ECLI:NL:PHR:2026:176

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
25/01510
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:84 BWArt. 3:94 BWArt. 3:239 BWArt. 3:98 BW
Verwijzingen
31 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt strikte toepassing bepaaldheidsvereiste bij cessie van vorderingen

In deze renvooiprocedure draait het om de vraag of twee vorderingen, een planschadevordering en een pensioenvordering, rechtsgeldig zijn overgedragen aan eiseres via een akte van cessie door de curator in het faillissement van de bestuurder van Triskalion.

De rechtbank wees de vorderingen af omdat de akte van cessie niet voldeed aan het bepaaldheidsvereiste van artikel 3:84 lid 2 BW Pro. Het hof bekrachtigde dit oordeel en verklaarde eiseres niet-ontvankelijk in hoger beroep. Het hof oordeelde dat de akte onvoldoende gegevens bevatte om achteraf vast te stellen om welke vorderingen het ging, mede omdat de curator niet bekend was met de vorderingen of deze redelijkerwijs had kunnen kennen.

Eiseres stelde in cassatie dat het hof te hoge eisen stelde aan de bepaaldheid en dat het bewijsaanbod om de curator te horen ten onrechte was gepasseerd. De Hoge Raad bevestigt het juridisch kader dat een akte zodanige gegevens moet bevatten dat achteraf kan worden vastgesteld om welke vorderingen het gaat, en dat een generieke omschrijving kan volstaan indien objectieve gegevens dit mogelijk maken.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de akte onvoldoende bepaaldheid bevatte en dat het horen van de curator niet kwalificeert als een objectief gegeven in de zin van het bepaaldheidsvereiste. Het cassatieberoep wordt verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de akte van cessie onvoldoende bepaaldheid bevatte om de vorderingen rechtsgeldig over te dragen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/01510
Zitting13 februari 2026
CONCLUSIE
S.E. Bartels
In de zaak
[eiseres] ,
tegen
Cumberland Investments Designated Activity Company.
Partijen worden hierna verkort aangeduid als
[eiseres](eiseres tot cassatie) respectievelijk
Cumberland(verweerster in cassatie)

1.Inleiding

De besloten vennootschap Triskalion B.V. (hierna:
Triskalion) is in 2021 failliet verklaard. Zowel [eiseres] als Cumberland pretenderen vorderingen te hebben op Triskalion. Op de verificatievergadering hebben partijen over en weer elkaars vorderingen betwist. De vordering van Cumberland is voorlopig erkend. In de onderhavige renvooiprocedure gaat het om de erkenning van twee ter verificatie ingediende vorderingen van [eiseres] en de betwisting daarvan door Cumberland. [eiseres] stelt dat de vorderingen in 2017 door de curator in het persoonlijk faillissement van de bestuurder van Triskalion aan haar zijn gecedeerd. Het hof heeft geoordeeld dat niet is voldaan aan het vereiste dat de akte van cessie zodanige gegevens moet bevatten dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke vorderingen het gaat. Omdat niet aan het bepaaldheidsvereiste is voldaan, zijn de betreffende vorderingen niet aan [eiseres] overgedragen. In cassatie klaagt [eiseres] dat het hof te hoge eisen heeft gesteld aan het vereiste van ‘voldoende bepaaldheid’ van art. 3:84 lid 2 BW Pro en dat het hof ten onrechte haar bewijsaanbod heeft gepasseerd.

2.Feiten

In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten, die zijn ontleend aan randnummer 3.2 (onder i tot en met vii) van het bestreden arrest. [1]
2.1
Triskalion in liquidatie is bij vonnis van 5 januari 2021 in staat van faillissement verklaard.
2.2
Triskalion was op 11 november 2014 al een keer eerder failliet verklaard. Dit faillissement is bij gebrek aan baten opgeheven. In verband met een nagekomen bate is de vereffening heropend, waarna opnieuw het faillissement van Triskalion is aangevraagd.
2.3
De bestuurder van Triskalion is [betrokkene 1] (hierna:
[betrokkene 1]), de echtgenoot van [eiseres] .
2.4
[betrokkene 1] is op 17 september 2015 persoonlijk failliet verklaard. Dat faillissement is op 20 maart 2018 opgeheven wegens gebrek aan baten.
2.5
Tijdens het faillissement van [betrokkene 1] heeft zijn curator met [eiseres] op 7 augustus 2017 een “vaststellingsovereenkomst tevens akte van overdracht/cessie” (hierna:
de akte van cessie) gesloten. In de akte van cessie staat onder meer:
“(…)
Boedel draagt alle resterende,door de curatorgepretendeerde activa/vorderingen van [betrokkene 1] (de boedel) over aan [eiseres]
12. De curator draagt in eigendom over alle nog resterende activa en vorderingen van curandus voor zover deze hem bekend zijn en redelijkerwijs bekend kunnen zijn, waaronder in ieder geval de vordering die de Curator meent te hebben op Robi House II B.V., terzake door [betrokkene 1] verrichte werkzaamheden ten behoeve van Robi House II B.V., zowel voor als na faillissement (dit ex art. 479a Rv). (…)
13. De Curator draagt de vorderingsrechten, voor zover zij zouden bestaan, middels deze akte ex art. 3:94 BW Pro over aan [eiseres] , en deze overeenkomst belichaamt ten aanzien daarvan dan ook een akte houdende cessie. Beide partijen zijn gerechtigd mededeling van deze overdracht te doen aan Robi House II B.V. (...)”
[vetgedrukt en onderstreping origineel, A-G]
2.6
[eiseres] heeft in het faillissement van Triskalion vier vorderingen ter verificatie ingediend. Tijdens de verificatievergadering van 15 oktober 2021 bij de rechter-commissaris in de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna:
de rechtbank) heeft zij twee vorderingen gehandhaafd, te weten een vordering ter hoogte van € 2.450.000,- terzake planschade (hierna:
de planschadevordering) en een vordering ter hoogte van € 725.922,- terzake pensioengelden (hierna:
de pensioenvordering). Volgens [eiseres] zijn deze vorderingen door de curator in het faillissement van [betrokkene 1] op grond van de akte van cessie aan haar overgedragen.
2.7
Uit het proces-verbaal van de verificatievergadering volgt dat de vorderingen van [eiseres] worden betwist door Cumberland, een voorlopig erkende schuldeiser in het faillissement van Triskalion. De rechter-commissaris heeft de betwisting van de vorderingen van [eiseres] door Cumberland verwezen naar de onderhavige renvooiprocedure. De vordering van Cumberland wordt betwist door [eiseres] . Die betwisting wordt behandeld in een andere renvooiprocedure. [2]

3.Procesverloop

In eerste aanleg

3.1
In de renvooiprocedure heeft [eiseres] op 17 november 2021 een conclusie van eis tot verificatie genomen. Zij heeft gevorderd dat de rechtbank:
a. Cumberland niet-ontvankelijk verklaart, althans de betwisting door Cumberland ongegrond verklaart;
b. de vorderingen van [eiseres] volledig erkent, zodat zij worden toegevoegd aan de lijst van voorlopig erkende vorderingen;
c. Cumberland veroordeelt in de kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2
Aan haar vorderingen heeft [eiseres] ten grondslag gelegd dat de curator in het faillissement van [betrokkene 1] de planschadevordering en de pensioenvordering aan haar heeft overgedragen. [eiseres] stelt dat de vordering terzake planschade een vordering betreft die [betrokkene 1] had op de gemeente Breda. [betrokkene 1] heeft deze vordering in 2009 aan Triskalion verkocht. De koopsom zou worden geboekt in rekening-courant, maar dat is nooit gebeurd. De koopsom is daarmee verschuldigd gebleven, aldus [eiseres] . [eiseres] stelt dat [betrokkene 1] daarnaast op 21 december 2005 een pensioenovereenkomst heeft gesloten met Triskalion op grond waarvan hij recht heeft op pensioengelden. [betrokkene 1] is al enige tijd de pensioengerechtigde leeftijd gepasseerd. De vordering, zo stelt [eiseres] , valt daarmee uiteen in een reeds uit te keren deel en een in de toekomst verschuldigd deel, welk deel voor haar geschatte waarde moet worden opgenomen. [3]
3.3
Cumberland heeft de vorderingen van [eiseres] als volgt betwist: [4]
- De planschadevordering is nooit goederenrechtelijk overgedragen aan Triskalion. Het zou daarom naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn om Triskalion te houden aan betaling van de koopsom. Bovendien bestaat de vordering niet. De koopsom is al betaald door verrekening met de aanzienlijke rekening-courantschuld van [betrokkene 1] aan Triskalion. In de concept-jaarrekening van Triskalion van 2012 staat de koopsom ook niet vermeld als schuld. Voor zover [betrokkene 1] al een vordering op Triskalion uit hoofde van de koopsom zou hebben, dan is die vordering verjaard.
- Met betrekking tot de vordering uit hoofde van de pensioenovereenkomst geldt dat de curator deze vordering niet aan [eiseres] heeft kunnen overdragen, omdat de pensioenvordering zo sterk aan de persoon is verbonden dat deze vordering naar zijn aard niet overdraagbaar is.
3.4
De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 2 maart 2022 een mondelinge behandeling gelast. Deze heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2022. Partijen hebben de zaak ter zitting doen bepleiten, elk aan de hand van pleitaantekeningen die zijn overgelegd. Van de pleidooien is proces-verbaal opgemaakt.
3.5
Bij eindvonnis van 23 november 2022 heeft de rechtbank de vorderingen afgewezen. [5] De rechtbank heeft daartoe als volgt overwogen:
“3.5. Vooropgesteld wordt dat een eiser tot verificatie zijn vordering dient te onderbouwen. Dat betekent in dit geval dat [eiseres] niet alleen dient te onderbouwen dat [betrokkene 1] vorderingen had op Triskalion, maar ook dat [betrokkene 1] deze vorderingen aan haar heeft overgedragen. Die onderbouwing ontbreekt in haar conclusie van eis tot verificatie. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [eiseres] zich beroept op de vaststellingsovereenkomst, tevens akte van overdracht/cessie, die zij destijds met de curator van [betrokkene 1] heeft gesloten. Deze is door Cumberland […] in het geding gebracht. Volgens [eiseres] volgt daaruit dat de onderhavige vorderingen aan haar zijn overgedragen. Cumberland betwist dit, stellende dat in de akte van cessie de overgedragen vorderingen niet met voldoende bepaaldheid omschreven zijn.
3.6.
Ingevolge artikel 3:84 lid 2 BW Pro moeten goederen, zoals de onderhavige vorderingen op naam, bij de titel voor overdracht met voldoende bepaaldheid omschreven zijn. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad is daarvoor noodzakelijk, maar ook voldoende, dat de desbetreffende akte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke vorderingen het gaat. De vraag hoe specifiek die gegevens in de akte dienen te zijn, moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval (vgl. HR 4 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6165). Een generieke omschrijving van de over te dragen vorderingen kan tot een geldige overdracht leiden indien aan de hand van de gegeven omschrijving kan worden bepaald welke vorderingen zijn overgedragen. Het ontbreken van nadere specificaties van de betrokken vorderingen hoeft daarom niet eraan in de weg te staan dat zij voldoende bepaald zijn in de zin van art. 3:84 lid 2 BW Pro (vgl. HR 3 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT6947 (
Dix q.q./ING)).
