Conclusie
1.Overzicht
Inleiding
Middel 1richt zich tegen het oordeel dat de ex-rental status van de auto niet tot een waardevermindering leidt. Het middel voert aan dat het Hof de jurisprudentie van de Hoge Raad miskent.
Middel 2komt op tegen het oordeel over de meer dan normale gebruiksschade,
middel 3tegen het oordeel over de invloed van de afwijkende CO2-uitstoot op de handelsinkoopwaarde en
middel 4tegen het oordeel over het ontbreken van een oordeel van de RDW over de tellerstand.
onderdeel 2schets ik de feiten en het geding in feitelijke instanties en in
onderdeel 3het verloop van het geding in cassatie. In
onderdeel 4beoordeel ik achtereenvolgens de diverse middelen.
middel 1slaagt, omdat de situatie van belanghebbende gelijk is aan de situatie die aan de orde was in het arrest van de Hoge Raad 17 november 2023 [1] . Verwijzing moet volgen om belanghebbende in de gelegenheid te stellen bewijs te leveren dat de door haar voorgestane waardevermindering niet reeds (gedeeltelijk) in de koerslijst van Autotelex is verwerkt.
middelen 2 en 4falen. Zij lenen zich mijns inziens voor afdoening met toepassing van art. 81(1) Wet RO.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
3.Het geding in cassatie
Beroepschrift in cassatie
middel 1merkt de Staatssecretaris op dat het oordeel van het Hof over de ‘ex rental’ status geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en als verweven met waarderingen van feitelijke aard in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Een taxateur mag bij zijn waardeschatting wel een vermindering toepassen vanwege het huurverleden van de desbetreffende auto, ook indien de door hem gehanteerde koerslijst daarin niet voorziet. Blijkens het taxatierapport heeft de door belanghebbende ingehuurde taxateur van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt; hij heeft enkel de algemene post ‘afleverkosten klaar maken huurauto’ in mindering gebracht. Het middel dient naar de mening van de Staatssecretaris te worden verworpen.
middel 3verweert de Staatssecretaris dat het oordeel dat belanghebbende niet is geslaagd in haar bewijslast dat de afwijkende CO2-uitstoot geen invloed heeft op de handelsinkoopwaarde, berust op de aan het Hof voorbehouden waardering van de bewijsmiddelen. Verder merkt de Staatssecretaris op dat de Belastingdienst naar aanleiding van het arrest van 22 december 2023 bij lopende procedures een hogere afschrijving accepteert, indien zij met beroep op dit arrest wordt bepleit op grond van een hogere CO2-uitstoot van het in te schrijven voertuig. Als in voornoemde gevallen de hoogte van de handelsinkoopwaarde tussen partijen al vaststond, wordt deze niet verhoogd indien dit enkel het gevolg zou zijn van de verhoging van de CO2-uitstoot. Het onderhavige geval valt ook hieronder. Derhalve slaagt het middel volgens de Staatssecretaris op de door hem gegeven aanvullende gronden.
middel 4bestreden oordeel is naar de mening van de Staatssecretaris van feitelijke aard, waardoor het in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst. Het oordeel is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het middel wordt dus tevergeefs voorgesteld.