ECLI:NL:HR:2026:95

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
24/04005
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over opheffen beslag en proceskosten in Caribische zaak

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 23 januari 2026 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tussen Van der Valk International B.V. en Antilla Del Mar Holding VBA en Iberostar Hoteles y Apartamentos, S.L.U. De zaak betreft een kort geding over het opheffen van beslag dat Van der Valk had gelegd op de activa van Antilla. De Hoge Raad oordeelde dat het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba ten onrechte had geoordeeld dat Antilla c.s. voldoende belang hadden bij hun hoger beroep tegen de afwijzing van de primaire vordering van FMV. De primaire vordering van FMV, die strekte tot opheffing van het beslag, had toegewezen moeten worden zonder dat Antilla c.s. zekerheid hoefden te stellen. De Hoge Raad vernietigde het vonnis van het hof en wees de zaak terug voor verdere behandeling. Tevens werd Antilla c.s. veroordeeld in de proceskosten van het geding in cassatie. De uitspraak benadrukt de noodzaak van een zorgvuldige beoordeling van de procespartijen en hun belangen in hoger beroep, vooral in het kader van subjectieve cumulatie.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer24/04005
Datum23 januari 2026
ARREST
In de zaak van
VAN DER VALK INTERNATIONAL B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
VERZOEKSTER tot cassatie,
hierna: Van der Valk,
advocaten: J.W.H. van Wijk en M.E.A. Möhring,
tegen
1. ANTILLA DEL MAR HOLDING VBA,
gevestigd te Oranjestad Oost, Aruba,
hierna: Antilla,
2. IBEROSTAR HOTELES Y APARTAMENTOS, S.L.U.,
gevestigd te Palma de Mallorca, Islas Baleares, Spanje,
hierna: Iberostar,
VERWEERSTERS in cassatie,
hierna gezamenlijk: Antilla c.s.,
advocaat: A.C. van Schaick.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak AUA202300745 van het gerecht in eerste aanleg van Aruba van 10 mei 2023 en 31 mei 2023 (herstelvonnis);
b. het vonnis in de zaak AUA202300745 - AUA2023H00098 van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 27 augustus 2024.
Van der Valk heeft tegen het vonnis van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Antilla c.s. hebben een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor Van der Valk toegelicht door haar advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal G. Snijders strekt tot vernietiging van het vonnis van het hof en tot afdoening zoals in de conclusie onder 3.28 vermeld.
De advocaten van Van der Valk hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Uitgangspunten en feiten

