De zaak betreft prejudiciële vragen van het hof Arnhem-Leeuwarden aan de Hoge Raad over de maatstaven die gelden voor het toewijzen van een exhibitievordering in intellectuele eigendom (IE)-zaken, specifiek inzake inzage, afschrift of uittreksel van bewijsstukken op grond van art. 843a Rv in verbinding met art. 1019a en 1019b Rv.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin is bepaald dat voldoende aannemelijk moet zijn dat inbreuk op een IE-recht is of dreigt te worden gemaakt, waarbij de stellingen, verweren en reeds overgelegd bewijsmateriaal worden betrokken. De mate van aannemelijkheid hoeft niet gelijk te zijn aan die welke vereist is voor een verbodsvordering in kort geding.
Verder wordt besproken of verschillende maatstaven gelden afhankelijk van het doel van de exhibitie (technische inbreuk of bewijs van andere feiten) en of onderscheid moet worden gemaakt tussen exhibitie jegens een vermeende inbreukmaker of een derde. De Hoge Raad legt deze vragen voor aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU). Ook wordt de maatstaf voor beoordeling van een nietigheidsverweer tegen het IE-recht besproken, waarvoor eveneens een prejudiciële vraag aan het HvJEU wordt voorgelegd.
De procedure wordt geschorst totdat het HvJEU uitspraak heeft gedaan over deze vragen. De beslissing is genomen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en op 9 december 2016 openbaar uitgesproken.