ECLI:NL:PHR:2026:128

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
25/01400
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:267 BWArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen medehuurderschap voor mantelzorgende zoon wegens ontbreken duurzame gemeenschappelijke huishouding

Moeder huurt sinds 1985 een zelfstandige woonruimte. Haar volwassen zoon keerde in 2019 vanuit Zuid-Afrika terug om als mantelzorger bij haar te wonen vanwege haar dementie. Zij vroegen medehuurderschap aan, maar de verhuurder weigerde dit. De kantonrechter kende het medehuurderschap toe, maar het hof vernietigde dit en wees de vordering af op grond van artikel 7:267 lid 3 sub a BW Pro.

Het hof oordeelde dat er geen duurzame gemeenschappelijke huishouding was omdat de samenwoning vooral gericht was op de verzorging van moeder door zoon, waardoor wederkerigheid ontbrak. Ook was er geen intentie tot een blijvende en toekomstgerichte samenwoning. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst erop dat mantelzorg op zich niet automatisch leidt tot een duurzame gemeenschappelijke huishouding.

De Hoge Raad benadrukt dat voor medehuurderschap meer nodig is dan alleen financiële verwevenheid en verzorging; wederkerigheid en de bedoeling van samenwoning zijn cruciaal. Het cassatieberoep van moeder en zoon wordt verworpen, waarmee het hofvonnis in stand blijft.

Uitkomst: De Hoge Raad wijst het verzoek tot medehuurderschap af wegens het ontbreken van een duurzame gemeenschappelijke huishouding.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/01400
Zitting30 januari 2026
CONCLUSIE
G.R.B. van Peursem
In de zaak
1. [moeder] ,
2. [zoon] ,
eisers tot cassatie
tegen
Stichting Woonbedrijf SWS HHVL,
verweerster in cassatie
Partijen worden hierna verkort aangeduid als enerzijds [moeder] en [zoon] anderzijds als Woonbedrijf, of Verhuurder.
Voerden Moeder en Zoon een duurzame gemeenschappelijke huishouding, zodat Zoon aanspraak kan maken op medehuurderschap volgens art. 7:267 lid 1 BW Pro? Zoon is in april 2019 vanuit Zuid-Afrika teruggekeerd naar Nederland en bij zijn ruim 80 jaar oude dementerende moeder ingetrokken als mantelzorger. Een jaar later heeft Moeder een indicatiebesluit gekregen voor ‘Beschermd wonen met intensieve dementiezorg (24-uurszorg)’. Bij brief van 28 september 2021 hebben Moeder en Zoon aan Verhuurder verzocht om aan Zoon het medehuurderschap van de woning toe te kennen, omdat zij een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerden. Verhuurder heeft dit verzoek afgewezen, waarna Moeder en Zoon begin 2022 deze procedure zijn gestart. Moeder staat sinds mei 2023 op het adres van een verzorgingstehuis ingeschreven.
De kantonrechter heeft de vordering toegewezen, maar het hof kwam tot een ander oordeel en wees de vordering af op grond van art. 7:267 lid 3 onder Pro a BW. Volgens het hof was de samenwoning puur gericht op de verzorging van Moeder door Zoon. Hierdoor ontbrak een voldoende mate van wederkerigheid in de samenwoning. Daarnaast hadden partijen ook niet de bedoeling om duurzaam met elkaar samen te wonen. Tegen dit oordeel komen Moeder en Zoon in cassatie op. Ik zie de cassatiepoging geen doel treffen.
1.Feiten [1]
1.1 Moeder huurt sinds 1 maart 1985 een zelfstandige woonruimte (hierna: de woning) van Verhuurder.
1.2 Zoon woonde tot april 2019 in Zuid-Afrika en had daar een eigen woning. Omdat bij Moeder de diagnose dementie was vastgesteld is Zoon in april 2019 teruggekeerd naar Nederland. Zoon is bij Moeder ingetrokken om voor haar te kunnen zorgen. Hij staat sinds 15 april 2019 ingeschreven op het adres van de woning.
1.3 Op 14 mei 2020 heeft het CIZ (Centrum Indicatiestelling Zorg) ten behoeve van Moeder een indicatiebesluit genomen voor ‘Beschermd wonen met intensieve dementiezorg (24-uurszorg), zorgzwaartepakket 5’.
1.4 Bij brief van 28 september 2021 hebben Moeder en Zoon aan Verhuurder verzocht om aan Zoon het medehuurderschap van de woning toe te kennen. Bij deze brief zat, als bijlage 9, een door Zoon opgesteld “
Overzicht mantelzorgtaken”. In dit overzicht schrijft Zoon:
“Vanaf 15 april 2019 sta ik ingeschreven op adres: [adres] .
Mijn [moeder] heeft de diagnose dementie, zie bijlage. In het proces wat daaraan voorafging had mijn moeder al veel ondersteuning en begeleiding nodig van mij. Zonder mijn hulp kan ze niet zelfstandig blijven wonen. Haar wens is om zo lang mogelijk thuis te blijven wonen. Door inwoning van mij kan ik aan haar wens voldoen. Zorg- en begeleidingstaken die ik dagelijks verricht zijn:
*
Persoonlijke verzorging(zorg aan het lijf)
Zuidzorg 3 uur per week voor de persoonlijke verzorging. Overige taken aan persoonlijke verzorging voer ik gedurende de dag uit voor mijn moeder. Ik houd toezicht op de medicatie van mijn moeder dat is 4x daags en ik reik deze ook aan haar uit.
*
Eten en drinken
Ik doe de boodschappen en zorg dagelijks voor ontbijt, broodmaaltijd en een verse warme maaltijd. Het is belangrijk dat mijn moeder goed eet. Daar moet toezicht op zijn.
*
Hond uitlaten
Voorheen kon mijn moeder haar hond uitlaten. Sinds de diagnose dementie is het niet verantwoord dat mijn moeder zelfstandig haar hond uit laat. Dat neem ik 4x daags over van haar.
*
Boodschappen
Ik doe de boodschappen omdat mijn moeder niet zelfstandig de deur uit kan. Als ik de deur uit ga regel ik een familielid die bij mijn moeder blijft. Ze kan maximaal60 minuten alleen zijn.
*
Afspraken buiten de deur
Voor afspraken buiten de deur ga ik altijd als begeleider mee voor mijn moeder. Ze kan dit niet alleen. Wekelijks bezoeken van het kerkhof in Eindhoven en Helmond, ziekenhuis huisarts, fysio, familiebezoekjes etcetera [sic].
*
Wassen/strijken
Ik neem alle taken over met betrekking tot wassen en strijken.
*
Administratie
Ik verzorg voor mijn moeder de volledige (financiële) administratie.
*
Huishoudelijke hulp
Per mei 2020 is er huishoudelijke hulp. Zij poetsen wekelijks 2 uur. De overige huishoudelijke taken doe ik zelf.
*
Nachtzorg
Mijn moeder komt ’s nachts een aantal keren uit bed. Ze kan dan de lichtschakelaar niet vinden. Ze heeft mijn hulp nodig om weer naar bed te gaan.
Alle zorg- en begeleidingsuren per dag opgeteld kom ik uit op achttien uur per dag.”
1.5 Bij brief van 12 oktober 2021 heeft Verhuurder het verzoek van Moeder en Zoon afgewezen.
1.6 Moeder staat sinds mei 2023 op het adres van een verzorgingstehuis ingeschreven.
2.Procesverloop [2]
2.1 Moeder en Zoon vorderen in deze zaak dat de rechter bepaalt dat sprake is van medehuurderschap in de zin van art. 7:267 lid 1 BW Pro.
2.2 Volgens Verhuurder is geen sprake van een duurzame gemeenschappelijke huishouding, is de strekking van de procedure alleen om Zoon op korte termijn medehuurder te maken en biedt Zoon onvoldoende financiële waarborgen (art. 7:267 lid 3 onder Pro a, b en c BW).
2.3 De kantonrechter wijst toe en bepaalt dat Zoon met ingang van 2 november 2021 samen met Moeder medehuurder is van de woning [3] . Volgens de kantonrechter is wederkerigheid in de samenleving geen eis die uit art. 7:267 BW Pro of de rechtspraak voortvloeit en is niet gebleken dat Moeder binnen afzienbare tijd zal overlijden, of van andere feiten of omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat niet een blijvende en op de toekomst gerichte samenwoning is beoogd. Volgens de kantonrechter staat als onvoldoende door Verhuurder weersproken vast dat Moeder en Zoon beiden aan de vaste lasten (behalve de huur) bijdragen, zodat sprake is van een duurzame en gemeenschappelijke huishouding.
2.4 Woonbedrijf is daartegen met negen grieven in appel gekomen, Moeder en Zoon hebben daar verweer tegen gevoerd.
2.5 Het hof beslist anders en vernietigt het vonnis, omdat volgens het hofoordeel geen sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding in de zin van art. 7:267 lid 3 onder Pro a BW. Het hof heeft daartoe, voor zover in cassatie relevant, als volgt overwogen:

Grieven 3 & 4 en 5 & 6
5.5. De grieven 3 & 4 en 5 & 6 lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Met deze grieven bestrijdt [Verhuurder] dat (anders dan de kantonrechter heeft geoordeeld) sprake is van een duurzame gemeenschappelijke (financiële) huishouding met een voldoende mate van wederkerigheid.