3.6.
Volgens [eiseres] volgt uit artikel 12 van Pro de akte van cessie dat ook de vorderingen die in deze procedure ter discussie staan aan haar zijn overgedragen. Het betreft een zogenaamde
catch-allbepaling. In artikel 12 staat Pro namelijk dat de curator alle activa en vorderingen van [betrokkene 1] aan [eiseres] overdraagt voor zover deze hem bekend zijn en redelijkerwijs bekend kunnen zijn.
3.7.
Cumberland heeft op de daaropvolgende artikelen 13 tot en met 15 in de akte van cessie gewezen, waarin wordt gerefereerd aan vorderingen op Robi House II. De vorderingen die in deze zaak aan de orde zijn, op Triskalion, worden daar niet genoemd.
3.8.
Artikel 12 van Pro de akte van cessie luidt: “
De curator draagt in eigendom over alle nog resterende activa en vorderingen van curandus voor zover deze hem bekend zijn en redelijkerwijze bekend kunnen zijn, waaronder in ieder geval de vordering die de Curator meent te hebben op Robi House II B.V. terzake door [betrokkene 1] verrichte werkzaamheden ten behoeve van Robi House II B.V. (…)”. De vraag is of met deze generieke omschrijving in de akte van cessie de vorderingen ter zake planschade en pensioengelden rechtsgeldig zijn overgedragen. De rechtbank is van oordeel dat de akte van cessie geen gegevens bevat aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat deze vorderingen aan [eiseres] zijn overgedragen. De vorderingen wordt niet met zoveel woorden in de akte genoemd en [eiseres] heeft ook geen objectieve gegevens gesteld aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat deze vorderingen tot de in artikel 12 genoemde Pro vorderingen behoren. De akte refereert aan bij de curator bekende vorderingen, maar [eiseres] heeft niet onderbouwd dat de curator van [betrokkene 1] destijds bekend was, dan wel redelijkerwijze bekend had kunnen zijn, met de vorderingen ter zake planschade en pensioengelden van [betrokkene 1] op Triskalion. Gezien het feit dat Triskalion ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst tevens akte van overdracht/cessie al enige jaren failliet was, ligt het ook niet voor de hand dat de curator bekend was met vorderingen van [betrokkene 1] op Triskalion.
3.9.
Gelet op het voorgaande heeft [eiseres] haar vorderingen onvoldoende onderbouwd. De rechtbank zal de vorderingen van [eiseres] daarom afwijzen.”
[cursivering origineel, A-G]
In hoger beroep
3.6
[eiseres] is, onder aanvoering van acht grieven, van het tussenvonnis en het eindvonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (hierna:
het hof). Zij heeft geconcludeerd dat het hof de vonnissen vernietigt en, opnieuw rechtdoende, haar vorderingen alsnog toewijst, met veroordeling van Cumberland in de proceskosten van beide instanties en in de nakosten.
3.7
Cumberland heeft geconcludeerd dat het hof het eindvonnis bekrachtigt, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.
3.8
Partijen hebben de zaak ter zitting van 9 september 2024 doen bepleiten, elk aan de hand van pleitaantekeningen die zijn overgelegd.
3.9
Bij arrest van 21 januari 2025 heeft het hof [eiseres] niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep van het tussenvonnis van 2 maart 2022. Het hof heeft het eindvonnis van 23 november 2022 bekrachtigd en [eiseres] veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep.
3.1
Het hof heeft als volgt geoordeeld:
“3.6.2. De eerste vraag die het hof moet beantwoorden, is of [eiseres] rechthebbende is geworden van de vorderingen.
Het hof stelt hierbij voorop dat uit artikel 3:84 lid 2 BW Pro voortvloeit dat de akte van cessie ten tijde van de cessie de te cederen vorderingen in voldoende mate moet bepalen. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad is daarvoor noodzakelijk, maar ook voldoende, dat de desbetreffende akte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke vorderingen het gaat (zie bijvoorbeeld Hoge Raad 20 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7842). De vraag hoe specifiek die gegevens in de akte dienen te zijn, moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval (vgl. Hoge Raad 4 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6165).
Een generieke omschrijving van de te verpanden vorderingen kan tot een geldige verpanding leiden indien aan de hand van de gegeven omschrijving kan worden bepaald welke vorderingen zijn verpand. Het ontbreken van nadere specificaties van de betrokken vorderingen hoeft daarom niet eraan in de weg te staan dat zij voldoende bepaald zijn in de zin van artikel 3:84 lid 2 BW Pro (Hoge Raad 3 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012: BT6947). Voldoende is dat achteraf aan de hand van objectieve gegevens kan worden vastgesteld welke vorderingen zijn overgedragen (zie bv. Hoge Raad 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:590).
Voor de beoordeling of is voldaan aan het bepaaldheidsvereiste, is de bedoeling van partijen slechts relevant, voor zover die bedoeling aan de hand van gegevens in de akte zelf, eventueel achteraf, kan worden vastgesteld (vgl. Hoge Raad 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1841).
3.6.3.
Naar het oordeel van het hof zijn de te cederen vorderingen in de akte van cessie niet voldoende bepaald. Hiervoor is het volgende redengevend.
Van een generieke omschrijving in die zin dat “alle” vorderingen van [betrokkene 1] worden overgedragen is geen sprake. De cessie is immers beperkt tot de vorderingen waarmee de curator ten tijde van het aangaan van de akte van cessie bekend is of redelijkerwijs had kunnen zijn.
De akte zelf vermeldt slechts de vordering op Robi House II B.V. Andere vorderingen waarmee de curator bekend is of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, zijn in de akte niet vermeld. Om vast te stellen welke andere vorderingen zijn overgedragen, is derhalve aanvullende informatie nodig.
De akte bevat ten slotte geen verwijzing naar objectieve gegevens aan de hand waarvan kan worden vastgesteld of de planschadevordering en de pensioenvordering door de curator aan [eiseres] zijn overgedragen. Hierbij is van belang dat het gaat om hetgeen de curator wist of redelijkerwijs kon weten, hetgeen minst genomen een subjectief element bevat.
3.6.4.
Hierbij komt dat uit hetgeen door partijen over en weer is aangevoerd, naar het oordeel van het hof niet volgt dat er sprake is van objectieve gegevens waaruit blijkt dat de curator bekend was of redelijkerwijs bekend kon zijn met de planschadevordering en de pensioenvordering.
[eiseres] heeft in dit verband uitsluitend verwezen naar de jaarrekening van Triskalion waarin de pensioenvoorziening van [betrokkene 1] was opgenomen, een e-mailbericht van de curator in het faillissement van Triskalion aan [betrokkene 1] met kopie aan de curator in het faillissement van [betrokkene 1] waarin wordt gerefereerd aan “de pensioenvoorziening” en het faillissementsverslag van 22 mei 2017 in het faillissement van [betrokkene 1] waarin onder het kopje lopende procedures wordt verwezen naar een bezwaarschriftprocedure over een verzoek van [betrokkene 1] aan de gemeente Breda om planschadevergoeding.
Cumberland heeft gemotiveerd betwist dat uit de door [eiseres] genoemde documenten wetenschap van de curator volgt. Zij heeft onder andere aangevoerd dat de planschadevordering en de pensioenvordering niet zijn opgenomen bij de vorderingen die staan vermeld onder het kopje activa in het faillissementsverslag. Dit is volgens Cumberland een belangrijke aanwijzing dat de curator juist niet uitging van het bestaan van de vorderingen.
Hierbij komt nog het volgende. De planschadevordering betreft volgens de eigen stellingen van [eiseres] de vordering van [betrokkene 1] op Triskalion terzake de koopprijs die Triskalion aan [betrokkene 1] moet betalen omdat [betrokkene 1] zijn vordering op de gemeente Breda in verband met planschade aan Triskalion heeft overgedragen. Dat in het faillissementsverslag in het faillissement van [betrokkene 1] de procedure van [betrokkene 1] tegen de gemeente Breda is genoemd, zegt hooguit iets over de eventuele bekendheid van de curator met een vordering van [betrokkene 1] op de gemeente Breda. Dat de curator bekend was met de door [eiseres] gestelde vordering op Triskalion volgt hier naar het oordeel van het hof in ieder geval niet uit.
Uit dit alles volgt dat gegevens waar [eiseres] naar verwijst niet eenduidig zijn, en geen uitsluitsel geven over de vraag of de curator bekend was, of redelijkerwijs bekend kon zijn, met de planschadevordering en de pensioenvordering en heeft beoogd de planschadevordering en de pensioenvordering aan [eiseres] over te dragen.
3.6.5.
[eiseres] heeft aangeboden haar stelling dat er wel objectieve gegevens zijn aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat de curator bekend was met de planschadevordering en de pensioenvordering dan wel dat hij hiermee redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, te bewijzen. Uit hetgeen hiervoor in rov. 3.6.4. is overwogen, volgt echter dat [eiseres] haar stellingen op dit punt onvoldoende heeft onderbouwd. Dit betekent dat het hof aan bewijslevering niet toekomt.
3.6.6.
Uit hetgeen hiervoor in rov. 3.6.3-3.6.5. is overwogen volgt dat naar het oordeel van het hof niet is voldaan aan het vereiste dat de akte van cessie zodanige gegevens moet bevatten dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke vorderingen het gaat. Dat door het horen van getuigen kan worden vastgesteld of de curator ten tijde van de cessie bekend was met de planschadevordering en de pensioenvordering, maakt dit niet anders. Dit betekent immers niet dat sprake is van objectieve gegevens aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat de curator bekend was met de planschadevordering en de pensioenvordering dan wel dat hij hiermee redelijkerwijs bekend had kunnen zijn.
3.6.7.
Omdat niet aan het bepaaldheidsvereiste is voldaan, zijn de planschadevordering en de pensioenvordering niet aan [eiseres] overgedragen. [eiseres] is geen rechthebbende van deze vorderingen en kan om die reden dus ook niet als schuldeiser in het faillissement van Triskalion worden erkend. Dit betekent dat het hof niet toekomt aan de vraag of de pensioenvordering overdraagbaar is en ook niet aan de vraag naar bestaan en omvang van de planschadevordering en de pensioenvordering.”
In cassatie
3.11
Bij procesinleiding van 21 april 2025 heeft [eiseres] – tijdig – bij de Hoge Raad cassatieberoep ingesteld van het arrest van 21 januari 2025 (hierna:
het arrest). Cumberland heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Cumberland heeft haar standpunt vervolgens schriftelijk doen toelichten. [eiseres] heeft gerepliceerd.