2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Van der Valk behoort tot de Van der Valk-groep. Antilla en Iberostar behoren tot de Iberostar-groep. Beide groepen houden zich bezig met de exploitatie van hotels.
(ii) Tierra del Sol Holding N.V. (hierna: TdS Holding) behoorde in 2013 tot de Van der Valk-groep. Twee dochtervennootschappen van TdS Holding (hierna gezamenlijk: de TdS-entiteiten) waren eigenaar en exploitant van het Arubaanse resort Tierra del Sol.
(iii) FMV Holding Company N.V. (hierna: FMV) heeft in september 2013 de aandelen in de TdS-entiteiten gekocht van TdS Holding.
(iv) In oktober 2013 heeft het gerecht in eerste aanleg van Aruba voorlopige surseance van betaling verleend aan de TdS-entiteiten. De TdS-entiteiten hebben een schuldeisersakkoord gesloten.
(v) De surseance van betaling was voor TdS Holding en FMV aanleiding om een nieuwe koopovereenkomst te sluiten, ter vervanging van de koopovereenkomst van september 2013. In augustus 2014 heeft FMV opnieuw de aandelen in de TdS-entiteiten gekocht van TdS Holding, tegen een koopsom van USD 3 miljoen, in twee gelijke termijnen te betalen in januari 2017 en januari 2018. De aandelen zijn in november 2014 overgedragen.
(vi) In november 2014 hebben TdS Holding en FMV een nadere overeenkomst gesloten, die inhoudt dat de koopsom pas verschuldigd en opeisbaar zal worden als aan nadere voorwaarden is voldaan. Verder garandeerden de TdS-entiteiten dat de koopsom zou worden betaald, zodra die verschuldigd en opeisbaar zou zijn geworden. Daarnaast kwamen TdS Holding en FMV overeen dat ingeval FMV de aandelen in de TdS-entiteiten vervreemdt, FMV de koopsom aan TdS Holding moet betalen binnen dertig dagen nadat aan bepaalde voorwaarden zou zijn voldaan.
(vii) TdS Holding heeft in oktober 2016 haar vordering op FMV tot betaling van de koopsom gecedeerd aan Van der Valk.
(viii) In december 2022 heeft FMV de aandelen in de TdS-entiteiten verkocht en geleverd aan Antilla. Antilla heeft zich daarbij verbonden tot overneming van de schuld van FMV tot betaling van de koopsom, wanneer die verschuldigd en opeisbaar wordt. Van der Valk heeft geweigerd toestemming te geven voor deze schuldoverneming. Iberostar heeft zich als hoofdelijk schuldenaar jegens FMV verbonden voor de verplichtingen van Antilla uit de overeenkomst.
(ix) Van der Valk heeft in januari 2023 ten laste van FMV conservatoir derdenbeslag doen leggen onder Antilla en onder Aruba Bank (hierna: de beslagen).
2.2
FMV vordert in dit kort geding – kort gezegd – primair (a) dat Van der Valk wordt bevolen om de beslagen op te heffen en subsidiair (b) dat Antilla c.s. wordt bevolen om ten gunste van Van der Valk voldoende zekerheid te stellen door het afgeven van een bankgarantie en (c) dat Van der Valk wordt bevolen om daarna de beslagen op te heffen.
Antilla heeft zich in eerste aanleg met betrekking tot de hiervoor met (a) aangeduide vordering (hierna: de primaire vordering) gevoegd aan de zijde van FMV.
2.3
Het gerecht [1] heeft de primaire vordering afgewezen, en de hiervoor in 2.2 met (b) en (c) aangeduide vorderingen (hierna: de subsidiaire vorderingen) toegewezen. Het gerecht heeft per vordering beslist over de proceskosten. Ten aanzien van het onderdeel van de procedure dat betrekking heeft op de primaire vordering heeft het gerecht FMV en Antilla veroordeeld in de proceskosten.
2.4
Antilla c.s. hebben tegen Van der Valk hoger beroep ingesteld van het vonnis voor zover het betrekking heeft op de primaire vordering, en tegen FMV voor zover het betrekking heeft op de subsidiaire vorderingen.
2.5
Het hof [2] heeft het vonnis van het gerecht bevestigd wat betreft het bevel aan Van der Valk om de beslagen op te heffen, met uitzondering van de passage over de afgifte van een bankgarantie. Het heeft het vonnis voor het overige vernietigd, en verstaan dat het hof niet toekomt aan de subsidiaire vorderingen. Het hof heeft onder meer het volgende overwogen:

De primaire vordering van FMV
3.7
Anders dan Van der Valk bij memorie van antwoord heeft aangevoerd, hebben Antilla c.s. voldoende belang bij hun hoger beroep tegen de afwijzing van de primaire vordering van FMV. Als dit hoger beroep slaagt, zou dit meebrengen dat Antilla c.s. geen bankgarantie hadden behoeven te stellen. Daarbij hebben Antilla c.s. belang. Aan het aannemen van dit belang staat niet in de weg dat FMV zelf niet in hoger beroep is gekomen tegen de afwijzing van haar primaire vordering. Vergelijk HR 9 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4549, rov. 3.2.
Ook de omstandigheden dat het beslag inmiddels is opgeheven en dat Antilla c.s. geen grief hebben gericht tegen hun veroordeling in de proceskosten staan niet eraan in de weg dat Antilla c.s. voldoende belang hebben bij dit hoger beroep.
(…)
3.2
Op grond van het voorgaande komt het Hof tot het oordeel dat summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van het door Van der Valk als beslaglegger ingeroepen recht. Een afweging van de wederzijdse belangen leidt niet tot het oordeel dat de beslagen toch pas mogen worden opgeheven als alternatieve zekerheid door Antilla c.s. aan Van der Valk is verschaft. (…)
3.21
De primaire vordering had dus toegewezen moeten worden zonder dat verlangd werd dat Antilla een bankgarantie zou stellen. Nu de beslagen inmiddels zijn opgeheven, zal het Hof geen nieuw bevel tot opheffing van de beslagen geven, maar het reeds gegeven bevel zo veel mogelijk in stand laten.
De subsidiaire vordering van FMV
(…)
3.26
Het Gerecht had de primaire vordering behoren toe te wijzen. Dan zou het Gerecht niet zijn toegekomen aan de subsidiaire vordering. Het Hof zal daarom het bestreden vonnis vernietigen voor zover het Gerecht Antilla c.s. heeft bevolen om een bankgarantie te stellen.
3.27
De uitkomst brengt mee dat het Hof het bestreden vonnis ook zal vernietigen, voor zover daarbij Antilla en/of Iberostar in de proceskosten zijn veroordeeld. Van der Valk zal worden veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg, aan de zijde van FMV en aan de zijde van Antilla c.s. gevallen, en in hoger beroep, alleen aan de zijde van Antilla c.s. gevallen. FMV zal in hoger beroep de eigen proceskosten dienen te dragen.”