5.6. Voor toewijzing van de vordering van [Moeder] en [Zoon] is – onder meer – noodzakelijk dat zij een duurzame gemeenschappelijke huishouding hebben (artikel 7:267 lid 3 sub Pro a. BW). Ten aanzien van de gemeenschappelijkheid van de huishouding rust op de huurder en medebewoner (in dit geval [Moeder] en [Zoon]) een verzwaarde stelplicht. Ten aanzien van de duurzaamheid van de gemeenschappelijke huishouding geldt geen verzwaarde stelplicht. Of de gezamenlijke huishouding ook duurzaam is moet beantwoord worden aan de hand van zowel objectieve als subjectieve factoren (Hoge Raad 10 maart 2006, NJ 2006/419).
5.7. Hoewel de wederkerigheid in de relatie (zoals de kantonrechter terecht heeft overwogen) geen expliciete eis is van artikel 7:267 BW Pro, speelt de wederkerigheid voor de bepaling van de duurzaamheid als objectieve factor wel degelijk een rol van betekenis (vgl. Hoge Raad 17 januari 2014, ECLI: NL:HR:2014:93). Een subjectieve factor die van belang is, is de bedoeling van huurder en medebewoner.
5.8. Het hof is van oordeel dat, gezien wat in deze procedure kan worden vastgesteld over de wederkerigheid en over de bedoeling van [Moeder] en [Zoon] – in hun onderlinge samenhang bezien – geen sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding als bedoeld in artikel 7:267 BW Pro. Het baseert zijn oordeel op de volgende gronden.
Wederkerigheid
5.9. Met betrekking tot de wederkerigheid hebben [Moeder] en [Zoon] gesteld dat sprake is van financiële wederkerigheid omdat beiden bijdragen aan de kosten van het huishouden. Verder hebben zij gesteld dat “
elkaars aanwezigheid” onderdeel vormt van de wederkerigheid. Zij “
delen de maaltijden met elkaar” en [Zoon] “
vergezelt [moeder] als zij buitenhuis gaat”. [4] In de brief van 1 november 2021 van hun advocaat aan [Verhuurder] (productie 1 bij dagvaarding in eerste aanleg) hebben [Moeder] en [Zoon] bovendien gesteld dat zij “
gezamenlijk en op grond van een afgesproken verdeling alle huishoudelijke taken” verrichten.
5.10. [Verhuurder] heeft betwist dat sprake is van voldoende wederkerigheid in de relatie. Volgens [Verhuurder] kan uit wat [Moeder] en [Zoon] over de verdeling van de kosten hebben gesteld (en de stukken die zij daarbij hebben overgelegd), niet worden afgeleid dat [Zoon] daadwerkelijk en in voldoende mate financieel bijdraagt aan de kosten van de huishouding. Daarnaast heeft [Verhuurder] betwist dat [Moeder] en [Zoon] gezamenlijk alle huishoudelijke taken verrichten. [Verhuurder] heeft daarbij gewezen op de inhoud van het indicatiebesluit van CIZ en het door [Zoon] opgestelde “Overzicht mantelzorgtaken”.
5.11. Het hof bespreekt eerst de wederkerigheid van niet-financiële aard. Vaststaat dat [Moeder], al voordat [Zoon] vanuit Zuid-Afrika naar Nederland terugkeerde, aan dementie leed en dat zij, zonder de zorg door anderen niet (lang) meer in haar eigen woning zou kunnen blijven wonen. Zowel in de al eerder genoemde brief van 1 november 2021, als ter zitting in eerste aanleg [5] en ter zitting in hoger beroep [6] is door (de advocaat van) [Zoon] immers steeds verklaard dat het doel van zijn terugkeer was om voor [Moeder] te zorgen, opdat zij zo lang mogelijk in haar eigen woning zou kunnen blijven wonen.
5.12. Dat de dementie in april 2019 al in een gevorderd stadium was, wordt daarnaast ondersteund door het indicatiebesluit van 14 mei 2020 (…). Dit indicatiebesluit dateert van nauwelijks meer dan één jaar na [Zoons] terugkeer. Zeker in combinatie met de hiervoor aangehaalde verklaringen van (de advocaat van) [Zoon] maakt de zwaarte van wat in het indicatiebesluit wordt vastgesteld (Beschermd wonen met intensieve dementiezorg (24-uurszorg), zorgzwaartepakket 5) daarom sterk aannemelijk dat [Moeder] al bij de terugkeer van [Zoon] niet goed meer in staat was om adequaat voor zichzelf te zorgen. [Moeder] was dus al vanaf het begin van de samenwoning op de hulp van [Zoon] aangewezen.
5.13. Hoewel in hoger beroep niet met zoveel woorden herhaald, hebben [Moeder] en [Zoon] – bij monde van hun advocaat – in meergenoemde brief van 1 november 2021 en ook nog in eerste aanleg, ter zitting bij de kantonrechter [7] , uitdrukkelijk gesteld dat zij gezamenlijk de huishoudelijke taken uitvoeren. Deze voorstelling van taakverdeling staat in schril contrast met het door [Zoon] zelf opgestelde “Overzicht mantelzorgtaken” (…). Uit dit overzicht blijkt namelijk dat [Zoon] alle huishoudelijke taken volledig voor zijn rekening neemt, zonder dat [Moeder] daar ook maar enige bijdrage aan levert. De verklaring ter zitting van de kantonrechter staat naar het oordeel van het hof dan ook op gespannen voet met artikel 21 Rv Pro. (de verplichting voor partijen om de feiten volledig en naar waarheid aan te voeren). Omdat deze stelling in hoger beroep niet zo uitdrukkelijk is herhaald, zal het hof het bij deze constatering laten en er verder geen gevolgen aan verbinden.
5.14. Gezien het voorgaande is in deze samenwoning naar het oordeel van het hof geen sprake van (niet financiële) wederkerigheid. Er is geen situatie dat [Moeder] en [Zoon]
elkaarhelpen en steunen. [Zoon] is de verzorger van [Moeder] en [Moeder] de verzorgde, die gewoon niet zonder die zorg kan. Van enige daadwerkelijke actieve bijdrage aan de samenwoning door [Moeder] blijkt niets. Dat [Moeder] en [Zoon] “
in elkaars aanwezigheid” verkeren en “
de maaltijden met elkaar” delen maakt dit niet anders. Ook dat [Zoon] [Moeder] “
vergezelt” als zij buitenshuis gaat (zoals door [Moeder] en [Zoon] gesteld bij memorie van antwoord) brengt geen wederkerigheid in de relatie. [Moeder] kan immers niet anders naar buiten dan met en door de hulp van [Zoon] (zo schrijft [Zoon] in het “Overzicht mantelzorgtaken”). Ook in dit element valt geen wederkerigheid te herkennen. [Zoon] noemt zichzelf daarbij ook “begeleider”. En dat is wat hij is: een begeleider: geen “metgezel”.
5.15. Met betrekking tot de gestelde wederkerigheid hebben [Moeder] en [Zoon] enkel een bewijsaanbod gedaan dat ziet op de financiële verwevenheid tussen hen. Ten aanzien van wederkerigheid van niet financiële aard hebben [Moeder] en [Zoon] geen bewijsaanbod gedaan. Het hof ziet geen aanleiding om ambtshalve bewijs op te dragen.
5.16. Gezien het voorgaande gaat het hof aan de stellingen van partijen over de (mate van) financiële verwevenheid en -wederkerigheid voorbij. Zelfs als veronderstellenderwijs wordt uitgegaan van een evenredige verdeling van de kosten van de huishouding, maakt dit nog niet dat per definitie ook sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding als bedoeld in artikel 7:267 BW Pro. Financiële verwevenheid kan een indicatie zijn van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. In een situatie zoals hierboven geschetst – waar verder elke andere vorm van wederkerigheid ontbreekt – is het uitsluitend gezamenlijk op enige wijze bijdragen aan de kosten van de huishouding op zichzelf echter onvoldoende om van een duurzame gemeenschappelijke huishouding te spreken. Daarvoor is meer nodig dan louter een bepaalde mate van financiële verwevenheid. Dat meerdere is wat in dit geval ontbreekt.
De bedoeling van [Moeder] en [Zoon]
5.17. Met betrekking tot hun bedoeling met de samenwoning hebben [Moeder] en [Zoon] steeds gesteld dat zij niet willen dat [Moeder] in een verpleeghuis zou gaan wonen en dat de samenwoning “
juist (...) met dit doel” is gestart.
5.18. Niets wijst erop dat [Moeder] en [Zoon] ook zouden zijn gaan samenwonen als dat niet voor voortdurend verblijf door [Moeder] in de woning noodzakelijk was geweest.