4.Bespreking van het cassatiemiddel

4.1
Het cassatiemiddel is opgebouwd uit drie onderdelen (I tot en met en III). Voordat ik overga tot een bespreking van de klachten zal ik eerst het juridisch kader schetsen met betrekking tot het bepaalde in art. 3:84 lid 2 BW Pro. [6]
4.2
Art. 3:84 lid 1 BW Pro bepaalt dat voor overdracht van een goed wordt vereist een levering krachtens geldige titel, verricht door hem die bevoegd is over het goed te beschikken. Het tweede lid luidt: “
Bij de titel moet het goed met voldoende bepaaldheid omschreven zijn. [7] Dit zogenoemde ‘bepaaldheidsvereiste’ is in de parlementaire geschiedenis, rechtspraak en literatuur met name tot ontwikkeling gekomen in het kader van de overdracht en verpanding van vorderingen op naam.
4.3
Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat de bepaaldheidseis “ruim kan worden genomen” [8] , dat het erom gaat dat de vordering “identificeerbaar” is en dat het aan het oordeel van de rechter is overgelaten welke mate van bepaaldheid aanwezig moet zijn. [9]
4.4
Vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dit ruimhartige spoor.
4.5
Uit de rechtspraak blijkt dat er
geen strenge eisenaan de vereiste bepaaldheid worden gesteld. Zo brengt het bepaaldheidsvereiste niet mee dat de verpande vorderingen
inde pandakte zelf moeten worden gespecificeerd, bijvoorbeeld door vermelding van (bijzonderheden van) de verpande vorderingen. Het is evenmin noodzakelijk om, tegelijk met de pandakte, pandlijsten te registreren of in de pandakte te verwijzen naar pandlijsten. Voor het eerst in het arrest
Spaarbank Rivierenland/Gispen q.q. [10] oordeelde de Hoge Raad dat
voldoende is “dat de pandakte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke vorderingen het gaat.”Deze maatstaf is daarna regelmatig herhaald. [11] Daarmee geldt in feite een bepaal
baarheidseis. [12] De beantwoording van de vraag hoe specifiek de gegevens in de akte dienen te zijn, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. [13]
4.6
Ook is in rechtspraak van de Hoge Raad bepaald dat in de pandakte kan worden volstaan met een generieke omschrijving van de verpande vorderingen, zoals “alle ten tijde van de ondertekening van de akte bestaande rechten of vorderingen jegens derden” of “alle rechten of vorderingen jegens derden die worden verkregen uit de ten tijde van de ondertekening van de akte bestaande rechtsverhoudingen met die derden.” [14] De Hoge Raad oordeelde in het arrest
Mulder q.q./Rabobankdat een dergelijke generieke omschrijving tot een geldige overdracht of verpanding kan leiden, omdat het generieke karakter van een dergelijke omschrijving en het ontbreken van een nadere specificatie van de betrokken vorderingen niet in de weg staan aan het oordeel dat een dergelijke omschrijving voldoet aan het vereiste van voldoende bepaaldheid in de zin van art. 3:84 lid 2 BW Pro. [15] Over de in die zaak gehanteerde generieke omschrijving [16] oordeelde de Hoge Raad dat het oordeel van de rechtbank dat daarmee aan het vereiste van voldoende bepaaldheid was voldaan, niet onbegrijpelijk is. Daarvoor was redengevend dat aan de hand van de gegeven omschrijving kan worden bepaald welke vorderingen zijn verpand, namelijk alle ten tijde van de ondertekening van de pandakte bestaande vorderingen en alle vorderingen die uit op dat moment bestaande rechtsverhoudingen rechtstreeks zullen voortvloeien. Dat voor nadere specificaties te rade moet worden gegaan bij de boekhouding van de pandgever doet niet af aan de voldoende bepaaldheid van de vorderingen (zie r.o. 3.6).
4.7
In het arrest
Dix q.q./ING [17] (betreffende een verzamelpandakte-constructie waarbij de pandgevers alleen generiek in de pandakte zijn omschreven en hun namen niet worden genoemd) heeft de Hoge Raad het leerstuk van de bepaaldheid van vorderingen als volgt samengevat:
“4.6.2 Bij verpanding van vorderingen op naam moeten de vorderingen – overeenkomstig art. 3:98 in Pro verbinding met art. 3:84 lid 2 BW Pro – ten tijde van de verpanding in voldoende mate door de in art. 3:239 lid 1 BW Pro bedoelde akte worden bepaald. Deze eis van voldoende bepaaldheid mag niet strikt worden uitgelegd […]. Aan het oordeel van de rechter is overgelaten in welke mate deze vorderingen, indien zij niet reeds ten tijde van de verpanding zijn bepaald, bepaalbaar moeten zijn […].
Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad is voor het overdragen of verpanden van vorderingen op naam noodzakelijk, maar ook voldoende, dat de desbetreffende akte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke vorderingen het gaat. De enkele omstandigheid dat voor nadere specificaties te rade moet worden gegaan bij de boekhouding van de pandgever en van de bank, brengt niet mee dat de verpande vorderingen onvoldoende bepaalbaar zijn (vgl. HR 20 september 2002, […]
NJ2004/182). De vraag hoe specifiek die gegevens dienen te zijn, moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval (vgl. HR 4 maart 2005, […]
NJ2005/326). Een generieke omschrijving van de te verpanden vorderingen kan tot een geldige verpanding leiden indien aan de hand van de gegeven omschrijving kan worden bepaald welke vorderingen zijn verpand, en wie dus de pandgevers zijn. Het ontbreken van nadere specificaties van de betrokken vorderingen hoeft daarom niet eraan in de weg te staan dat zij voldoende bepaald zijn in de zin van art. 3:84 lid 2 BW Pro.”
4.8
Uit andere uitspraken volgt dat de in de rechtspraak ontwikkelde maatstaf voor het bepaaldheidsvereiste tevens geldt voor andere soorten goederen dan vorderingsrechten. [18]
4.9
In het arrest
Wagemakers q.q./Rabobankoordeelde de Hoge Raad dat een onjuiste aanduiding van een verpande vordering in de pandakte of de pandlijst niet in de weg hoeft te staan aan een rechtsgeldige verpanding van die vordering, mits achteraf aan de hand van
objectieve gegevenskan worden vastgesteld welke vordering de pandgever met deze aanduiding op het oog moet hebben gehad. [19]
4.1
Vooral naar aanleiding van het arrest
De Liser de Morsain/Rabobank [20] is in de literatuur gediscussieerd over de vraag wat de rol is van de subjectieve partijbedoelingen (van cedent en cessionaris) bij het beantwoorden van de vraag of is voldaan aan het bepaaldheidsvereiste. Zie voor een weergave van deze discussie de Conclusie van A-G Rank-Berenschot voor het arrest
Holding X/Heijmans Infra. [21] Inmiddels kan denk ik, op grond van dit arrest en het arrest
Schepel q.q./ING, [22] gezegd worden dat de verwarring hierover door de Hoge Raad is opgeruimd.
4.11
In de zaak die heeft geleid tot
Holding X/Heijmans Infrahad een pandgever zich in een pandovereenkomst verbonden om al zijn bestaande en toekomstige vorderingen (bij voorbaat) aan Holding X te verpanden. [23] De pandovereenkomst schreef tevens voor op welke wijze de pandgever aan deze verplichting moest voldoen, namelijk door het periodiek opmaken van pandlijsten met specifieke aanduidingen van de te verpanden vorderingen. Op 27 januari 2014 is een pandakte met bijbehorende pandlijst, bestaande uit 155 gewaarmerkte pagina’s, geregistreerd bij de Belastingdienst. De pandakte vermeldde het totale bedrag van de op de lijst gespecificeerde vorderingen die uitstonden op 20 januari 2014. Een bestaande vordering van de pandgever op Heijmans kwam daar niet op voor. In hoger beroep draaide het om de vraag of deze vordering was verpand. Het hof noemde de pandlijst leidend voor de vaststelling welke vorderingen waren verpand. Het hof overwoog dat de pandakte geen aanknopingsgegevens bevatte op grond waarvan achteraf aan de hand van die akte kon worden vastgesteld dat bij die akte ook de vordering op Heijmans was verpand. Het hof achtte de partijbedoeling “niet relevant, nu die vorderingen niet op de lijst voorkomen.” Het hof passeerde daarnaast het aanbod van Holding X om te bewijzen dat het de bedoeling van haar en de pandgever was om ook de vorderingen van de pandgever op Heijmans bij de pandakte te verpanden. Volgens het hof was dit bewijsaanbod niet ter zake dienend. De Hoge Raad verwierp het tegen deze oordelen gerichte cassatieberoep:
“3.2 De vestiging van een stil pandrecht op een vordering op naam geschiedt bij authentieke of geregistreerde onderhandse akte, zonder mededeling daarvan aan de schuldenaar van de verpande vordering (art. 3:239 lid 1 BW Pro). Bij uitleg van de pandakte komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. [24] Een van die uitleg te onderscheiden en zelfstandig te beoordelen vraag is of is voldaan aan het uit art. 3:84 lid 2 in Pro verbinding met art. 3:98 BW Pro voortvloeiende vereiste dat de pandakte ten tijde van de verpanding de te verpanden vordering in voldoende mate bepaalt. Aan dit bepaaldheidsvereiste is volgens vaste rechtspraak voldaan als de pandakte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke vordering het gaat. [25]
3.3
Bij zijn hiervoor […] weergegeven overwegingen heeft het hof klaarblijkelijk het oog gehad op het bepaaldheidsvereiste als hiervoor bedoeld en heeft het […] niet beoogd de pandakte uit te leggen. Het eerste onderdeel kan dan ook niet tot cassatie leiden.
3.4
De wijze waarop het hof heeft onderzocht of aan het bepaaldheidsvereiste is voldaan, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Met de overweging dat bij verpanding met behulp van een lijst waarop de te verpanden vorderingen expliciet zijn vermeld, die lijst leidend is, lijkt het hof bij zijn oordeel of is voldaan aan het bepaaldheidsvereiste een maatstaf te hanteren die door zijn absolute karakter strenger is dan die hiervoor in 3.2 is vermeld. Uit de daaropvolgende overweging dat de pandakte geen gegevens bevat aan de hand waarvan achteraf kan worden vastgesteld dat daarbij ook de vordering in kwestie is verpand, blijkt echter dat het hof van de juiste maatstaf is uitgegaan.
Bij de toetsing aan het bepaaldheidsvereiste is het hof terecht voorbijgegaan aan de stelling dat de partijen bij de pandakte hebben beoogd met die akte ook de desbetreffende vordering te verpanden en daarover als getuige kunnen verklaren. De bedoeling van de partijen bij de pandakte is immers voor de beoordeling of is voldaan aan het bepaaldheidsvereiste niet relevant, voor zover die bedoeling niet aan de hand van gegevens in de akte zelf, eventueel achteraf, kan worden vastgesteld.