3.Beoordeling van het middel

3.1
Bij de beoordeling van het middel stelt de Hoge Raad voorop dat de beslissing van het hof erop neerkomt dat Van der Valk de beslagen moest opheffen, zonder dat Antilla c.s. eerst zekerheid hoefden te stellen. Daarmee heeft het hof kennelijk alsnog de primaire vordering toegewezen, en de subsidiaire vorderingen niet. Dat het hof de primaire vordering heeft beoordeeld en toegewezen, blijkt onder meer uit de rov. 3.7-3.21 (en de kop daarboven) en uit het dictum, waarin het hof onder meer heeft verstaan dat het aan de subsidiaire vorderingen niet toekomt en waarin het Van der Valk heeft veroordeeld in de proceskosten.
3.2.1
Volgens onderdeel 1.1 van het middel heeft het hof miskend dat Iberostar in eerste aanleg geen procespartij was in de zaak betreffende de primaire vordering, en dat het daarom Iberostar niet-ontvankelijk had moeten verklaren in haar hoger beroep voor zover dat betrekking had op de primaire vordering.
3.2.2
Of en voor wie een rechtsmiddel openstaat en ten opzichte van welke partijen een rechtsmiddel en de daarop gedane uitspraak werking kunnen hebben, staat niet ter vrije bepaling van partijen. De daarvoor geldende regels zijn van openbare orde. Zij moeten daarom door de rechter zo nodig ambtshalve worden toegepast. [3]
3.2.3
Hoger beroep kan alleen worden ingesteld door en tegen degenen die in eerste aanleg partij waren (art. 260 Rv Aruba). FMV heeft in eerste aanleg, voor afzonderlijke berechting vatbare, vorderingen ingesteld tegen verschillende partijen. Daarmee is sprake van subjectieve cumulatie. Dergelijke vorderingen kunnen wel gezamenlijk worden behandeld, maar de zaken tegen ieder van de partijen behouden hun processuele zelfstandigheid. [4] FMV heeft de primaire vordering uitsluitend gericht tegen Van der Valk. Iberostar heeft zich, anders dan Antilla, in die zaak niet als procespartij gevoegd. Iberostar was in die zaak dus geen partij en kon in die zaak dan ook geen hoger beroep instellen. Dat het hof Iberostar ontvankelijk heeft geacht in haar hoger beroep tegen de afwijzing van de primaire vordering, is dus onjuist. De daarop gerichte klacht slaagt.
3.3.1
De onderdelen 1.2 en 1.3 klagen dat het hof heeft miskend dat, doordat FMV zelf geen hoger beroep heeft ingesteld, Antilla c.s. geen belang hebben bij hun hoger beroep tegen de afwijzing van de primaire vordering, en dat het die afwijzing in stand had moeten laten.
3.3.2
Aangezien Iberostar niet-ontvankelijk verklaard had moeten worden in haar hoger beroep tegen de afwijzing van de primaire vordering (zie hiervoor in 3.2.2-3.2.3), zullen de klachten die betrekking hebben op de beslissing van het hof over het belang van het hoger beroep tegen de afwijzing van de primaire vordering, alleen worden behandeld ten aanzien van Antilla.
3.3.3
Antilla heeft zich in eerste aanleg ten aanzien van de primaire vordering gevoegd aan de zijde van FMV. Zij heeft als gevoegde partij het recht om zelfstandig en op zelfstandig aangevoerde gronden tegen de wederpartij van FMV (Van der Valk) een rechtsmiddel tegen de uitspraak aan te wenden, [5] mits zij daarbij voldoende belang heeft (art. 3:303 BW Aruba). FMV heeft zelf geen hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar primaire vordering. Daarmee heeft die afwijzing in de verhouding tussen FMV en Van der Valk kracht van gewijsde gekregen en was deze met andere woorden tussen hen onherroepelijk. Het hoger beroep van Antilla, waarin FMV dus geen partij was, kon daarin geen verandering brengen. [6] Dat hoger beroep kon dus ook niet tot gevolg hebben dat de primaire vordering alsnog zou worden toegewezen en dat de rechter daardoor niet aan de subsidiaire vorderingen zou kunnen toekomen. In zoverre had Antilla dus geen belang bij het hoger beroep tegen de afwijzing van de primaire vordering. Het andersluidende oordeel van het hof in rov. 3.7 is onjuist.
3.3.4
Verder geldt dat de beslissingen in het bestreden vonnis geen gezag van gewijsde konden krijgen jegens Antilla, reeds om reden dat aan beslissingen in kort geding geen gezag van gewijsde toekomt. Ook in dat opzicht had Antilla dus geen belang bij haar hoger beroep.
3.3.5