5.19. En ook dat [Moeder] en [Zoon] zouden zijn blijven samenwonen als de verzorging door [Zoon] niet meer nodig zou zijn, blijkt nergens uit. Integendeel; ter zitting bij de kantonrechter heeft [Zoon] verklaard: “
Ik ben vanuit Afrika teruggekomen. Ik ben 60 jaar. Ik hoop dat ze[Moeder]
nog 20 jaar leeft,maar eerder terug naar Afrika te gaan zit er niet meer in[onderstreping: hof].” Uit deze verklaring blijkt dat [Zoon] uitgaat van een terugkeer naar Afrika, maar dat pas kan als hij niet meer voor [Moeder] hoeft te zorgen. Dit past ook bij de overige verklaringen van [Zoon], dat hij omwille van de zorg voor zijn moeder is teruggekomen.
5.20. Dat [Zoon] en [Moeder] de bedoeling hadden om een blijvende en op de toekomstgerichte samenwoning aan te gaan en [Zoon] niet enkel omwille van de verzorging van [Moeder] bij [Moeder] is gaan inwonen, kan niet worden vastgesteld.
5.21. Ook met betrekking tot de bedoeling van [Moeder] en [Zoon] hebben zij geen bewijsaanbod gedaan en het hof ziet ook hier geen aanleiding om ambtshalve bewijs op te dragen.
Conclusie
5.22. Het hof stelt voorop dat het de bereidheid bij [Zoon] en de inspanningen die hij doet of heeft gedaan, om de uiterst intensieve zorg voor zijn zwaar zorgbehoevende moeder op zich te nemen lovenswaardig vindt. Maar dat neemt niet weg dat, zowel het ontbreken van een voldoende mate van wederkerigheid, als de bedoeling die [Moeder] en [Zoon] kennelijk met de samenwoning hadden (zeker in hun onderlinge samenhang bezien) tot het oordeel leiden, dat geen sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding als bedoeld in artikel 7:267 BW Pro. Daarmee wordt dus niet voldaan aan de voorwaarden voor toewijzing van de vordering van [Moeder] en [Zoon]. De overige grieven kunnen als gevolg van dit oordeel onbesproken blijven.
5.23. Het hof zal het vonnis van de kantonrechter vernietigen en de vorderingen van [Moeder] en [Zoon] alsnog afwijzen.”

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het middel bestaat uit drie onderdelen.
Onderdeel 1(‘het meerdere’) bevat na een inleiding zonder uitgewerkte klachten twee subonderdelen en is (primair) gericht tegen het oordeel in rov. 5.16: voor een gemeenschappelijke huishouding is meer nodig dan louter financiële wederkerigheid en dat meerdere ontbreekt hier.
Onderdeel 2(‘bewijs’) bestrijdt het oordeel in rov. 5.15 dat Moeder en Zoon geen bewijsaanbod hebben gedaan dat ziet op wederkerigheid in niet-financiële zin.
Onderdeel 3(‘bedoeling’) richt in twee subonderdelen verschillende klachten tegen het oordeel in rov. 5.17-5.20 dat niet kan worden vastgesteld dat Moeder en Zoon de bedoeling hadden om een blijvende en toekomstgerichte samenwoning aan te gaan en Zoon niet alleen vanwege de verzorging van zijn moeder bij haar is gaan wonen. Het middel eindigt onder
Slotsommet een louter voortbouwende klacht.
Art. 7:267 BW Pro en de eis van een duurzame gemeenschappelijke huishouding [8]
3.2
Art. 7:267 BW Pro bevat een regeling waardoor een medebewoner, die met de huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft, als medehuurder kan worden aangemerkt. Deze bepaling beoogt zo’n medebewoner bescherming te bieden voor het geval de huurovereenkomst met de huurder eindigt [9] . Huurder en medebewoner die aan bepaalde voorwaarden voldoen, kunnen de verhuurder verzoeken dat de medebewoner ook medehuurder zal zijn. Stemt de verhuurder hier niet mee in, dan kunnen huurder en medebewoner gezamenlijk de rechter verzoeken te bepalen dat de medebewoner met ingang van een in het vonnis te bepalen tijdstip medehuurder zal zijn. Lid 3 geeft een (limitatieve [10] ) opsomming van de afwijzingsgronden voor de rechter:
“De rechter wijst de vordering bedoeld in lid 1 slechts af:
a. indien de persoon bedoeld in lid 1 niet gedurende tenminste twee jaren in de woonruimte zijn hoofdverblijf heeft en met de huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft;
b. indien, mede gelet op hetgeen is komen vast te staan omtrent de gemeenschappelijke huishouding en de tijdsduur daarvan, de vordering kennelijk slechts de strekking heeft de persoon bedoeld in lid 1 op korte termijn de positie van huurder te verschaffen;
c. indien de persoon bedoeld in lid 1 vanuit financieel oogpunt onvoldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huur.”
3.3
In cassatie is alleen grond a. nog van belang, zodat gronden b. en c. onbesproken kunnen blijven.
3.4
De vraag of de samenwoner zijn hoofdverblijf in de woonruimte heeft, is sterk feitelijk van aard [11] . Vanwege de functie van het begrip hoofdverblijf in het huurrecht, is niet doorslaggevend waar iemand formeel woonplaats heeft gekozen en het woonplaatsbegrip van art. 1:10 BW Pro is ook niet maatgevend [12] . Het hoofdverblijf is volgens een al oud, maar nog steeds richtinggevend arrest ‘
de plaats, waar iemand werkelijk woont met zijn gezin, waar hij den zetel zijner fortuin heeft, zijne zaken behartigt, zijne goederen en eigendommen beheert, zoodat men er niet vandaan gaat dan met een bepaald doel en voor een bepaalden tijd, en tevens met het plan om als dat doel bereikt is terug te keeren [13] . Op deze invulling van het begrip hoofdverblijf wordt in de rechtspraak nog steeds teruggegrepen [14] . In de onderhavige zaak is niet in geschil dat Zoon al ten minste twee jaar zijn hoofdverblijf had in het gehuurde; het gaat om de te onderscheiden verdere elementen (i) gemeenschappelijke huishouding, die (ii) duurzaam moet zijn [15] .
3.5
Het enkele feit dat de mede- of samenwoner onder hetzelfde dak met de huurder samenwoont, is niet voldoende voor de bescherming waartoe art. 7:267 lid 1 BW Pro strekt: er moet sprake zijn van een
gemeenschappelijkehuishouding [16] . Het kan daarbij gaan om een affectieve relatie, maar het is niet vereist dat er ‘lotsverbondenheid’ bestaat tussen de huurder en de samenwoner [17] . Er kan ook sprake zijn van een (duurzame) gemeenschappelijke huishouding tussen familieleden of vrienden, zonder dat sprake is van een affectieve relatie.
3.6
Voor de beoordeling of sprake is van een gemeenschappelijke huishouding moeten volgens vaste rechtspraak alle omstandigheden van het geval in onderling verband worden gewaardeerd [18] . Daarbij kan mede van belang zijn of de huurder en de samenwoner gezamenlijk voorzien in de kosten van de huisvesting, de kosten van levensonderhoud en of de samenwoner de verzorging van de huurder duurzaam op zich neemt. Het delen van de huisvestingskosten of de kosten van levensonderhoud zijn echter geen voorwaarden voor het bestaan van een (duurzame) gemeenschappelijke huishouding [19] . Naast de mate waarin de samenwoner en de huurder de kosten voor huisvesting en/of levensonderhoud delen, worden in de literatuur nog andere factoren genoemd die kunnen bijdragen tot het aannemen van een gemeenschappelijke huishouding, zoals het feitelijk gebruik van (onderdelen van) het gehuurde door de samenwoner en de huurder, de mate waarin zij gezamenlijk huishoudelijke taken verrichten, of zij gezamenlijk de maaltijden gebruiken en in hoeverre zij gezamenlijk hun vrije tijd doorbrengen en deelnemen aan het sociaal verkeer [20] .
3.7
Degene die een beroep doet op het bestaan van een gemeenschappelijke huishouding heeft een verzwaarde stelplicht [21] . Als de verhuurder betwist dat sprake is van een gemeenschappelijke huishouding, moet de samenwoner voldoende concrete feiten aanvoeren over de gestelde gemeenschappelijke huishouding om voor de verhuurder duidelijk te maken tegen welke feiten hij zijn verweer precies moet richten [22] . Daarbij geldt dat naarmate de verhuurder concreter is in het betwisten van de door de samenwoner gestelde gemeenschappelijke huishouding, de samenwoner concreter moet zijn in zijn stellingen dat daarvan sprake was [23] .
3.8
De verzwaarde stelplicht geldt
nietvoor het element ‘duurzaamheid’ van de gemeenschappelijke huishouding [24] . Duurzaamheid houdt een verwachting voor de toekomst in [25] . De duurzaamheid van de gemeenschappelijke huishouding wordt bepaald door objectieve factoren, zoals de duur ervan, en subjectieve factoren, zoals de bedoeling van betrokkenen [26] .