3.5
Het oordeel van het hof dat de pandakte zelf niet zodanige gegevens bevat dat aan de hand daarvan kan worden vastgesteld dat ook de vordering van [de pandgever] op Heijmans is verpand, berust op een waardering van de feiten en is daarom in cassatie slechts beperkt toetsbaar. Het oordeel is niet onbegrijpelijk en het is voldoende gemotiveerd. […]”
[onderstreping toegevoegd, voetnoten overgenomen en doorgenummerd, A-G]
4.12
Een aantal maanden na deze uitspraak heeft de Hoge Raad arrest gewezen in de zaak
Schepel q.q./ING. [26] In die zaak ging het om de vraag of ING een geldig pandrecht had verkregen op de auteursrechten op de software die de (nadien gefailleerde) pandgever, CompLions, had ontwikkeld. In de pandakte was bepaald dat het pandrecht is gevestigd op ‘alle huidige en toekomstige Bedrijfsactiva’, die zijn omschreven als ‘alle tot het bedrijf van de pandgever behorende goederen’. In dit geval was het auteursrecht op software niet op de balans vermeld. De rechtbank oordeelde om die reden dat het auteursrecht onvoldoende bepaald was. In sprongcassatie casseerde de Hoge Raad. De Raad herhaalde eerst grotendeels de in de vorige alinea weergegeven r.o. 3.2 uit het arrest
Holding X/Heijmans Infraen oordeelde vervolgens:
“3.3 […] De rechtbank heeft miskend dat de vraag of ten aanzien van het auteursrecht van CompLions op door haar ontwikkelde software is voldaan aan het bepaaldheidsvereiste van art. 3:84 lid 2 BW Pro in verbinding met art. 3:98 BW Pro, moet worden beantwoord door te onderzoeken of de pandakte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld dat dit auteursrecht tot de verpande goederen behoort.
Niet is vereist– anders dan de rechtbank heeft overwogen –
dat bestaan en omvang van dit auteursrecht uit de administratie van CompLions kan worden afgeleid, of dat dit auteursrecht op de balans van CompLions is vermeld. Of het auteursrecht van CompLions op door haar ontwikkelde software behoort tot “alle huidige en toekomstige Bedrijfsactiva” van CompLions zoals vermeld in de pandakte […], kan ook worden vastgesteld aan de hand van
andere objectieve gegevens dan de administratie en de balansvan CompLions.”
[onderstreping toegevoegd, A-G]
4.13
Wat kan op basis van deze rechtspraak worden geconcludeerd? De Hoge Raad zegt in het arrest
Holding X/Heijmans Infra, door mij geparafraseerd: “Je moet twee dingen van elkaar onderscheiden: 1. Uitleg van de pandakte, dat gaat op basis van de Haviltex-maatstaf (wat willen partijen?) en 2. Toetsing aan het (goederenrechtelijke) bepaaldheidsvereiste (is het partijen gelukt om wat zij willen, afdoende te verwoorden in de pandakte?)”. [27] In de literatuur is dit onderscheid wel aangeduid als een ‘onmogelijke knip’ en is benadrukt dat er een ‘onlosmakelijk verband’ bestaat tussen uitleg en bepaaldheid. [28] De meeste auteurs hebben in reactie op het arrest
Holding X/Heijmans Infrageschreven dat het erop neerkomt dat, in afwijking van de hoofdregel die geldt met betrekking tot uitleg van pandakten, voor het bepalen van het object van de levering (of verpanding) een objectieve uitlegmaatstaf geldt. [29] Ik doe een poging – in navolging van velen – om het onderscheid
en de samenhangtussen uitleg en bepaaldheid met voldoende bepaaldheid te beschrijven.
4.14
Op het eerste gezicht lijkt de Hoge Raad bij het formuleren van stap 2 niet het oog te hebben gehad op een objectieve uitlegmaatstaf, dus niet op het achterhalen van de partijbedoeling aan de hand van objectieve gegevens. Het lijkt er eerder op dat het uitlegresultaat van stap 1
directwordt getoetst aan het bepaaldheidsvereiste van art. 3:84 lid 2 BW Pro. In dat kader spelen ‘objectieve gegevens’ een essentiële rol, maar ik zie in de rechtspraak van de Hoge Raad nergens dat het begrip ‘objectieve gegevens’ met zoveel woorden wordt gekoppeld aan een uitlegmaatstaf. Het lijkt misschien op objectieve uitleg, maar de panelen schuiven niet exact over elkaar heen. Daarom gaat het bij de toets aan het bepaaldheidsvereiste om een, zo zou men de woorden van de Hoge Raad kunnen begrijpen, van uitleg te onderscheiden en zelfstandig te beoordelen vraag.
4.15
Als ik echter een vergrootglas leg op stap 2 (toetsing aan het bepaaldheidsvereiste), dan neem ik
tocheen objectieve uitlegmaatstaf waar. [30] Ik zie, door de loep, dat er in stap 2 twee processen plaatsvinden, waarvan het zinvol kan zijn ze te expliciteren.
4.16
De hiervoor besproken rechtspraak van de Hoge Raad laat zien dat het
in het kader van het bepaaldheidsvereistebelangrijk is vast te stellen welke vorderingen (goederen) partijen op het oog hebben gehad bij de levering. Ik wijs op het arrest
Wagemakers q.q./Rabobank, waarin in verband met de toets aan het bepaaldheidsvereiste van doorslaggevend belang werd geacht welke vorderingen de pandgever op grond van objectieve gegevens “op het oog moet hebben gehad.” [31] Dit wijst op een uitlegexercitie aan de hand van objectieve gegevens. Ook het arrest
Holding X/Heijmans Infrabiedt steun aan de gedachte dat bij de toets aan het bepaaldheidsvereiste belang toekomt aan de bedoeling van partijen. Overwogen wordt dat de partijbedoeling “
voor de beoordeling of voldaan is aan het bepaaldheidsvereiste” niet relevant is voor zover die bedoeling niet aan de hand van gegevens in de akte zelf, eventueel achteraf, kan worden vastgesteld. Het is, meen ik, niet vergezocht om daaruit – a contrario – af te leiden dat de partijbedoeling wel relevant is, dus achterhaald moet worden aan de hand van een bepaalde uitlegmaatstaf, voor zover deze wel kan worden vastgesteld aan de hand van gegevens in de akte zelf. Ik zie hier duidelijk de eerdergenoemde onlosmakelijkheid van uitleg en bepaaldheid terug. Er vindt objectieve uitleg plaats met het oog op de bepaaldheid. [32]
4.17
In zijn
NJ-noot wijst Verstijlen er overigens terecht op dat de Hoge Raad in het arrest
Holding X/Heijmans Infrade woorden ‘objectieve gegevens’ niet gebruikt. Maar volgens mij ligt in het oordeel van de Hoge Raad besloten dat de bedoeling van partijen slechts uit objectieve gegevens mag worden afgeleid. [33] Mijns inziens speelt het begrip ‘objectieve gegevens’ een sleutelrol, ook al komt het niet in alle arresten van de Hoge Raad over het bepaaldheidsvereiste expliciet terug. Aan de hand van die gegevens moet voldoende duidelijk zijn welke vorderingen partijen op het oog moeten hebben gehad. Als een maatman-derde naar deze gegevens zou kijken, zou hij in beginsel de juiste vaststelling moeten kunnen doen. De gedachte is dat de eis van goederenrechtelijke bepaaldheid betrekking heeft op de vaststelling van goederenrechtelijke verhoudingen die door derden moeten worden gerespecteerd. [34]
4.18
Ik keer terug naar de twee processen van stap 2. Uit hetgeen ik heb opgemerkt in alinea 4.16 blijkt mijns inziens dat objectieve uitleg onderdeel is van de toets aan het bepaaldheidsvereiste. Dit kan men stap 2a noemen. Stap 2b is vervolgens dit uitlegresultaat te betrekken op de rechtsnorm ‘voldoende bepaaldheid’. Er gebeurt dus in stap 2 meer dan uitleggen (= vaststellen van de partijbedoeling) alleen. [35] Het uitlegresultaat wordt betrokken op de rechtsnorm. Daaruit volgt een ‘ja’ of een ‘nee’. De Hoge Raad benoemt in r.o. 3.2 (slot) van zijn arrest
Holding X/Heijmans Infraweliswaar alleen stap 2b, maar in r.o. 3.4 (slot) wordt stap 2a gezet.
4.19
Voegt deze close-up nu eigenlijk iets toe? Als aan de hand van objectieve gegevens is vastgesteld welke vorderingen partijen op het oog hadden, dan zal in beginsel aan het bepaaldheidsvereiste zijn voldaan. Conceptueel is echter het toetsen aan een open norm (voldoende bepaaldheid) met inachtneming van alle omstandigheden van het geval niet hetzelfde als vaststellen wat partijen bedoelden. Of er veel praktisch licht tussen zal schijnen, durf ik niet te zeggen, maar ik acht het niet uitgesloten dat een rechter oordeelt dat het resultaat van objectieve uitleg niet voldoende bepaald is om de toets van art. 3:84 lid 2 BW Pro te doorstaan.
4.2
Als we alles bij elkaar leggen dan zien we dus het volgende beeld. Bij de beoordeling van de vraag of aan het vereiste van voldoende bepaaldheid is voldaan, dient de rechter een soepele benadering te hanteren. [36] Het gaat erom of de akte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke goederen het gaat. De bedoelingen van partijen op dit punt zijn slechts relevant voor zover deze aan de hand van de gegevens in de akte zelf kunnen worden vastgesteld. In de akte zelf kan worden verwezen naar buiten de akte gelegen gegevens. Dit moeten ‘objectieve gegevens’ zijn. Daarover zij nog het volgende opgemerkt.
4.21
In het genoemde arrest
Holding X/Heijmans Infraheeft de Hoge Raad herhaald dat volgens vaste rechtspraak aan het bepaaldheidsvereiste is voldaan als de pandakte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, “aan de hand daarvan” kan worden vastgesteld om welke vordering het gaat (r.o. 3.2). In de zaak die heeft geleid tot dit arrest was in de pandovereenkomst voorgeschreven op welke wijze de pandgever aan zijn in de overeenkomst opgenomen verplichting tot verpanding van al zijn bestaande en toekomstige vorderingen (bij voorbaat) moest voldoen: door het periodiek opmaken van pandlijsten met specifieke aanduidingen van de te verpanden vorderingen. Het oordeel van het hof dat de pandlijst leidend was voor de vaststelling welke vorderingen waren verpand, is door de Hoge Raad in stand gelaten. Dit had tot gevolg dat een wel bestaande vordering van de pandgever op Heijmans die niet op de pandlijsten was vermeld,
nietwas verpand. Aan het slot van r.o. 3.4 oordeelde de Hoge Raad dat de bedoeling van de partijen bij de pandakte voor de beoordeling of is voldaan aan het bepaaldheidsvereiste niet relevant is, voor zover die bedoeling niet aan de hand van gegevens “in de akte zelf,” eventueel achteraf, kan worden vastgesteld. De vraag rijst hoe de door mij tussen aanhalingstekens geplaatste woorden precies moeten worden begrepen. Is een specificatie in de akte – bijvoorbeeld woorden als “zoals blijkt uit de debiteurenadministratie” – vereist?