Dat belang was voor Antilla evenmin zonder meer gelegen in de proceskostenveroordeling in eerste aanleg. Het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de Caribische delen van het Koninkrijk der Nederlanden grotendeels eenvormig. Ingevolge art. 281b van de Wetboeken van Burgerlijke Rechtsvordering van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba kan het hof bepalen dat een veroordeling in de kosten geen voldoende belang oplevert voor het hoger beroep. Het is onduidelijk of een dergelijke bepaling ook in Aruba in werking is getreden (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.14). Het concordantiebeginsel – dat ook ziet op concordantie van recht en rechtspraak binnen bepaalde delen van het Koninkrijk, in dit geval de Caribische delen – brengt evenwel mee dat het hof ook in Arubaanse zaken kan beslissen dat een proceskostenveroordeling onvoldoende belang oplevert voor hoger beroep. Dat strookt met de bedoeling van de Arubaanse wetgever om het burgerlijk procesrecht van de (voormalige) Nederlandse Antillen en Aruba eenvormig te laten zijn, [7] en met het voornemen van de Arubaanse wetgever om een dergelijke bepaling in te voeren. [8] Dat die wetgever er welbewust voor heeft gekozen om de desbetreffende bepaling toch niet in werking te laten treden, blijkt niet. Dus ongeacht of voornoemde bepaling in Aruba in werking is getreden, levert ook in een Arubaanse zaak een proceskostenveroordeling in eerste aanleg niet zonder meer voldoende belang op voor hoger beroep. Of dat het geval is, is aan het oordeel van het hof overgelaten. Het hof heeft zich daarover in het bestreden vonnis evenwel niet uitgelaten.
3.3.6
Uit wat hiervoor in 3.3.2-3.3.5 is overwogen, volgt dat de onderdelen 1.2 en 1.3 doel treffen. De beslissing van het hof de primaire vordering alsnog toe te wijzen, kan niet in stand blijven.
Na terugwijzing zal het hof alsnog moeten beoordelen of de proceskostenveroordeling voldoende belang oplevert voor het hoger beroep van Antilla. Mocht het hof alsdan oordelen dat de kosten voldoende belang opleveren voor het hoger beroep, dan kan het hoger beroep er niet toe leiden dat de primaire vordering alsnog wordt toegewezen (zie hiervoor in 3.3.3). Dat aldus mogelijk ten opzichte van de gevoegde partij een uitspraak wordt vernietigd die, bij gebreke van het aanwenden van een rechtsmiddel door de partij aan wier zijde zij zich heeft gevoegd, jegens deze laatste wel in kracht van gewijsde is gegaan, is niet beslissend, aangezien een dergelijke situatie zich steeds kan voordoen in het geval van deelneming aan het geding door meer partijen aan dezelfde zijde (subjectieve cumulatie). [9]
3.4
De klachten van de onderdelen 2 en 3 kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
3.5
De onderdelen 4 en 5 richten zich tegen de rov. 3.21 en 3.26 en het dictum, en slagen in het voetspoor van onderdeel 1. Het hof had de primaire vordering niet mogen toewijzen, en de beslissing over de primaire vordering had niet in de weg mogen staan aan de behandeling van en beslissing over de subsidiaire vorderingen.
3.6
Onderdeel 6, dat klaagt over de proceskostenveroordeling, behoeft geen behandeling. Het hof zal na terugwijzing opnieuw over de proceskosten moeten beslissen.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt het vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van 27 augustus 2024;
- wijst het geding terug naar dat hof ter verdere behandeling en beslissing;
- veroordeelt Antilla c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Van der Valk begroot op € 873,-- aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Antilla c.s. deze niet binnen veertien dagen na heden hebben voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock, A.E.B. ter Heide en S.J. Schaafsma, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op
23 januari 2026.

Voetnoten

1.Gerecht in eerste aanleg van Aruba 10 mei 2023, ECLI:NL:OGEAA:2023:137.
2.Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 27 augustus 2024, ECLI:NL:OGHACMB:2024:157.
3.HR 2 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1546, rov. 3.3.
4.O.a. HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1061, rov. 3.5.2; HR 20 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7414, rov. 3.6 en HR 21 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF1032, rov. 4.4.
5.Vgl. HR 9 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4549, rov. 3.2.
6.Vgl. HR 29 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ0173, rov. 4.1.
7.Staten van Aruba, zittingsjaar 2002/03, E/473, no. 3, p. 1.
8.Staten van Aruba, zittingsjaar 2002/03, E/473, no. 3, p. 47-48.
9.HR 9 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4549, rov. 3.2.