3.9
Wat betreft de relatie tussen een thuiswonend kind en zijn ouder geldt het uitgangspunt dat de samenleving tussen ouder en kind zoals die bij de geboorte ontstaat en nadien pleegt te worden voortgezet
geen duurzamegemeenschappelijke huishouding is (‘kinderen vliegen in beginsel uit’). Dat kan anders zijn als er na het zelfstandig worden van het kind bijzondere omstandigheden zijn waardoor het samenleven toch als een blijvende gemeenschappelijke huishouding kan worden aangemerkt [27] . Of dergelijke bijzondere omstandigheden zich voordoen, is bij uitstek casuïstische materie [28] . Als een kind eerst op zichzelf heeft gewoond (is ‘uitgevlogen’) en daarna weer bij zijn ouders intrekt, kan dat, afhankelijk van alle omstandigheden van het geval [29] waarbij onder meer de bedoeling van de terugkeer van belang is [30] , tot het oordeel leiden dat van een duurzame gemeenschappelijke huishouding sprake is. Als een kind weer bij een ouder is gaan wonen om mantelzorg te verlenen, zoals in onze zaak, kan dat een indicatie zijn dat sprake is van een
duurzamegemeenschappelijke huishouding, maar dat hoeft niet; mantelzorg op zichzelf wordt niet altijd
duurzaamgeoordeeld en andere omstandigheden blijven daarbij dus van belang [31] . Het ‘zorgkarakter’ kan ook juist in de weg staan bij het aannemen van een
gemeenschappelijke huishoudingals sprake is van een gebrek aan wederkerigheid tussen de huurder en medebewoner, in die zin dat de ene bewoner zich laat verzorgen door de andere en zij (verder) geen gemeenschappelijke huishouding voeren [32] .
3.1
De rechterlijke beoordeling luistert hier nauw en is genuanceerd. Of sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding vergt vaststelling en weging van verschillende feiten en omstandigheden in onderling verband. Dat is in overwegende mate feitelijk van aard, zodat de cassatietoets beperkt is (zo ook s.t. Verhuurder 34).
Onderdeel 1 – het meerdere
3.11
Onderdeel 1is gericht tegen rov. 5.5, 5.7 en met name 5.14 en 5.16 en bestaat uit de subonderdelen 1.1 en 1.2.
3.12
Subonderdeel 1.1bestrijdt de conclusie van het hof in rov. 5.16 dat het uitsluitend gezamenlijk bijdragen aan de kosten van de huishouding, terwijl verder elke andere vorm van wederkerigheid ontbreekt, op zichzelf onvoldoende is om van een duurzame gemeenschappelijke huishouding te spreken. Daarvoor is meer nodig en
dat meerdereontbreekt hier volgens het hof.
Subonderdeel 1.1klaagt, zoals uitgewerkt in de
subonderdelen 1.1.1, 1.1.2 en 1.1.4, dat het hof het ‘meerdere’ had moeten vinden in twee vaststellingen uit het vonnis in eerste aanleg. In rov. 4.2 heeft de kantonrechter vastgesteld dat in deze zaak sprake is van een ‘bijzondere situatie’ waarin Zoon na een tijd in Zuid-Afrika te hebben gewoond naar Nederland is teruggekeerd om bij Moeder te gaan wonen met het doel om voor haar te zorgen. Deze ‘bijzondere situatie’ had het hof tot uitgangspunt moeten nemen als aanwijzing dat tussen Moeder en Zoon een duurzame gemeenschappelijke huishouding is ontstaan. Daarnaast overweegt de kantonrechter in rov. 4.6 dat Zoon de wens had om met zijn moeder samen te zijn. Daarmee heeft de kantonrechter volgens
subonderdeel 1.1.2geconcludeerd dat tussen Moeder en Zoon een affectieve relatie bestaat die, hoewel deze samenwoning vanzelfsprekend niet met de huwelijkse samenwoning overeenstemt, tot het vermoeden leidt dat zij een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren. Deze vaststellingen zijn in hoger beroep niet bestreden, zodat het hof deze ‘bijzondere situatie’ en het bijbehorende vermoeden tot uitgangspunt had moeten nemen voor zijn beoordeling of sprake was van duurzame gemeenschappelijke huishouding, aldus
subonderdeel 1.1.4. Voor zover het hof in rov. 5.5 heeft geoordeeld dat Verhuurder het voornoemde oordeel van de kantonrechter met grieven 3-4 en 5-6 heeft bestreden, is dat oordeel volgens de
motiveringsklacht onder 1.1.3onbegrijpelijk. Verhuurder heeft met grief 2 weliswaar rov. 4.2 van het vonnis bestreden, maar alleen voor wat betreft het oordeel over het hoofdverblijf van Zoon. Verder heeft Verhuurder in de toelichting op grieven 5 en 6 in mvg 57 gesteld dat van bijzondere omstandigheden zoals door de kantonrechter in rov. 4.5 van het vonnis zijn genoemd, geen of onvoldoende sprake is, zonder dat Verhuurder dat heeft uitgewerkt. De aangegeven vaststelling in rov. 4.6 van het vonnis heeft Verhuurder in hoger beroep geheel onbesproken gelaten (zie ook subonderdeel 1.2.2).
3.13
De klachten lenen zich voor gezamenlijke bespreking; zij kunnen al geen doel treffen bij gebrek aan feitelijke grondslag (in gelijke zin s.t. Verhuurder 14-19).
3.14
Ten eerste gaan de klachten uit van een onjuiste lezing van het vonnis. Rov. 4.2 van het vonnis luidt als volgt:
“4.2 In deze zaak is in zoverre sprake van een bijzondere situatie dat [Zoon] de zoon is van [Moeder] en na een tijd in Zuid-Afrika te hebben gewoond naar Nederland is teruggekeerd en bij zijn moeder is gaan wonen met het doel om voor haar te zorgen. [Zoon] was ten tijde van het verzoek om medehuurderschap 59 jaar oud. [Moeder] is ruim 80 jaar oud en lijdt aan de ziekte van Alzheimer. ”
3.15
Rov 4.2 lijkt mij geen ‘vaststelling’ te zijn die dient als aanwijzing voor een duurzame gemeenschappelijke huishouding, maar een inleidende overweging. De kantonrechter heeft daarmee aangegeven dat het hier geen kind betreft dat altijd thuis is blijven wonen, maar dat sprake is van een ‘uitgevlogene’ die is teruggekeerd uit het buitenland om voor zijn dementerende moeder te zorgen. Het is in die zin een bijzondere situatie, omdat deze niet alledaags is, aldus s.t. Verhuurder 15. In rov. 4.3 overweegt de kantonrechter immers dat in het algemeen de samenlevingsrelatie tussen ouders en kinderen als van aflopende aard moet worden aangemerkt, maar dat niet is uitgesloten dat volwassen kinderen die na hun jeugd uit huis zijn gegaan en zelfstandig hebben gewoond, op enig moment weer bij een ouder intrekken en daarmee een gemeenschappelijke huishouding kunnen hebben (onder verwijzing naar HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:93 (
Ontbreken gemeenschappelijke huishouding)). Zoals in de inleiding besproken is dat dus meestal niet zo, maar is het niet uitgesloten dat dat wel zo is in bijzondere gevallen. Pas in rov. 4.5-4.12 heeft de kantonrechter beoordeeld of sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding tussen Moeder en Zoon. Daarbij heeft de kantonrechter in rov. 4.6 inderdaad
onder meeraandacht gehad voor de wens van Moeder en Zoon om ‘samen te zijn’ – zodat het volgens de kantonrechter hier niet alleen mantelzorg en ondersteuning betrof (rov. 4.6) – en het feit dat Zoon vanuit het buitenland is teruggekeerd om voor zijn moeder te zorgen (rov. 4.8). De kantonrechter heeft niet geconcludeerd dat sprake was van een affectieve relatie tussen Moeder en Zoon, zoals subonderdeel 1.1.2 aangeeft (zo ook s.t. Verhuurder 16).
3.16
Waarom het hof de in de klacht bedoelde punten tot uitgangspunt had moeten nemen, is niet toegelicht; het hof heeft deze aspecten onder ogen gehad, maar anders afgewogen dan de kantonrechter heeft gedaan. Dat volgt uit rov. 1.1, 3.3, 5.11 en 5.12 waarin de terugkeer van Zoon uit Zuid-Afrika om voor zijn moeder te zorgen aan bod komt. In rov. 5.17-5.21 heeft het hof de intentie van Moeder en Zoon voor de samenwoning onderzocht. Dat het hof hier niet ten voordele van Moeder en Zoon heeft geoordeeld, maakt nog niet dat het bestreden oordeel onjuist of onbegrijpelijk is. Het gaat als besproken om afweging van alle relevante omstandigheden in onderling verband. Dat kan heel goed in het ene geval van een ‘terug invliegend’ mantelzorgend kind wel tot het feitelijke oordeel leiden dat sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding, en in het andere geval – zoals hier – niet, waarbij het gebrek aan wederkerigheid en de intentie voor de samenwoning de doorslag hebben gegeven.
