Conclusie
1.Inleiding
2.Het eerste middel
[verdachte], in welke zaak het gerechtshof Den Haag op 8 november 2023 arrest heeft gewezen.
- Art. 326 lid 1 Sv Pro, dat ingevolge art. 415 lid 1 Sv Pro tevens in hoger beroep van toepassing is:
“1. De griffier houdt het proces-verbaal der terechtzitting, waarin achtereenvolgens aanteekening geschiedt van de in acht genomen vormen en van al hetgeen met betrekking tot de zaak op de terechtzitting voorvalt.”
- Art. 327 Sv Pro, dat ingevolge art. 415 lid 1 Sv Pro tevens in hoger beroep van toepassing is:
“Het proces-verbaal wordt door den voorzitter of door een der rechters, die over de zaak heeft geoordeeld, en den griffier vastgesteld en zoo spoedig mogelijk na de sluiting van het onderzoek ter terechtzitting en in elk geval binnen den in het eerste lid van artikel 365 vermelden Pro termijn onderteekend. Voor zoover de griffier tot een en ander buiten staat is, geschiedt dit zonder zijne medewerking en wordt van zijne verhindering aan het slot van het proces-verbaal melding gemaakt.”
- Art. 425 lid Pro 1, 2 en 3, aanhef en onder c Sv:
“1. Degene die zitting heeft in een enkelvoudige kamer als bedoeld in artikel 411, tweede lid, heeft de bevoegdheden die aan de voorzitter van de meervoudige kamer toekomen.
2. De enkelvoudige kamer geeft na sluiting van het onderzoek op de terechtzitting hetzij onmiddellijk hetzij diezelfde dag op een door haar bij de sluiting van het onderzoek te bepalen uur mondeling arrest.
3. Het arrest wordt in het proces-verbaal van de terechtzitting aangetekend op de wijze door Onze Minister van Veiligheid en Justitie te bepalen:
(…)
c. indien een gewoon rechtsmiddel tegen het arrest wordt aangewend;”
“1. Behoudens artikel 425, derde lid, en indien er schriftelijk arrest wordt gewezen, blijft het opmaken van een proces-verbaal van de terechtzitting achterwege en wordt de uitspraak binnen twee maal vier en twintig uur op een aan de kopie van de dagvaarding te hechten stuk aangetekend. De aantekening wordt door de enkelvoudige kamer gewaarmerkt.”
welhet belang van de verdachte bij cassatie in zijn beoordeling betrekt. Wanneer sprake is van bijzondere omstandigheden die de niet-naleving van de voorschriften in art. 326 en Pro 327 Sv kunnen verklaren, lijkt de Hoge Raad dus enige ruimte te bieden om het belang van de verdachte bij vernietiging van de bestreden uitspraak en een nieuwe feitelijke behandeling in de beoordeling van het middel te betrekken. Is er én sprake van bijzondere omstandigheden én is geen belang bij cassatie gesteld of gebleken, dan lijkt nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak achterwege te kunnen blijven.