4.22
In het latere arrest
Schepel q.q./INGwas de omschrijving in de pandakte van de verpande goederen ruim geformuleerd. Het pandrecht werd gevestigd op “alle huidige en toekomstige Bedrijfsactiva.” De bedrijfsactiva waren eveneens ruim omschreven, namelijk als “alle tot het bedrijf van de pandgever behorende goederen.” Tussen partijen was in geschil of een auteursrecht op software was verpand. Dat dit auteursrecht niet op de balans stond vermeld, was
nietbeslissend voor de vraag of het auteursrecht was verpand. Of het auteursrecht behoort tot “alle huidige en toekomstige Bedrijfsactiva,” zoals vermeld in de pandakte, kan ook worden vastgesteld aan de hand van “andere objectieve gegevens dan de administratie en de balans,” aldus de Hoge Raad.
4.23
Uit de arresten kan mijns inziens worden afgeleid dat het niet noodzakelijk is dat de pandakte/cessieakte vermeldt
welkeexterne bronnen bepalend zijn om te achterhalen of goederen al dan niet zijn verpand of overgedragen. Als evenwel de externe bronnen daarin limitatief worden opgesomd, dan zijn die bronnen ook beslissend. In zoverre leidt specificering dus ook tot ‘versmalling’.
4.24
Van Bergen stelt dat uit het arrest
Schepel q.q./INGvolgt dat de administratie van de pandgever “geen (sleutel)rol” hoeft te spelen: ook andere objectieve bronnen mogen volgens de Hoge Raad worden geraadpleegd om vast te stellen welke goederen onder een (generieke) omschrijving in de pandakte vallen. Van Bergen schrijft mijns inziens terecht dat het mis gaat als in een pandakte termen worden gebruikt als ‘sommige’, ‘enkele’, ‘de helft van’ de goederen van de pandgever. Zonder aanvullende informatie kan in dat geval namelijk niet worden vastgesteld
welkegoederen wel of niet zijn verpand. [37]
4.25
Zie ook Krzemiński en Van der Klein, die stellen dat de hiervoor vermelde maatstaf dat de pandakte “zodanige gegevens” moet bevatten dat “aan de hand daarvan” kan worden vastgesteld om welke goederen het gaat, “niet te strikt” moet worden opgevat:
“Hieruit kan bijvoorbeeld niet worden afgeleid dat de betreffende gegevens in de pandakte zelf zouden moeten zijn opgenomen. Wel is van belang dat het pandobject objectief kan worden bepaald.” [38]
4.26
Tegen de achtergrond van het voorgaande zal ik thans de middelonderdelen bespreken.
Onderdeel I
4.27
Het
eerste onderdeelis gericht tegen de rechtsoverwegingen 3.6.2 tot en met 3.6.7, hiervoor weergegeven in alinea 3.10. [39] Het onderdeel bevat de klacht dat de daarin gegeven oordelen blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting, althans onvoldoende (begrijpelijk) zijn gemotiveerd. Het onderdeel valt uiteen in twee subonderdelen.
4.28
Subonderdeel I.1bevat de klacht dat het hof in (de afzonderlijke oordelen in) de rechtsoverwegingen 3.6.3 tot en met 3.6.7 in het kader van art. 3:84 lid 2 BW Pro te hoge eisen stelt aan de mate waarin een vordering moet kunnen worden bepaald en wat dus in dat geval als ‘in voldoende mate bepaald’ moet worden beschouwd. Het subonderdeel veronderstelt dat het hof “objectieve gegevens” vereist waaruit blijkt dat de curator bekend was of redelijkerwijs bekend kon zijn met de planschadevordering en de pensioenvordering. Daarbij, zo vervolgt het subonderdeel, doet het er volgens het hof blijkens r.o. 3.6.6 kennelijk niet toe of de curator daadwerkelijk van de vorderingen heeft geweten, omdat dit niet betekent dat sprake is van objectieve gegevens aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat de curator bekend was met de planschadevordering en de pensioenvordering dan wel dat hij hiermee redelijkerwijs bekend had kunnen zijn.
4.29
Volgens het subonderdeel miskent het hof allereerst dat het vereiste van voldoende bepaaldheid (“bepaalbaarheid”) niet strikt moet worden uitgelegd. Het houdt niet in dat de vordering in de akte zelf moet zijn geïndividualiseerd, aldus het subonderdeel. Onder verwijzing naar onder meer het arrest
Holding X/Heijmans Infrastelt het subonderdeel dat voldoende is dat de akte zodanige gegevens bevat dat aan de hand daarvan
zo nodig achteraf kan worden vastgesteldom welke vordering het gaat. Volgens het subonderdeel kan dat “dus ook omdat uit gegevens door of namens de curator blijkt dat hij van de vorderingen op de hoogte was of kon zijn indien in de akte is bepaald dat die vorderingen overgaan die aan de curator bekend zijn of redelijkerwijs kunnen zijn.”
4.3
Na weergave van de inhoud van een aantal, deels ook door het hof in r.o. 3.6.2 genoemde arresten van de Hoge Raad met betrekking tot het bepaaldheidscriterium van art. 3:84 lid 2 BW Pro, stelt het subonderdeel dat daaruit volgt dat nader onderzoek om tot vaststelling van “de vordering” over te gaan (dus) niet aan vaststelling in de weg staat en dat voldoende is ‘alle vorderingen’ die aan een bepaald criterium voldoen. Dan is, zo betoogt het subonderdeel, dus ook voldoende “alle nog resterende activa en vorderingen van curandus voor zover deze hem bekend zijn en redelijkerwijze bekend kunnen zijn,” zoals opgenomen in de onderhavige akte van cessie (waarbij met ‘hem’ de curator wordt bedoeld). Het subonderdeel stelt dat daaronder dus twee groepen vorderingen vallen: (i) de bij de curator bekende vorderingen en (ii) de vorderingen die de curator redelijkerwijs bekend kunnen zijn. De bij de curator bekende vorderingen, zo stelt het subonderdeel, zijn – naar de aard – vorderingen die blijken uit het faillissementsverslag. Volgens het subonderdeel kan die bekendheid ook blijken “uit een (getuigen)verklaring van de curator zelf.” Als de curator over de boekhouding van de gefailleerde beschikt, dan is hij hetzij van die vordering op de hoogte, hetzij zou hij dat moeten zijn, aldus het subonderdeel. Het subonderdeel stelt dat vorderingen die de curator redelijkerwijs bekend kunnen zijn, vorderingen zijn die de curator had kunnen kennen als hij daarnaar onderzoek had gedaan. Dat zijn dus vorderingen die op basis van externe feitelijke gegevens kunnen worden vastgesteld, aldus het subonderdeel.
4.31
Het subonderdeel betoogt vervolgens dat, anders dan het hof heeft geoordeeld, de onderhavige vorderingen wel voldoende bepaalbaar zijn, nu bijvoorbeeld in de concept jaarstukken de pensioenvordering van [betrokkene 1] is opgenomen en daarover ook is gecommuniceerd tussen de curator van Triskalion en de curator van [betrokkene 1] . Net als achteraf aan de hand van de boekhouding een vordering kan worden aangetoond, kan dit volgens het subonderdeel ook door aan te tonen dat een curator op de hoogte was van een vordering of dat had kunnen zijn. Dat is net zo goed “voldoende bepaalbaar,” aldus het subonderdeel. Volgens het subonderdeel acht het hof blijkens onder meer het oordeel in r.o. 3.6.5 en 3.6.6 “niet van belang dat door het horen van getuigen kan worden vastgesteld of de curator ten tijde van de cessie bekend was met de planschadevordering en de pensioenvordering, omdat dit volgens het hof niet betekent dat sprake is van objectieve gegevens aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat de curator bekend was met de planschadevordering en de pensioenvordering dan wel dat hij hiermee redelijkerwijs bekend had kunnen zijn.” Het subonderdeel klaagt dat het hof aldus blijk geeft van een te strenge, althans onjuiste maatstaf met betrekking tot de bepaalbaarheid, althans dat het oordeel (onvoldoende) begrijpelijk is gemotiveerd, nu “een dergelijke vordering” ook voldoende bepaald is als vast komt te staan dat de curator ten tijde van de cessie de vorderingen kende of had kunnen kennen. Dat is achteraf voldoende objectief bepaalbaar, aldus het subonderdeel. Reeds uit de gegevens die het hof noemt in de tweede alinea van r.o. 3.6.4 – de jaarrekening van Triskalion, een e-mailbericht van de curator in het faillissement van Triskalion aan [betrokkene 1] met kopie aan de curator in het faillissement van [betrokkene 1] , en het faillissementsverslag in het faillissement van [betrokkene 1] – volgt volgens het subonderdeel dat de curator van de vorderingen op de hoogte was, althans dat redelijkerwijs had kunnen zijn, althans dat het bewijsaanbod voldoende gespecificeerd is en ter zake dienend. Het subonderdeel bevat de klacht dat het hof dit alles heeft miskend, dan wel dat de uitspraak onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd.
4.32
Volgens het subonderdeel doen de overwegingen in de tweede tot en met de laatste alinea van r.o. 3.6.3 daaraan niet af, nu ook in dit geval van een generieke omschrijving sprake is, zij het dat die niet op ‘alle’ vorderingen ziet maar op “alle vorderingen die de curator in het faillissement van [betrokkene 1] kende of redelijkerwijs bekend konden zijn.” Wanneer een bepaling een subjectief element bevat, maakt dit, zo stelt het subonderdeel, nog niet dat een bepaling onvoldoende bepaald is.
4.33
Het subonderdeel klaagt vervolgens dat het hof in de rechtsoverwegingen 3.6.4 tot en met 3.6.7 miskent dat de vorderingen voldoende bepaald zijn om voor renvooi in aanmerking te komen. Het subonderdeel stelt dat het hof lijkt te eisen dat uit de stukken wetenschap volgt (zie bijvoorbeeld r.o. 3.6.4, derde alinea), maar dat er in de akte van cessie ook staat: “voor zover deze hem redelijkerwijs bekend kunnen zijn.” Ook wanneer de curator
nietde moeite heeft genomen om de conceptjaarrekening te lezen en/of niet de moeite heeft genomen omtrent de pensioenvordering van [betrokkene 1] op Triskalion of de vordering van [betrokkene 1] uit planschade op de gemeente Breda dóór te vragen, dan zijn het, zo stelt het subonderdeel, nog steeds vorderingen die in redelijkheid aan de curator bekend hadden
kunnenzijn, en is er dus sprake van voldoende bepaalbaarheid. Dit betekent volgens het subonderdeel dat de in r.o. 3.6.4, tweede alinea, genoemde drie gegevens (“omstandigheden”) wel degelijk maken dat de bewuste vorderingen voldoende bepaalbaar zijn. Het subonderdeel stelt dat de overwegingen in de opvolgende derde en vierde alinea daar niet aan afdoen. Het subonderdeel stelt dat het hof in de vierde alinea miskent dat een curator tot taak heeft te inventariseren wat de stand van de boedel is. Indien de curator dat vervolgens nalaat, dan heeft volgens het subonderdeel juist te gelden dat het een vordering is die hem in redelijkheid bekend had
kunnenzijn, als hij daarnaar onderzoek had gedaan.