3.17
Dat hier sprake zou zijn van onweersproken stellingen, zoals de klacht suggereert, klopt evenmin. Verhuurder richt grieven 3 en 4 ‘geen gemeenschappelijke (financiële) huishouding’ tegen rov. 4.6 en 4.9 (mvg 32-54) en grieven 5 en 6 ‘geen duurzaamheid en wederkerig’ tegen rov. 4.6 en 4.8-4.10 (mvg 55-68). Bij mvg 60 zet Verhuurder uiteen dat de intenties van Zoon met zijn terugkeer erop gericht waren om zijn moeder te verzorgen en niet om een duurzame gemeenschappelijke huishouding te gaan voeren. Dat hiermee rov. 4.2 niet is bestreden, is in dit verband niet relevant; het is als gezegd een inleidende passage die op zichzelf niet (dwingend) wijst in richting A (geen duurzame gemeenschappelijke huishouding) of B (wel zo’n huishouding). Het gegeven dat Zoon uit het buitenland is teruggekeerd om voor zijn moeder te zorgen, is door de kantonrechter in rov. 4.8 in de beoordeling betrokken en daartegen richten zich grieven 5 en 6. De motiveringsklacht strandt hier ook op.
3.18
Subonderdeel 1.1 is daarmee tevergeefs voorgesteld.
Subonderdeel 1.2 – wederkerigheid
3.19
Subonderdeel 1.2is gericht tegen rov. 5.14 en 5.16. In de kern is de klacht dat uit rov. 5.14 en 5.16 zou volgen dat Moeder vanaf het tijdstip dat Zoon bij haar introk met niemand – ook niet met een niet-familielid – een duurzame gemeenschappelijke huishouding zou hebben kunnen voeren, omdat zij toen alleen nog zorg kon ontvangen en niet als uiting van wederkerigheid ook zorg kon geven en aldus geen metgezel kon zijn. Dat is volgens de hoofdklacht in strijd met het recht en ontoereikend gemotiveerd, zoals uitgewerkt in de subonderdelen 1.2.1-1.2.3.
3.2
Een huurder die verzorgd wordt door een familielid met wie de huurder samenwoont, kan, onder bijzondere omstandigheden, worden geacht met dat familielid een duurzame gemeenschappelijke huishouding te voeren [33] . Ten onrechte heeft het hof volgens
subonderdeel 1.2.1dan ook de eis gesteld dat die
verzorging wederkerigmoet zijn om een duurzame gemeenschappelijke huishouding te kunnen vaststellen. Ook kon het hof niet de eis stellen dat een rechtens relevant gebrek aan wederkerigheid erin kan bestaan dat de huurder fysiek niet in staat is de kandidaat-medehuurder wederkerig te verzorgen (zie ook het vonnis in eerste aanleg, rov. 4.8 en de daar genoemde rechtspraak). Om deze reden, en omdat het hof de door de rechtbank geoordeelde bijzondere situatie tot uitgangspunt heeft moeten nemen (subonderdeel 1.1), heeft het hof niet tot zijn bestreden oordeel kunnen komen. Voor zover het hof dit niet heeft miskend, is zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd.
3.21
Deze klachten falen ook bij gebrek aan feitelijke grondslag (aldus ook s.t. Verhuurder 24). Het hof heeft niet geoordeeld of tot uitgangspunt genomen dat de
verzorgingtussen de samenwonende(n) (familieleden)
wederkerig moet zijn. Verhuurder heeft aangevoerd dat van een gemeenschappelijke huishouding geen sprake was, omdat er onvoldoende sprake is van wederkerigheid in de relatie tussen Moeder en Zoon (rov. 5.10) – in het algemeen, dus los van het verzorgingsaspect. Dit
kaneen aspect zijn waarom geen sprake is van een gemeenschappelijke huishouding [34] (in het kader van het duurzaamheidsaspect als objectieve factor, zoals het hof overweegt in rov. 1.3 en 5.7) en dat heeft het hof ook op deze wijze onderzocht – en niet zoals de klacht stelt beperkt tot het verzorgingsaspect in enge zin. De beoordeling of sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding vergt een afweging van alle omstandigheden van het geval in onderling verband bezien en is in hoge mate feitelijk van aard. Het hof is voor wat betreft het wederkerigheidsaspect tot de conclusie gekomen, zich even beperkend tot de niet-financiële wederkerigheid, dat daarvan vanwege de aannemelijk geworden vergaande hulpbehoevendheid van Moeder bij terugkeer van Zoon al van aanvang van de samenwoning af geen sprake is geweest. Dat heeft het hof in rov. 5.14 concluderend zo verwoord:
‘(…) in deze samenwoning [is] naar het oordeel van het hof geen sprake van (niet financiële) wederkerigheid. Er is geen situatie dat [Moeder] en [Zoon] elkaar helpen en steunen. [Zoon] is de verzorger van [Moeder] en [Moeder] de verzorgde, die gewoon niet zonder die zorg kan. Van enige daadwerkelijke actieve bijdrage aan de samenwoning door [Moeder] blijkt niets. Dat [Moeder] en [Zoon] “in elkaars aanwezigheid” verkeren en “de maaltijden met elkaar” delen maakt dit niet anders. Ook dat [Zoon] [Moeder] “vergezelt” als zij buitenshuis gaat […] brengt geen wederkerigheid in de relatie. [Moeder] kan immers niet anders naar buiten dan met en door de hulp van [Zoon] (zo schrijft [Zoon] in het “Overzicht mantelzorgtaken”). Ook in dit element valt geen wederkerigheid te herkennen. [Zoon] noemt zichzelf daarbij ook “begeleider”. En dat is wat hij is: een begeleider: geen “metgezel.”
Bij die stand van zaken laat het hof in rov. 5.16 concrete beoordeling van de mate van financiële verwevenheid en -wederkerigheid na: veronderstellenderwijs aangenomen dat daarvan sprake is, is dat gelet op het gebrek aan niet financiële wederkerigheid onvoldoende om tot een duurzame gemeenschappelijke huishouding te kunnen concluderen hier volgens het hof; daar is meer voor nodig en dat meerdere ontbreekt hier naar het feitelijke hofoordeel.
Daar komt volgens het hof nog bij dat de intentie van partijen voor de samenwoning nooit is geweest een blijvende en op de toekomst gerichte samenwoning (rov. 5.17-5.21) – een subjectieve factor die van belang kan zijn in de duurzaamheidstoets van de gemeenschappelijke huishouding (waar het hof in rov. 5.6 aan refereert).
Om deze redenen is het hof tot de slotsom gekomen dat
in dit gevalgeen sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding (rov. 5.22).
3.22
Tegen deze achtergrond falen de klachten. Dat het hof ervan zou zijn uitgegaan dat een zorgbehoevende met niemand (ook niet met een niet-familielid) een duurzame gemeenschappelijke huishouding kan voeren, omdat een zorgbehoevende geen metgezel kan zijn, zodat er geen sprak kan zijn van (niet-financiële) wederkerigheid, heeft het hof niet geoordeeld (in gelijke zin s.t. Verhuurder 37). Van miskenning van de devolutieve werking van het appel in rov. 5.16 met het oordeel dat ‘het meerdere’, nodig voor een duurzame gemeenschappelijke huishouding, hier ontbreekt, zoals
subonderdeel 1.2.2klaagt, is geen sprake (idem s.t. Verhuurder 40). Dat zou verband houden met het oordeel van de kantonrechter in rov. 4.6 dat de samenwoning niet alleen als motief had verzorging en ondersteuning bieden, maar ook diende om ‘samen te zijn’, maar dat is door het hof uitdrukkelijk besproken in het citaat uit rov. 5.14 van het vorige randnummer. Dat van dat gegeven van ‘samen zijn’ en het voor mantelzorg weer ‘invliegen’ door Zoon als bijzondere situatie moest worden uitgegaan door het hof, zoals dit subonderdeel onder verwijzing naar subonderdeel 1.1 aangeeft, is bij de bespreking van subonderdeel 1.1 al verworpen; de klacht hier is een vergeefse herhaling van zetten (zo ook s.t. Verhuurder 41). De motiveringsklacht faalt ook, omdat daarin niet is aangegeven
waaromhet bestreden oordeel ontoereikend gemotiveerd is. Dat een andere feitelijke afweging van deze omstandigheden met een andere uitkomst ook mogelijk was geweest, maakt niet dat dít hofoordeel de cassatietoets niet kan doorstaan.
3.23
Subonderdeel 1.2.3formuleert vervolgens drie motiveringsklachten (a-c) tegen het oordeel in rov. 5.16 dat er is meer nodig is dan alleen een bepaalde mate van financiële verwevenheid om tot een duurzame gemeenschappelijke huishouding te kunnen oordelen en dat dat meerdere in dit geval ontbreekt. Ik begrijp de klachten zo, dat het hof kennelijk dit ‘meerdere’ in de door de klachten aangedragen omstandigheden had moeten vinden.
3.24
De
klacht onder 1.2.3.awijst op de lovende wijze waarop het hof zich in rov. 5.22 heeft uitgelaten over Zoons zorg voor Moeder. Volgens de klacht heeft het hof hiermee kennelijk tot uitdrukking gebracht dat deze zorg uitstijgt boven de zorg die het hof normaal acht in de relatie tussen een ouder en een kind in de omstandigheden van deze zaak. Die lovende woorden verdragen zich niet, althans niet zonder nadere (ontbrekende) uitleg, met het bestreden oordeel dat het meerdere ontbreekt.
