vereiste dat een document is opgesteld "
ten behoeve van Biomet Europe". Daarmee is volgens het subonderdeel sprake van een schending van art. 23 Rv Pro en is in elk geval de afwijzing van de subsidiaire vorderingen onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd. In de eerste plaats heeft die 'onduidelijkheid' namelijk uitsluitend betrekking op één van de vijf genoemde categorieën van onderwerpen in de subsidiaire vordering: namelijk de subsidiaire vordering onder (i) ten aanzien van "
de Bescheiden Betrokkenheid Biomet Europe". [103] Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is de relevantie voor de onder (ii) - (v) gespecificeerde categorieën [104] van onderwerpen in de subsidiaire vordering niet duidelijk. In de tweede plaats geldt dat de Bescheiden Betrokkenheid Biomet Europe zien op "
(…) de Bescheiden die zijn opgestelddoor often behoeve van Biomet Europe". [105] Het hof heeft dat onderstreepte deel ten onrechte weggelaten in zijn citaat aan het eind van rov. 4.9. Het hof heeft voorts/althans niet (voldoende) gemotiveerd waarom de vordering niet is toegewezen voor zover die ziet op de bescheiden die zijn opgesteld
doorBiomet Europe B.V., in welk geval de vermeende onduidelijkheid immers in elk geval niet speelt. (cursiveringen en onderstrepingen advocaat)
genoemd, de zoektermen die de deurwaarder moet gebruiken onvoldoende zijn gespecificeerd om de gekopieerde data te kunnen doorzoeken op aanwezigheid van bepaalde bescheiden, ligt besloten dat dit eveneens geldt voor de onderwerpen die in de zoektermen zijn
bedoeld. Het hof heeft art. 23 Rv Pro derhalve niet miskend.