4.34
Voorafgaand aan de bespreking van de cassatiemiddelen merk ik nog het volgende op. De mogelijke achtergrond van de ‘formule’ (“voor zover deze hem bekend zijn en redelijkerwijs bekend kunnen zijn”) zoals deze in de vaststellingsovereenkomst is opgenomen, kan zijn dat de curator zeker wilde stellen dat hij niet een ‘verborgen vordering’ die in de boedel viel zou verkopen en leveren zonder dat hij deze – in de woorden van Rekker [40] – had verdisconteerd in de tegenprestatie. Een eventueel verborgen ‘lot uit de loterij’ wilde hij niet gratis weggeven. Echt onbekende vorderingen moesten, zo speculeer ik over de bedoeling, in de boedel blijven. Voor deze insteek kan men begrip hebben.
4.35
Het hof heeft in r.o. 3.6.2 het juridisch kader weergegeven dat het bij de beoordeling tot uitgangspunt neemt. Dat kader wordt in cassatie niet bestreden. Integendeel, het kader dat het subonderdeel op p. 2 en 3 van de procesinleiding schetst met betrekking tot het bepaaldheidscriterium – door het subonderdeel hier en daar aangeduid als ‘bepaalbaarheid’ – komt nagenoeg overeen met de inhoud van de arresten die het hof noemt.
4.36
Het hof overweegt in de één na laatste alinea van r.o. 3.6.3 dat de akte van cessie zelf slechts de vordering op Robi House II B.V. vermeldt. Andere vorderingen waarmee de curator bekend is of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, zijn in de akte niet vermeld. Om vast te stellen welke andere vorderingen zijn overgedragen is derhalve aanvullende informatie nodig, aldus het hof. Het hof overweegt in de laatste alinea van r.o. 3.6.3 dat de akte geen verwijzing bevat naar objectieve gegevens aan de hand waarvan kan worden vastgesteld of de planschadevordering en de pensioenvordering door de curator van [betrokkene 1] aan [eiseres] zijn overgedragen. Hierbij, zo vervolgt het hof, is van belang dat het gaat om hetgeen de curator wist of redelijkerwijs kon weten, hetgeen “minst genomen een subjectief element bevat.” Dit zijn goeddeels feitelijke oordelen die, als ik het goed zie, in cassatie niet met een afzonderlijke klacht wordt bestreden. [41]
4.37
Bij de beoordeling van de klachten acht ik het zinvol om uit de repliek van [eiseres] te citeren, omdat daarin een passage is opgenomen die de klachten van het subonderdeel nog iets meer verduidelijkt. [42] In het slot van de repliek staat het volgende:
“1.14 […] Cumberland lijkt te stellen dat het horen van de curator niet kan vallen onder objectieve gegevens in het kader van het bepaaldheidsvereiste. Hiermee wordt wederom miskend dat het horen van de curator over zijn kennis geen subjectief gegeven is. Immers, wanneer na het horen van de curator vast komt te staan dat de curator ten tijde van de cessie de vordering kende of had kunnen kennen, is deze vordering achteraf voldoende objectief bepaalbaar. Net als achteraf aan de hand van boekhouding een vordering kan worden aangetoond, kan dit ook door na het horen van de curator aan te tonen dat een curator op de hoogte was van een vordering of dat had kunnen zijn. Dat is net zo goed voldoende bepaalbaar en dat wordt door het hof […] miskend.”
4.38
De stelling van [eiseres] komt er in de kern op neer dat subjectieve kennis (van de curator) objectiveerbaar (genoeg) is. Anders gezegd: subjectieve kennis is
ookeen objectief gegeven. Dat is op zichzelf natuurlijk niet onwaar, maar het is de vraag of dit het type ‘objectief gegeven’ is waarop de Hoge Raad in zijn rechtspraak doelt. Het hof oordeelt in wezen van niet en ik kan het hof daarin volgen. De ‘kennis’ van de curator wordt, zo begrijp ik het arrest van het hof, alleen maar een objectief gegeven als die kennis kan worden geobjectiveerd los van wat zich in het hoofd van de curator bevindt. [43] Een objectief gegeven is wel wat de curator rechtens geacht kan worden te kennen of die hij redelijkerwijs kon kennen op basis van gegevens die hem ter beschikking stonden. Ik lees het arrest van het hof zo, met name r.o. 3.6.4, dat niet een algemeen veto over de ‘formule’ is uitgesproken (dus niet: zo’n omschrijving van de groep te leveren vorderingen in de akte is per definitie ongeschikt), maar dat is getoetst of
in concretogezegd kan worden dat de vorderingen met voldoende bepaaldheid zijn omschreven in de door de Hoge Raad vereiste zin. Derden, onder wie niet in de laatste plaats de
debitor cessus, dienen aan de hand van objectieve gegevens
zelfstandigte kunnen beoordelen of en in hoeverre een vordering is overgedragen dan wel of daarop een pandrecht is gevestigd. Naar mijn mening kwalificeert een getuigenverklaring, ook al is dat een bewijsmiddel, niet als een ‘objectief gegeven’ waarmee de bepaaldheid van een overgedragen goed in de zin van art. 3:84 lid 2 BW Pro kan worden vastgesteld. Zo is de kans aanwezig dat partijen bij een akte van cessie of een pandakte, of derden, druk uitoefenen op de persoon die zij als getuige willen horen. Daarnaast bestaat altijd de mogelijkheid dat de beoogde getuige niet (langer) in staat is om te getuigen of een schriftelijke verklaring af te leggen, bijvoorbeeld in geval van overlijden of dementie. Zoals hiervoor door mij is betoogd, kunnen (daarom) als objectieve gegevens alleen worden aangemerkt gegevens die derden na lezing en bestudering ervan zelfstandig kunnen interpreteren. Ik denk daarbij in het bijzonder aan een (al dan niet digitale) factuur, administratie, boekhouding of een balans. Dat het hof aan de ‘subjectieve’ kennis van de curator, dat wil zeggen kennis die niet kan worden afgeleid uit andere externe feitelijke gegevens dan zijn eigen mondelinge of schriftelijke verklaring, geen betekenis heeft toegekend in het kader van de beoordeling of de betreffende vorderingen door artikel 12 van Pro de akte van cessie voldoende worden bepaald, acht ik in het licht van het voorgaande dan ook niet onjuist of onbegrijpelijk.
4.39
De klacht dat het hof miskent dat het vereiste van voldoende bepaaldheid “niet strikt” moet worden uitgelegd (niet inhoudt dat de vordering in de akte zelf moet zijn geïndividualiseerd), faalt. Herhaald zij dat het middel het juridisch kader dat het hof in r.o. 3.6.2 weergeeft, niet bestrijdt. Uit dat kader blijkt duidelijk dat het vereiste van voldoende bepaaldheid niet strikt moet worden uitgelegd. Nu het hof bij de beoordeling de juiste maatstaf voorop heeft gesteld, kan worden betoogd dat de klacht feitelijke grondslag mist. Ook kan niet worden gezegd dat het hof die maatstaf vervolgens bij de toetsing
in concretoheeft miskend. Met betrekking tot het horen van de curator, waarop het onderdeel duidelijk de nadruk legt, zij verwezen naar hetgeen in de vorige alinea is opgemerkt: een getuigenverklaring kwalificeert niet als een ‘objectief gegeven’ waarmee de bepaaldheid van een overgedragen goed in de zin van art. 3:84 lid 2 BW Pro kan worden vastgesteld. Het hof heeft voor het overige in r.o. 3.6.4 aan de hand van de stukken waarnaar [eiseres] zelf heeft verwezen, en de stellingen die partijen daarover hebben ingenomen, beoordeeld of sprake is van objectieve gegevens waaruit blijkt dat de curator “bekend was of redelijkerwijs bekend kon zijn” met de planschadevordering en de pensioenvordering. Het hof heeft in dat verband acht geslagen op (i) de jaarrekening van Triskalion waarin de pensioenvoorziening van [betrokkene 1] was opgenomen, (ii) een e-mailbericht van de curator in het faillissement van Triskalion aan [betrokkene 1] met kopie aan de curator in het faillissement van [betrokkene 1] waarin wordt gerefereerd aan “de pensioenvoorziening,” en (iii) het faillissementsverslag van 22 mei 2017 in het faillissement van [betrokkene 1] waarin onder het kopje lopende procedures wordt verwezen naar een bezwaarschriftprocedure over een verzoek van [betrokkene 1] aan de gemeente Breda om planschadevergoeding. Het hof heeft geoordeeld dat deze gegevens “niet eenduidig” zijn, en “geen uitsluitsel” geven over de vraag of de curator bekend was, of redelijkerwijs bekend kon zijn, met de planschadevordering en de pensioenvordering en heeft beoogd de planschadevordering en de pensioenvordering aan [eiseres] over te dragen.
4.4
Het hof heeft derhalve aan de hand van alle aangereikte objectieve gegevens beoordeeld of in dit geval aan het bepaaldheidsvereiste is voldaan. Het hof heeft de juiste maatstaf toegepast. Het oordeel in r.o. 3.6.4 dat uit hetgeen door partijen over en weer is aangevoerd niet volgt dat er sprake is van objectieve gegevens waaruit blijkt dat de curator bekend was of redelijkerwijs bekend kon zijn met de planschadevordering en de pensioenvordering is een feitelijk oordeel dat in cassatie slechts in beperkte mate op juistheid kan worden getoetst.
4.41
De overige klachten van het subonderdeel stuiten grotendeels op het voorgaande af. Ik wil nog iets nader ingaan op het betoog dat het hof lijkt te eisen dat uit de stukken wetenschap volgt, maar dat er in de akte van cessie ook staat: “voor zover deze hem redelijkerwijs bekend
kunnen zijn.” Het kan, zoals het subonderdeel terecht opmerkt, zo zijn dat een cedent voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst van cessie geen nader onderzoek heeft gedaan naar de inhoud van hem op dat moment wel bekende stukken. Het subonderdeel betoogt, in mijn eigen woorden weergegeven, dat als de curator in het faillissement van [betrokkene 1] destijds niet de moeite heeft genomen om de hem ter beschikking staande (gestelde) stukken te lezen of naar aanleiding daarvan met betrekking tot (mogelijke) vorderingen dóór te vragen bij de betrokkenen, het nog steeds gaat om vorderingen die in redelijkheid aan de curator bekend
hadden kunnen zijn. Aldus is er volgens het subonderdeel sprake van “voldoende bepaalbaarheid.”
4.42
Zo er door de partijen bij een overeenkomst van cessie of een pandovereenkomst voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst inderdaad geen nader onderzoek is gedaan naar de op dat moment bestaande vorderingen, dan is het mogelijk om dat onderzoek in een later stadium alsnog te doen. Ook dan geldt, met het oog op de belangen van derden, dat alleen aan de hand van
objectievegegevens moet kunnen worden vastgesteld welke vorderingen zijn verpand of overgedragen. Aan de hand van bijvoorbeeld de boekhouding van destijds kan thans, in het heden, worden nagegaan waarmee de cedent of pandgever destijds bekend had kunnen (moeten) zijn indien hij die boekhouding (wel) had geraadpleegd. Zoals hiervoor door mij is betoogd moet het daarbij steeds gaan om externe feitelijke gegevens anders dan de eigen mondelinge of schriftelijke verklaring van partijen of andere personen. Het subonderdeel faalt.