3.25
Ook de klacht mist feitelijke grondslag, aangezien in rov. 5.22 niet zo is geoordeeld. Dat het hof de zorginspanningen van de Zoon lovenswaardig heeft geacht, staat los van zijn beoordeling van het wederkerigheidsaspect dat van belang kan zijn voor de duurzaamheid van de gestelde gemeenschappelijke huishouding (in gelijke zin s.t. Verhuurder 42(a)). Van ontoereikende motivering als in deze klacht bedoeld is geen sprake.
3.26
Volgens de
klacht onder 1.2.3.bhebben Moeder en Zoon zich in hoger beroep 1) geschaard achter de vaststelling van de kantonrechter in rov. 4.6. van het vonnis, 2) de intrinsieke wens van Zoon benadrukt om met zijn moeder samen te zijn om haar te verzorgen, zodat zij zo lang mogelijk thuis kan wonen en 3) aangevoerd dat hun samenzijn voor hen deel uitmaakt van de te beschouwen wederkerigheid (mva, 53, 57, 75 en 86). Moeder en Zoon hebben dus aangevoerd dat van meer sprake is dan financiële wederkerigheid alleen, namelijk dat Zoon (ook) metgezel van Moeder wil zijn. Het hof heeft deze stellingen niet verworpen (onder verwijzing naar rov. 5.9 van het bestreden arrest). Aldus moet in cassatie veronderstellenderwijs van de juistheid van deze stellingen worden uitgegaan en daarmee kan het bestreden oordeel niet juist zijn.
3.27
Alweer mist deze klacht feitelijke grondslag (idem s.t. Verhuurder 42(b)). Het hof heeft wel degelijk oog gehad voor wat Moeder en Zoon hebben aangevoerd ten betoge dat volgens hen sprake is van meer dan alleen financiële wederkerigheid, maar is hen hierin niet gevolgd. De samenwoning (het ‘samenzijn’) heeft volgens het hof het karakter van begeleiding door Zoon van Moeder, die constante verzorging nodig heeft. Hierdoor kan Zoon volgens het feitelijke oordeel van het hof niet als ‘metgezel’ worden gezien, maar als ‘begeleider’. Dat de Zoon heeft aangevoerd dat hij de wil had om een metgezel te zijn, is dus door het hof onder ogen gezien maar van onvoldoende gewicht geacht in het licht van andere omstandigheden (rov. 5.9-5.14). Ook hier is geen sprake van een motiveringsgebrek.
3.28
Volgens de
klacht onder 1.2.3.cheeft het hof in rov. 5.13 een verklaring van de advocaat van Moeder en Zoon aangehaald volgens welke zij gezamenlijk de huishoudelijke taken uitvoeren. Het hof heeft de feitelijke juistheid van die verklaring verworpen, maar niet de ‘onmiskenbaar’ ook uit die verklaring voortvloeiende stelling dat Moeder wederkerig voor Zoon zou hebben willen zorgen, zo zij daartoe fysiek in staat zijn geweest. Aldus moet, althans veronderstellenderwijs in cassatie, worden vastgesteld dat Zoon en Moeder, zou de Moeder daartoe fysiek in staat zijn geweest, zich wederkerig als elkaars metgezel zouden hebben gedragen in de tussen hen bestaande duurzame gemeenschappelijke huishouding. Bij deze hier aan te nemen wens tot wederkerige verzorging kan de bestreden overweging niet overeind blijven.
3.29
Ook deze klacht is tevergeefs voorgesteld. Niet valt in hoe het hof uit bedoelde verworpen stelling ‘onmiskenbaar’ de stelling had moeten lezen dat Moeder wederkerig voor de Zoon zou
hebben willenzorgen, zo zij daartoe fysiek in staat zijn geweest. Daarnaast doet deze stelling ook niks af aan het feitelijke oordeel dat hier van de kant van Moeder wederkerigheid ontbreekt. (In gelijke zin ook s.t. Verhuurder 42(c)).
3.3
Ook subonderdeel 1.2 kan niet tot cassatie leiden.
Onderdeel 2 – bewijs
3.31
Onderdeel 2bevat klachten tegen rov 5.15 waarin het hof heeft geoordeeld dat Moeder en Zoon geen bewijsaanbod hebben gedaan ten aanzien van niet-financiële wederkerigheid. Volgens de klachten hebben Moeder en Zoon hier ‘onmiskenbaar’ wel bewijs van aangeboden. Het onderdeel bevat twee klachten (a-b).
3.32
De
klacht onder 2.awijst erop dat Moeder en Zoon hebben aangeboden om een medewerkster van WijEindhoven als getuige te doen horen, omdat zij kan verklaren over de samenwoning en de (zorg)situatie van Moeder (mva, p. 13-14, in samenhang bezien met prod 6). Omdat Moeder en Zoon hun eis hebben gebaseerd op de stelling dat zij een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren, waarin het aspect van wederkerigheid een rol kan spelen, ziet dit bewijsaanbod ‘onmiskenbaar’ ook op het aspect van wederkerigheid en daarmee (ook) op wederkerigheid in niet-financiële zin, gelet op de verwijzing in het bewijsaanbod naar de samenwoning en de (zorg)situatie.
3.33
Deze klacht treft geen doel. Uitgangspunt is dat, ingevolge art. 166 lid 1 en Pro art. 353 lid 1 Rv Pro, een partij in hoger beroep tot getuigenbewijs moet worden toegelaten, wanneer zij
voldoende specifiekbewijs aanbiedt van feiten die tot beslissing van de zaak kunnen leiden. Volgens vaste rechtspraak is de vraag of een bewijsaanbod voldoende specifiek is, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij de rechter, mede in verband met de eisen van een goede procesorde, zal moeten letten op de wijze waarop het processuele debat zich heeft ontwikkeld en op het stadium waarin de procedure verkeert. Daarbij geldt dat in hoger beroep van een partij die bewijs door getuigen aanbiedt, in beginsel mag worden verwacht dat zij voldoende concreet aangeeft op welke van haar stellingen dit bewijsaanbod betrekking heeft en, voor zover mogelijk, wie daarover een verklaring zou kunnen afleggen, maar zal in het algemeen niet mogen worden verlangd dat daarbij ook wordt aangegeven wat daarover door getuigen zal kunnen worden verklaard. Wanneer al getuigen zijn gehoord of schriftelijke verklaringen van getuigen zijn overgelegd, zal de eis dat het bewijsaanbod voldoende specifiek en ter zake dienend moet zijn, kunnen meebrengen dat nader wordt aangegeven in hoeverre die getuigen meer of anders kunnen verklaren dan zij al hebben gedaan [35] .
3.34
Moeder en Zoon hebben in hoger beroep bij mva, p. 13-14 slechts een algemeen bewijsaanbod gedaan en daarbij verwezen naar een lijst van namen uit prod. 6. Daarop staat onder meer de medewerkster van WijEindhoven met de toevoeging dat zij “
kan verklaren over de samenwoning en de (zorg)situatie van[Moeder]”. Gelet op de vereisten waar een getuigenbewijsaanbod in hoger beroep moet voldoen, is dit onvoldoende specifiek; niet valt in te zien hoe het hof hieruit een getuigenbewijsaanbod had moeten afleiden over het aspect van
niet-financiële wederkerigheidals element in de duurzame gemeenschappelijke huishouding.
3.35
De
klacht onder 2.bwijst erop dat Moeder en Zoon in eerste aanleg een bewijsaanbod hebben gedaan (dgv 13, akte 19 mei 2022 en p-v ea, p. 2 linker kolom onderaan) dat zij in hoger beroep hebben herhaald (mva 52 in de vorm van verwijzing naar hun stellingen in prima met het verzoek deze als herhaald en ingelast te beschouwen). In dat kader en op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep had het hof dat bewijsaanbod in zijn overwegingen moeten betrekken. Daarbij wijst de klacht op het volgende:
- In eerste aanleg hebben Moeder en Zoon aangeboden de daarin ingenomen stellingen te bewijzen, onder meer door het doen horen van getuigen (dgv 13). Dit aanbod hebben zij tijdens de mondelinge behandeling herhaald en dat ziet onder meer op de stellingen uit dgv, p. 3 onderaan. Daarover hebben Moeder en Zoon, onder verwijzing naar en met citering uit de als prod. 2 overgelegde brief van 14 december 2021, gesteld dat uit de als bijlagen bij die brief meegezonden verklaringen blijkt dat Zoon de maaltijden bereidt, boodschappen doet, regelmatig een wandeling maakt met zijn moeder en met haar op bezoek gaat naar familie en naar het ziekenhuis gaat. Aldus hebben Moeder en Zoon ‘onmiskenbaar’ bewijs aangeboden dat ziet op wederkerigheid tussen hen in niet-financiële zin, zeker in samenhang met het in hoger beroep geformuleerde bewijsaanbod.
- Bij akte van 19 mei 2022 hebben Moeder en Zoon als prod. 6 een verklaring van WijEindhoven van 12 april 2022 ingebracht, waaruit volgens hen blijkt dat sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding (toelichting in die akte op p. 2). Ook dit aanbod hebben zij tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg herhaald (p-v ea, p. 2 linker kolom onderaan). Bezien in samenhang met het bewijsaanbod in hoger beroep, ziet dit bewijsaanbod ‘onmiskenbaar’ ook op wederkerigheid in niet-financiële zin.
3.36
Ook hiervoor geldt dat niet is voldaan aan de aan een bewijsaabod in hoger beroep te stellen eisen. Daar ketst de klacht onder 2b al integraal op af.
Onderdeel 3 – bedoeling
3.37
Onderdeel 3bevat klachten tegen het hofoordeel in rov. 5.17-5.20 dat niet kan worden vastgesteld dat Moeder en Zoon de bedoeling hadden om een blijvende en op de toekomstgerichte samenwoning aan te gaan en Zoon niet alleen vanwege de verzorging van zijn moeder bij haar is gaan inwonen. Het onderdeel bevat twee subonderdelen die ieder verschillende klachten bevatten.
Subonderdeel 3.1 – langdurige verzorging familielid
3.38
Subonderdeel 3.1richt zich tegen het oordeel in rov. 5.17-5.20 en bevat twee klachten, die zijn gebaseerd op de veronderstelling dat het hof zou zijn uitgegaan van de rechtsopvatting dat het doel van een aspirant-samenwoner om een familielid-huurder langdurig te verzorgen eraan in de weg zou staan om een voor medehuurderschap vereiste duurzame gemeenschappelijke huishouding aan te nemen. Dat uitgangspunt mist feitelijke grondslag in de bestreden uitspraak, omdat het hof daar niet van is uitgegaan, zoals hiervoor al is besproken. Daar stranden de klachten al op en hier zou ik het bij kunnen laten. Volledigheidshalve loop ik de klachten uit subonderdelen 3.1.1 en 3.1.2 nog inhoudelijk langs.
3.39
Volgens de
klacht onder 3.1.1heeft het hof miskend dat uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat ook de samenwoning tussen familieleden die is gebaseerd op een verzorgingswens en daarmee overeenstemmende verzorgingsbehoefte, als een duurzame gemeenschappelijke huishouding kan worden aangemerkt [36] .
3.4
Dat heeft het hof niet miskend. Het hof toetst in de bestreden passages de bedoeling van partijen in de sleutel van het subjectieve element van wederkerigheid bij de duurzaamheidstoets (zie rov. 5.7, laatste zin, terecht onbestreden in cassatie). Dat het hof uiteindelijk heeft geoordeeld, alle omstandigheden van deze zaak in onderling verband wegend, dat
in dit gevalgeen sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding, omdat wederkerigheid van niet-financiële aard ontbreekt en omdat Moeder en Zoon niet de bedoeling hebben gehad om een blijvende en op de toekomstgerichte samenwoning aan te gaan (rov. 5.17-5.22), maakt niet dat het hof de door de klacht aangedragen rechtsregel heeft miskend. (In gelijke zin s.t. Verhuurder 59).
3.41
Daarnaast is het bestreden oordeel volgens de
klacht onder 3.1.2ontoereikend gemotiveerd, omdat de bedoeling van partijen om de gang naar het verpleegtehuis zo lang mogelijk uit te stellen een factor is die, anders dan waarvan het hof klaarblijkelijk is uitgegaan, juist kan bijdragen aan het aannemen van een gemeenschappelijke huishouding [37] . Althans is hier sprake van ontoereikende motivering.
3.42
Deze klacht faalt op dezelfde gronden als de vorige klacht: de vraag of sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding blijft afhankelijk van alle omstandigheden van het geval in onderling verband bezien en dat heeft het hof niet miskend. Wanneer partijen de bedoeling hebben gehad om de gang naar het verpleegtehuis zo lang mogelijk uit te stellen,
kandit een factor zijn die bijdraagt aan het aannemen van een duurzame gemeenschappelijke huishouding, maar dit hoeft niet noodzakelijkerwijs zo te zijn in het licht van de andere omstandigheden van het geval die het hof op goed te volgen wijze heeft uiteengezet. Dit volgt ook zo uit de conclusie van A-G Wissink waar de klacht naar verwijst. Ter aangehaalde plaatse geeft hij immers slechts een overzicht van omstandigheden die relevant zijn geacht in de lagere rechtspraak voor het oordeel dat sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Van een motiveringsgebrek is hier geen sprake (in gelijke zin s.t. Verhuurder 60-61).
3.43
Ook subonderdeel 3.1 is daarmee tevergeefs voorgesteld.
Subonderdeel 3.2 – geen terugkeer
3.44
Subonderdeel 3.2voert verschillende motiveringsklachten aan tegen de interpretatie van het hof van een uitlating van Zoon tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg:
“Ik ben vanuit Afrika teruggekomen. Ik ben 60 jaar. Ik hoop dat ze [Moeder, A-G] nog 20 jaar leeft, maar eerder terug naar Afrika te gaan zit er niet meer in”.
Het hof heeft hieruit afgeleid dat Zoon zou uitgaan van een terugkeer naar Zuid-Afrika, maar dat dat pas kan als hij niet meer voor zijn moeder hoeft te zorgen (rov. 5.19).
3.45
Ik merk op dat de klachten die hiertegen zijn gericht belang missen, omdat deze zijn gericht tegen een overweging ten overvloede (in gelijke zin s.t. Verhuurder 62-63). De conclusie van rov. 5.17-5.21 is dat Zoon alleen vanwege de verzorging van Moeder bij haar is gaan wonen teneinde te voorkomen dat zij naar een verzorgingstehuis moet en dat niet kan worden vastgesteld dat zij de bedoeling hadden om een blijvende en op de toekomstgerichte samenwoning aan te gaan (rov. 5.20). Redenen hiervoor zijn volgens het hof: (i) Moeder en Zoon hebben steeds aangegeven dat de samenwoning met het doel is gestart om Moeder zo lang mogelijk uit het verpleeghuis te houden (rov. 5.17), (ii) dat niets erop wijst dat Moeder en Zoon ook zouden zijn gaan samenwonen als dat niet voor een voortdurend verblijf van Moeder in de woning noodzakelijk was geweest (rov. 5.18) en (iii) dat ook nergens uit blijkt dat Moeder en Zoon zouden blijven samenwonen als de verzorging voor Moeder niet meer nodig was (rov. 5.19). Ter onderbouwing van dat laatste heeft het hof de bestreden geciteerde verklaring van Zoon aangehaald waaruit zou volgen dat Zoon er inderdaad vanuit gaat dat hij na het overlijden van Moeder weer wenst terug te keren naar Zuid-Afrika. Dit is als een overweging ten overvloede te zien, die niet dragend is voor het oordeel dat Zoon alleen vanwege de verzorging van Moeder bij haar is gaan wonen en dat niet kan worden vastgesteld dat zij de bedoeling hadden om een blijvende en op de toekomstgerichte samenwoning aan te gaan (in gelijke zin s.t. Verhuurder 63). Daar zou ik het opnieuw bij kunnen laten, maar ook hier loop ik de klachten nog inhoudelijk na.
3.46
Volgens
klacht 3.2.1heeft het hof de verklaring op een onbegrijpelijke wijze geïnterpreteerd. Zoon heeft deze gedaan in verband met de niet door het hof geciteerde vraag van de kantonrechter omtrent de start van de inwoning bij zijn moeder en niet om uit te spreken dat hij slechts tijdelijk in Nederland wil verblijven.
3.47
Dat de uitspraak is gedaan als antwoord op de vraag van rechterszijde sinds wanneer de Zoon weer bij zijn moeder woont, doet niets af aan de wijze waarop het hof deze uitspraak heeft
kunneninterpreteren. Zeker gelet op het feit dat Zoon uit Zuid-Afrika is teruggekeerd om voor zijn moeder te zorgen en dat Moeder en Zoon met het samenwonen de gang naar het verpleegtehuis voor Moeder hebben willen uitstellen (rov. 3.3 en 5.17), kon het hof uit het antwoord van Zoon afleiden dat hij uitgaat van een terugkeer naar Zuid-Afrika als zijn moeder zijn zorg niet meer nodig heeft. De motiveringsklacht treft inhoudelijk dus ook geen doel.
3.48
Volgens
klacht 3.2.2heeft de advocaat van Moeder en Zoon tijdens de mondelinge behandeling bij de kantonrechter, in aanwezigheid en met instemming van Moeder en Zoon, verklaard dat tussen hen een gemeenschappelijke huishouding bestaat en dat deze niet tijdelijk is (p-v ea, p. 2 linker kolom boven het midden ). Dat is ook een reden dat het hof de uitspraak van de Zoon onjuist heeft geïnterpreteerd.
3.49
De klacht faalt. Dat de advocaat van Moeder en Zoon iets heeft gezegd waar mogelijk iets anders uit volgt dan de uitlating van Zoon, maakt nog niet dat het hof geen waarde kon hechten aan die verklaring van Zoon of deze niet kon uitleggen, zoals het heeft gedaan; dat Zoons wil is hier leidend is geacht, verbaast niet. Ook deze motiveringsklacht is tevergeefs.