4.43
Onderdeel I.2is gericht tegen het oordeel in de laatste alinea van r.o. 3.6.4 dat de gegevens waarnaar [eiseres] verwijst, “niet eenduidig zijn” en “geen uitsluitsel geven” over de vraag of de curator bekend was, of redelijkerwijs bekend kon zijn, met de planschadevordering en de pensioenvordering en heeft beoogd de planschadevordering en de pensioenvordering aan [eiseres] over te dragen. Het subonderdeel bevat de klacht dat dit oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel onbegrijpelijk is. Volgens het subonderdeel miskent het hof ook hier dat voldoende is of uit de overgelegde stukken blijkt dat de curator de vorderingen kende of redelijkerwijs had kunnen kennen. Het subonderdeel betoogt dat voor bepaalbaarheid voldoende is dat beide vorderingen “aan de orde waren” in de gegevens waarnaar [eiseres] heeft verwezen. Uit deze gegevens, zo stelt het subonderdeel, volgt dat de curator van [betrokkene 1] die vorderingen onder ogen moet hebben gehad: de pensioenvoorziening vanuit een e-mail van de curator in het faillissement van Triskalion en de vordering van [betrokkene 1] op de gemeente Breda uit hoofde van planschade vanwege de vermelding van de procedure in het faillissementsverslag in het faillissement van [betrokkene 1] . Volgens het subonderdeel is het oordeel dat deze gegevens “niet eenduidig” zijn en “geen uitsluitsel” geven, onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Als het om ‘redelijkerwijs kunnen kennen’ gaat, is dit, zo betoogt het subonderdeel, wel degelijk eenduidig en voldoende. Volgens het subonderdeel kan daaraan niet afdoen het oordeel dat Cumberland gemotiveerd heeft betwist dat uit de door [eiseres] genoemde documenten wetenschap van de curator volgt, omdat het ook gaat om ‘redelijkerwijs
kunnenweten’. Het subonderdeel stelt dat ook het oordeel in de één na laatste alinea van r.o. 3.6.4 – dat het feit dat in het faillissementsverslag in het faillissement van [betrokkene 1] de procedure van [betrokkene 1] tegen de gemeente Breda is genoemd, hooguit iets zegt over de eventuele bekendheid van de curator met een vordering van [betrokkene 1] op de gemeente Breda – onbegrijpelijk is en geen toereikende motivering vormt voor het oordeel dat er geen uitsluitsel wordt gegeven en een en ander niet eenduidig is. Daarmee staat volgens het subonderdeel namelijk vast dat
de curator van [betrokkene 1]op de hoogte was dat [betrokkene 1] een vordering pretendeerde op de gemeente Breda. Uit het feit dat de curator van [betrokkene 1] de procedure van [betrokkene 1] tegen de gemeente met betrekking tot de planschade in het faillissementsverslag opneemt, kan volgens het subonderdeel worden afgeleid dat hij bekend was met de vordering ter zake van planschade dan wel na doorvragen daarmee
bekend had kunnen zijn. Het subonderdeel stelt dat het hof hieruit in r.o. 3.6.4 de verkeerde conclusie trekt door te overwegen “Dat de curator bekend was met de door [eiseres] gestelde vordering op Triskalion volgt hier naar het oordeel van het hof in ieder geval niet uit.” Het gaat er, zo herhaalt het subonderdeel, namelijk ook om of de curator daarmee bekend
kon zijn. Dat is volgens het subonderdeel zonder meer het geval op grond van de door het hof in de tweede alinea van r.o. 3.6.4 “vastgestelde omstandigheden.”
4.44
Ik herhaal dat de beoordeling van de vraag of in een specifieke situatie is voldaan aan het bepaaldheidsvereiste is overgelaten aan de feitenrechter en van geval tot geval zal moeten worden bezien (zie hiervoor in alinea 4.5). Het oordeel dat wel of niet aan het bepaaldheidsvereiste is voldaan, is van overwegend feitelijke aard en kan daarom in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst. Indien het subonderdeel betoogt dat ‘redelijkerwijs bekend kon zijn’
steedswordt verondersteld indien een vordering in een document staat dat (in dit geval) de curator tot zijn beschikking heeft, dan faalt dit betoog omdat het uitgaat van een te stringente rechtsopvatting. Als een vordering in een document wordt genoemd, dan betekent dat (immers) nog niet automatisch dat die vordering (op dat moment) ook (nog) daadwerkelijk bestaat.
4.45
Ik merk op dat het hof alleen in de één na laatste alinea van r.o. 3.6.4 de formulering “bekend was” gebruikt. In de eerste alinea oordeelt het hof dat uit hetgeen door partijen over en weer is aangevoerd, niet volgt dat er sprake is van objectieve gegevens waaruit blijkt dat de curator bekend was “of redelijkerwijs bekend kon zijn” met de planschadevordering en de pensioenvordering, en aan het slot van de rechtsoverweging concludeert het hof dat “uit dit alles” volgt dat gegevens waar [eiseres] naar verwijst niet eenduidig zijn, en geen uitsluitsel geven over de vraag of de curator bekend was, “of redelijkerwijs bekend kon zijn,” met de planschadevordering en de pensioenvordering en heeft beoogd de planschadevordering en de pensioenvordering aan [eiseres] over te dragen.
4.46
Het hof heeft in de zin die direct voorafgaat aan de zin die aanvangt met “Dat de curator bekend was (…)” in de één na laatste alinea van r.o. 3.6.4 overwogen: “Dat in het faillissementsverslag in het faillissement van [betrokkene 1] de procedure van [betrokkene 1] tegen de gemeente Breda is genoemd, zegt hooguit iets over de eventuele bekendheid van de curator met een vordering van [betrokkene 1] op de gemeente Breda.” Het opvolgende oordeel dat hieruit in ieder geval niet volgt dat de curator bekend was met de door [eiseres] gestelde vordering
op Triskalion, is niet onbegrijpelijk. Tegen dat oordeel komt het subonderdeel, als ik goed zie, ook niet zelfstandig op. Zonder enige nadere toelichting of aanvullend gegeven kan niet worden ingezien dat de curator uit de enkele omstandigheid dat in het faillissementsverslag in het faillissement van [betrokkene 1] de procedure van [betrokkene 1] tegen de gemeente Breda is genoemd, redelijkerwijs moest afleiden dat die vordering is verkocht aan Triskalion en dat Triskalion vervolgens de koopsom niet heeft betaald. [44] Dat de curator met een en ander ook niet ‘redelijkerwijs bekend kon zijn’, behoeft bij gebreke van enig ander aanknopingspunt mijns inziens geen nadere toelichting.
4.47
Het hof heeft overwogen dat [eiseres]
met betrekking tot de pensioenvorderingheeft verwezen naar (i) de jaarrekening van Triskalion waarin de pensioenvoorziening van [betrokkene 1] was opgenomen en (ii) een e-mailbericht van de curator in het faillissement van Triskalion aan [betrokkene 1] met kopie aan de curator in het faillissement van [betrokkene 1] waarin wordt gerefereerd aan “de pensioenvoorziening.” Cumberland heeft in de memorie van antwoord met betrekking tot het gegeven onder (i) het volgende als verweer aangevoerd:
- De pensioenvordering bestaat niet en al helemaal niet tot een bedrag van € 725.922,-. (onder 39)
- De enkele omstandigheid dat in de
conceptjaarrekening 2012 van Triskalion een bedrag van € 592.279,- als pensioenvoorziening voor [betrokkene 1] is opgenomen, wil niet zeggen dat hij een vordering van € 592.279,- (en al helemaal niet van € 725,922,-) op Triskalion had (onder 39).
- [eiseres] heeft slechts de
conceptjaarcijfers van Triskalion overgelegd. Andere jaarcijfers zijn niet overgelegd (onder 45).
4.48
Met betrekking tot het gegeven onder (ii) zij het volgende opgemerkt. De e-mail van 17 januari 2017 betreft een e-mail van [betrokkene 2], een medewerkster van ‘Kessels Advocaten’, [45] aan [betrokkene 1] met in de cc zijn curator. De e-mail vermeldt:
“Geachte [betrokkene 1] ,
Dit bedrag bestaat uit de rekeningcourantvordering van Triskalion op u op 31-12-2012 € 1.196.774 – minus de pensioenvoorziening – € 592.722 = € 604.052,00, blijkens de jaarrekening 2012 (…).”
Ter zitting in hoger beroep heeft de advocaat van Cumberland aangevoerd dat hieruit blijkt dat de pensioenvordering door verrekening reeds is voldaan (betaald). [46]
4.49
Het hof heeft alle stukken waarop [eiseres] een beroep heeft gedaan, genoemd en beoordeeld. et Het Daarbij heeft het overwogen dat Cumberland gemotiveerd heeft betwist dat uit de door [eiseres] genoemde documenten wetenschap van de curator volgt, dat Cumberland
onder andereheeft aangevoerd dat de planschadevordering en de pensioenvordering niet zijn opgenomen bij de vorderingen die staan vermeld onder het kopje activa in het faillissementsverslag, en dat dit volgens Cumberland een belangrijke aanwijzing is dat de curator juist niet uitging van het bestaan van de vorderingen. Het hof heeft onmiskenbaar ook acht geslagen op de hiervoor in de alinea’s 4.47 en 4.48 weergegeven stellingen. In het licht hiervan acht ik het oordeel dat de gegevens waar [eiseres] naar verwijst, “niet eenduidig” zijn en “geen uitsluitsel geven” over de vraag of de curator bekend was, of redelijkerwijs bekend kon zijn, met de planschadevordering en de pensioenvordering en heeft beoogd de planschadevordering en de pensioenvordering aan [eiseres] over te dragen, niet onjuist of onbegrijpelijk. Het subonderdeel slaagt niet.
Onderdeel II
4.5
Het tweede onderdeel is gericht tegen de rechtsoverwegingen 3.6.3 tot en met 3.6.7 en valt uiteen in drie subonderdelen.
4.51
Subonderdeel II.1bouwt uitsluitend voort op de klachten van onderdeel I en kan op de hiervoor weergegeven gronden niet tot cassatie leiden.
4.52
Subonderdeel II.2bevat de klacht dat onjuist dan wel onbegrijpelijk is het oordeel in r.o. 3.6.5 (in samenhang met r.o. 3.6.4) dat [eiseres] te weinig heeft gesteld dan wel haar stelling “op dit punt” (lees: de stelling dat er wel objectieve gegevens zijn aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat de curator bekend was met de planschadevordering en de pensioenvordering dan wel dat hij hiermee redelijkerwijs bekend had kunnen zijn) onvoldoende heeft onderbouwd. Het subonderdeel stelt (nogmaals) dat [eiseres] erop heeft gewezen (i) dat de pensioenvoorziening van [betrokkene 1] in de jaarrekening van Triskalion was opgenomen, (ii) dat een e-mailbericht van de curator in het faillissement van Triskalion aan [betrokkene 1] is overgelegd met kopie aan de curator in het faillissement van [betrokkene 1] waarin wordt gerefereerd aan “de pensioenvoorziening”, en (iii) dat in het faillissementsverslag van 22 mei 2017 in het faillissement van [betrokkene 1] onder het kopje lopende procedures wordt verwezen naar een bezwaarschriftprocedure over een verzoek van [betrokkene 1] aan de gemeente Breda om planschadevergoeding. Het subonderdeel stelt dat uit deze vaststaande “rechtsfeiten” geen andere conclusie kan worden getrokken dan dat [eiseres] daarmee voldoende heeft onderbouwd dat de curator in het faillissement van [betrokkene 1] redelijkerwijs bekend had
kunnenzijn met de planschadevordering en de pensioenvordering. Volgens het subonderdeel getuigt het oordeel dat [eiseres] te weinig heeft gesteld dan ook van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dit oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.
4.53
Hiervoor is uiteengezet dat het hof alle gegevens waarnaar [eiseres] heeft verwezen, heeft genoemd en heeft beoordeeld. Het hof heeft geconcludeerd dat die gegevens niet eenduidig zijn, en geen uitsluitsel geven over de vraag of de curator bekend was, of redelijkerwijs bekend kon zijn, met de planschadevordering en de pensioenvordering en heeft beoogd de planschadevordering en de pensioenvordering aan [eiseres] over te dragen. Dit oordeel, zo zij herhaald, is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Bij gebreke van aanvullende objectieve gegevens kan niet worden gezegd dat het door het subonderdeel bestreden oordeel onjuist is dan wel onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. Het hof kon dan ook concluderen dat het niet aan bewijslevering toekomt. Ik herhaal in dat verband dat getuigenbewijs naar zijn aard niet worden gekwalificeerd als een objectief gegeven in de betekenis die aan dat begrip toekomt in het kader van de toetsing aan het bepaaldheidsvereiste. Voor zover het subonderdeel betoogt dat het hof [eiseres] in de gelegenheid had moeten stellen om aanvullende (objectieve) gegevens in het geding te brengen ter ondersteuning van haar standpunt, daarvoor geen toestemming van het hof nodig was. Het staat een procespartij immers vrij om in een procedure zelfstandig schriftelijke stukken te overleggen. Het subonderdeel faalt.
4.54
Subonderdeel II.3bouwt voort op het vorige subonderdeel. Nu, zo stelt het subonderdeel, het oordeel dat [eiseres] niet aan haar stelplicht heeft voldaan, niet in stand kan blijven, heeft hetzelfde te gelden voor het oordeel in r.o. 3.6.5 en 3.6.6 dat het bewijsaanbod van [eiseres] wordt gepasseerd. Indien in het oordeel besloten ligt dat (ik begrijp:) het bewijsaanbod niet ter zake dienend is, is het oordeel volgens het subonderdeel onbegrijpelijk, althans niet toereikend gemotiveerd. Indien het hof mocht hebben geoordeeld dat het bewijsaanbod niet tot een ander oordeel kan leiden, dan getuigt het oordeel volgens het subonderdeel van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het hof zich in dat geval schuldig maakt aan een verboden prognose. Het subonderdeel stelt verder dat uit het slagen van onderdeel 1 volgt dat het wel degelijk relevant is of kan zijn dat [eiseres] “objectieve omstandigheden bewijst” dat de curator ten tijde van de cessie bekend was met de planschadevordering en de pensioenvordering, omdat daarmee dan vaststaat dat die vorderingen door middel van cessie zijn overgegaan op [eiseres] en het hof miskent dat daarvoor geen nadere of andere objectieve gegevens noodzakelijk zijn om die vorderingen vast te stellen.
4.55
Het subonderdeel slaagt niet in het licht van hetgeen hiervoor bij de bespreking van de subonderdelen I.1 en II.2 is overwogen. Alleen aan de hand van ‘objectieve gegevens’ kan, eventueel achteraf, worden vastgesteld welke vorderingen zijn overgedragen. Bewijs dat wordt verkregen door het horen van de curator over wat hij wist of wat hem destijds “redelijkerwijs bekend had kunnen zijn,” kan niet worden gekwalificeerd als een objectief gegeven. Hoewel het hof niet met zoveel woorden in r.o. 3.6.6 oordeelt dat het horen van de curator “niet terzake dienend is,” komt het oordeel van het hof daar in wezen wel op neer. Dat oordeel is gelet op het voorgaande niet onjuist of onbegrijpelijk.
Onderdeel III
4.56
Het derde onderdeel bouwt uitsluitend voort op de klachten van de hiervoor besproken onderdelen. Het onderdeel bevat geen klacht die afzonderlijke bespreking behoeft.
Slotsom
4.57
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat geen van de middelonderdelen slaagt.

5.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Hof ’s-Hertogenbosch 21 januari 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:117,
2.In die renvooiprocedure heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch eveneens op 21 januari 2025 arrest gewezen (ECLI:NL:GHSHE:2025:116). Tegen dat arrest heeft [eiseres] cassatieberoep ingesteld (procedure met zaaknummer 25/01509).
3.Zie voor de stellingen het eindvonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 november 2022, r.o. 3.2.
4.Zie voor het verweer het eindvonnis van 23 november 2022, r.o. 3.3.
5.Rechtbank Zeeland-West-Brabant 23 november 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:6971.
6.Een deel van het hieronder weer te geven kader is ontleend aan de Conclusies (ECLI:NL:PHR:2019:845 en ECLI:NL:PHR:2019:1175) van A-G Rank-Berenschot voor HR 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1841,
7.Art. 3:84 lid 2 BW Pro spreekt van de omschrijving bij de titel. Algemeen wordt aangenomen dat dit (ook) betekent dat het over te dragen goed bij de levering in voldoende mate moet zijn bepaald, zodat duidelijk is welk goed de vervreemder door levering aan de verkrijger wil overdragen. Zie:
10.HR 14 oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1488,
11.Zie: HR 16 juni 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1759,
13.HR 4 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6165,
14.Zie HR 20 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7842,
15.HR 20 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7842,
16.In de pandakte was het volgende bepaald (zie r.o. 3.1 onder v. van het arrest): “De pandgever verklaart bij deze aan u te verpanden, (…) alle ten tijde van ondertekening van de pandlijst bestaande rechten/vorderingen van de pandgever en alle rechten/vorderingen van de pandgever en alle rechten/vorderingen die worden verkregen uit ten tijde van de ondertekening van de pandlijst bestaande rechtsverhoudingen tussen de pandgever en derden, zoals deze onder meer blijken uit de administratie, correspondentie of andere gegevens van de pandgever, daaronder begrepen intercompany-vorderingen en vorderingen in rekening-courant.”
17.HR 3 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT6947,
18.Zie voor auteursrechten op software: HR 20 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3381,
19.HR 20 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:AG7248,
20.HR 16 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4602,
21.HR 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1841,
22.HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:590,
23.De weergave van feiten en procesverloop zijn gemakshalve ontleend aan de
24.HR 16 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4602 (De Liser de Morsain/Rabobank), rov. 4.4.
25.HR 14 oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1488 (Spaarbank Rivierenland/Gispen q.q.), rov. 4.2.
26.HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:590,
27.Vgl. S.J.L.M. van Bergen, ‘Onbepaalde partijbedoelingen in pandakten’,
28.Respectievelijk Verstijlen in zijn
29.Van Bergen: “Slechts waar de akte ziet op de omschrijving van het pandobject geldt – vanwege het bepaaldheidsvereiste – een objectieve uitlegnorm”. Zie S.J.L.M. van Bergen, ‘Onbepaalde partijbedoelingen in pandakten’,
30.Als ik het goed zie, sluit mijn analyse nauw aan op de waarneming van Verstijlen in zijn
31.HR 20 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:AG7248,
32.Vgl. Verstijlen in zijn
33.Ik betrek daarbij dat de Hoge Raad in het arrest heeft geoordeeld dat het hof terecht voorbij is gegaan aan de stelling dat de partijen bij de pandakte hebben beoogd met die akte ook de desbetreffende vordering te verpanden en daarover als getuige kunnen verklaren (zie r.o. 3.4).
35.Ik zie een zekere parallel met de verhouding tussen uitleg en kwalificatie. Vgl. HR 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1746,
36.Ik merk volledigheidshalve nog op dat ik hier
37.S.J.L.M. van Bergen,
38.K.J. Krzemiński en J.P. van der Klein, ‘Uitleg en bepaaldheid’,
39.Ik merk op dat het onderdeel aan het begin stelt dat het is gericht tegen de rechtsoverwegingen 3.6.2, 3.6.3 en 3.6.4. In het vervolg worden echter ook de opvolgende rechtsoverwegingen 3.6.5 tot en met 3.6.7 geciteerd en wordt geklaagd dat alle oordelen – waarbij de afzonderlijke alinea’s binnen rechtsoverwegingen en rechtsoverwegingen die één alinea bevatten worden aangeduid met een letter – blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting, althans onvoldoende (begrijpelijk) zijn gemotiveerd (procesinleiding, p. 3 onderaan). Als ik het goed zie, worden tegen de uitdrukkelijk genoemde r.o. 3.6.2 geen klachten gericht. Ik neem hieronder de aanduiding door het middel van de afzonderlijke alinea’s met letters niet over.
40.J.J. Rekker,
41.Op p. 5 (bovenaan) van de procesinleiding stelt het subonderdeel alleen dat de overwegingen in de laatste twee alinea’s “niet relevant” zijn: “de akte zelf hoeft geen objectieve gegevens over een specifieke vordering te bepalen maar kan ook een generieke aanduiding zijn.”
42.Zie in dat verband voor de klacht met name de volgende passage op p. 6 van de procesinleiding: “Net als dat achteraf aan de hand van boekhouding een vordering kan worden aangetoond kan dit ook door aan te tonen dat een curator op de hoogte was van een vordering of dat had kunnen zijn. Dat is net zo goed voldoende bepaalbaar. Blijkens onder meer het oordeel [in r.o. 3.6.5 en 3.6.6] acht het hof niet van belang dat door het horen van getuigen kan worden vastgesteld of de curator ten tijde van de cessie bekend was met de planschadevordering en de pensioenvordering, omdat dit volgens het hof niet betekent dat sprake is van objectieve gegevens aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat de curator bekend was met de planschadevordering en de pensioenvordering dan wel dat hij hiermee redelijkerwijs bekend had kunnen zijn. Aldus geeft het hof dus blijk van een te strenge, althans onjuiste maatstaf met betrekking tot de bepaalbaarheid […], nu een dergelijke vordering ook voldoende bepaald is als vast komt te staan dat de curator ten tijde van de cessie de vorderingen kende of had kunnen kennen. Dat is achteraf voldoende objectief bepaalbaar.”
43.Vgl. hetgeen hiervoor in alinea 4.17 is opgemerkt.
44.Ik merk op dat het subonderdeel niet verwijst naar stellingen in de processtukken waar een nadere toelichting wordt gegeven of naar een ander stuk dat als een aanvullend gegeven kan worden aangemerkt.
45.Het hof overweegt dat het gaat om een e-mail van de curator in het faillissement van
46.Spreekaantekeningen mr. Meuleman ten behoeve van de mondelinge behandeling van 9 september 2024, onder 17.