3.5
Volgens
klacht 3.2.3heeft Zoon bij de mondelinge behandeling in eerste aanleg ook verklaard tot de groep van personen te behoren voor wie de door zijn moeder gehuurde woning is bedoeld en dat hij geen starters in de weg zit (p-v ea, p. 4 bovenaan ). In het kader van de devolutieve werking had het hof deze stelling in zijn beschouwingen behoren te betrekken. Het hof heeft deze stelling niet verworpen, zodat van de juistheid daarvan in cassatie moet worden uitgegaan. Het belang van die stelling is dat Zoon aldus heeft laten blijken dat hij ook nadat zijn moeder niet meer in het gehuurde kan blijven, niet naar Afrika terug wil keren, maar in die woning wenst te blijven wonen, om welke reden hij als medehuurder wenst te worden aangemerkt. Het bestreden oordeel is daarom onbegrijpelijk.
3.51
In de eerste plaats heeft niet Zoon de hier opgevoerde uitlating gedaan ter zitting, maar zijn advocaat. Verder geeft de klacht blijk van een onjuiste rechtsopvatting over de devolutieve werking van het appel en van de hypothetisch feitelijke grondslag in cassatie. Daarnaast geldt ook hier dat wat de advocaat van Moeder en Zoon ter zitting te berde heeft gebracht niet per se in de weg staat aan de uitleg van de betreffende uitlating van Zoon zelf ter zitting; aan die uitlating is kennelijk meer waarde gehecht door het hof en dat is goed te volgen. Ook deze motiveringsklacht zie ik niet slagen.
3.52
Subonderdeel 3.2.4vervolgt met deze klachten. Het hof had de verklaring in verband behoren te beschouwen met de in dit subonderdeel genoemde stellingen die Zoon heeft betrokken en daardoor de kennelijke bedoeling van deze verklaring moeten begrijpen, namelijk dat Zoon voorziet dat hij voor de rest van het leven van zijn moeder in Nederland zal wonen en om die reden als medehuurder van de gehuurde woning wenst te worden aangemerkt. Uit de aangehaalde verklaring volgt namelijk dat, voor zover Zoon al de wens koesterde naar Afrika terug te keren, hij zich er bij neergelegd heeft dat dat er niet meer in zit. Dit hebben Moeder en Zoon ook in het hoger beroep herhaald (mva, 86). Het hof heeft die stelling ten onrechte niet besproken, zodat van de juistheid daarvan in cassatie moet worden uitgegaan. Althans is de verwerping van die laatstgenoemde stelling door het hof bij gebreke van een daarop toegesneden motivering onvoldoende gemotiveerd. En bij de aan te nemen juistheid van deze laatst genoemde stelling, is de hier besproken motivering onbegrijpelijk.
3.53
Ook deze klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Ten eerste is de stelling waar de klacht naar verwijst in hoger beroep betrokken in het kader van de vraag of Zoon zijn vordering uitsluitend heeft ingesteld met het doel om op korte termijn de positie van huurder te verkrijgen (afwijzingsgrond van art. 7:267 lid 3 onder Pro b BW). Aan die vraag is het hof niet toegekomen, omdat de vordering al is afgewezen op de a-grond uit dat artikellid: geen sprake van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Nu hierbedoelde uiting niet is aangevoerd in het kader van die a-grond, hoefde het hof hier niet op te responderen. Daarnaast staat de door de klacht verdedigde bedoeling van de verklaring (Zoon voorziet dat hij voor de rest van het leven van zijn moeder in Nederland zal wonen) niet op gespannen voet met het bestreden oordeel van het hof (uit niets blijkt dat Moeder en Zoon zouden blijven samenwonen als de verzorging niet meer nodig was).
3.54
De
klachten onder 3.2.5zijn een herhaling van zetten uit subonderdeel 1.1 en falen op de bij de bespreking daarvan aangegeven gronden.
Veegklacht
3.55
Onder ‘slotsom’ is nog een louter voortbouwende klacht voorgedragen, die geen zelfstandige bespreking behoeft, nu geen van de voorgaande klachten doel treft.

4.Conclusie

Ik concludeer tot verwerping van het cassatieberoep en geef de Hoge Raad in overweging dat te doen met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.De feiten zijn ontleend aan het bestreden arrest: Hof ’s-Hertogenbosch, 14 januari 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:42, rov. 3.2-3.7.
2.Het procesverloop is ontleend aan rov. 4.1-4.6 van het al aangehaalde bestreden arrest.
3.Rb. Oost-Brabant 6 april 2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:6630.
4.Onder verwijzing naar mva 57.
5.Onder verwijzing naar p-v ea.
6.Onder verwijzing naar p-v hb.
7.Onder verwijzing naar p-v ea, p. 2.
8.Ik verwijs ook naar 3.2-3.14 van mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2022:1238) vóór HR 26 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:792 (art. 81 lid 1 RO Pro) en naar 2.2-2.9 van mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2023:133) vóór HR 26 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:804, NJ 2023/310, m.nt. J.L.R.A. Huydecoper, JHV 2023/25, m.nt. Th. Gardenbroek en WR 2023/119, m. red. aant. In die zaken ging om het voortzetten van de huur op de voet van art. 7:268 BW Pro na het overlijden van de huurder, maar art. 7:267 en Pro 7:268 BW bevatten allebei dezelfde eis van een ‘duurzame gemeenschappelijke huishouding’ voor toewijzing van het medehuurderschap of voortzetten van de huur, zie Asser/Rossel & Heisterkamp 7-II 2021/323. Rechtspraak en literatuur over ‘duurzame gemeenschappelijke huishouding’ in art. 7:268 BW Pro is dus ook relevant voor art. 7:267 BW Pro en vice versa.
9.HR 21 februari 1986, ECLI:NL:HR:1986:AG5199, NJ 1986/383 (
10.Asser/Rossel & Heisterkamp 7-II 2021/319.
11.Asser/Rossel & Heisterkamp 7-II 2021/73.
12.Idem.
13.HR 19 januari 1880, ECLI:NL:HR:1880:1, W. 1880/4475.
14.Zie bijv. Hof Arnhem-Leeuwarden 4 augustus 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:6178, rov. 2.8. en Hof Den Haag 20 augustus 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1429, WR 2025/2 m.nt. R.A. Veldman, rov. 6.5.
15.Asser/Rossel & Heisterkamp 7-II, 2021/323.
16.GS Huurrecht, art. 7:267 BW Pro, aant. 16a (J.L.R.A. Huydecoper).
17.HR 20 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH0393, JHV 2009/85, m.nt. C. Goudriaan & A.M. Langeloo (
18.HR 26 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:804, rov. 3.2.2. Zie ook Asser/Rossel & Heisterkamp 7-II 2021/324 en GS Huurrecht, art. 7:267 BW Pro, aant. 16a (J.L.R.A. Huydecoper), beide met verwijzingen naar rechtspraak.
19.HR 26 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:804, NJ 2023/310, rov. 3.2.2.
20.Asser/Rossel & Heisterkamp 7-II 2021/324 en Huydecoper in zijn NJ-noot onder 6 bij HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:93, NJ 2014/249 (
21.HR 1 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1901, NJ 1996/181 (
22.Asser/Rossel & Heisterkamp 7-II 2021/325.
23.Idem.
24.HR 10 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6932, NJ 2006/419, m.nt. P.A. Stein (
25.Kamerstukken II 1978/79, 14249, nr. 6, p. 10 (MvA).
26.HR 10 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6932, NJ 2006/419, m.nt. P.A. Stein (
27.Zie bijv. HR 12 maart 1982, ECLI:NL:HR:1982:AG4340, NJ 1982/352 m.nt. P.A. Stein (
28.Zie de rechtspraak in GS Huurrecht, art. 7:267 BW Pro, aant. 16b (J.L.R.A. Huydecoper) en A.M. Kloosterman, Duurzame gemeenschappelijke huishouding tussen ouder en volwassen kind, WR 2021/53, p. 222-224.
29.Zij bijv. HR 10 augustus 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4639, NJ 1984/201 m.nt. Stein (
30.Asser/Rossel & Heisterkamp 7-II 2021/333.
31.A.M. Kloosterman, Duurzame gemeenschappelijke huishouding tussen ouder en volwassen kind, WR 2021/53, p. 223-224. Zie voor een overzicht van rechtspraak GS Huurrecht, art. 7:267 BW Pro, aant. 16c (J.L.R.A. Huydecoper).
32.HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:93 (
33.Subonderdeel 1.2.1 verwijst naar HR 22 januari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0838, rov. 3.4, HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:93 (
34.Zie HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:93 (
35.HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO781, NJ 2005/270 m.nt. W.D.H. Asser, Ars Aequi 2005, p. 270 e.v. m.nt. G.R. Rutgers en JBPr 2004/65 m.nt. M.A.J.G. Janssen (
36.Onder verwijzing naar HR 22 januari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZCo838, rov. 3.4, HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:93 (
37.Onder verwijzing naar conclusie A-G Wissink vóór HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:93 (