Conclusie
Overzicht mantelzorgtaken”. In dit overzicht schrijft Zoon:
Persoonlijke verzorging(zorg aan het lijf)
Eten en drinken
Hond uitlaten
Boodschappen
Afspraken buiten de deur
Wassen/strijken
Administratie
Huishoudelijke hulp
Nachtzorg
Grieven 3 & 4 en 5 & 6
elkaars aanwezigheid” onderdeel vormt van de wederkerigheid. Zij “
delen de maaltijden met elkaar” en [Zoon] “
vergezelt [moeder] als zij buitenhuis gaat”. [4] In de brief van 1 november 2021 van hun advocaat aan [Verhuurder] (productie 1 bij dagvaarding in eerste aanleg) hebben [Moeder] en [Zoon] bovendien gesteld dat zij “
gezamenlijk en op grond van een afgesproken verdeling alle huishoudelijke taken” verrichten.
elkaarhelpen en steunen. [Zoon] is de verzorger van [Moeder] en [Moeder] de verzorgde, die gewoon niet zonder die zorg kan. Van enige daadwerkelijke actieve bijdrage aan de samenwoning door [Moeder] blijkt niets. Dat [Moeder] en [Zoon] “
in elkaars aanwezigheid” verkeren en “
de maaltijden met elkaar” delen maakt dit niet anders. Ook dat [Zoon] [Moeder] “
vergezelt” als zij buitenshuis gaat (zoals door [Moeder] en [Zoon] gesteld bij memorie van antwoord) brengt geen wederkerigheid in de relatie. [Moeder] kan immers niet anders naar buiten dan met en door de hulp van [Zoon] (zo schrijft [Zoon] in het “Overzicht mantelzorgtaken”). Ook in dit element valt geen wederkerigheid te herkennen. [Zoon] noemt zichzelf daarbij ook “begeleider”. En dat is wat hij is: een begeleider: geen “metgezel”.
juist (...) met dit doel” is gestart.
Ik ben vanuit Afrika teruggekomen. Ik ben 60 jaar. Ik hoop dat ze[Moeder]
nog 20 jaar leeft,maar eerder terug naar Afrika te gaan zit er niet meer in[onderstreping: hof].” Uit deze verklaring blijkt dat [Zoon] uitgaat van een terugkeer naar Afrika, maar dat pas kan als hij niet meer voor [Moeder] hoeft te zorgen. Dit past ook bij de overige verklaringen van [Zoon], dat hij omwille van de zorg voor zijn moeder is teruggekomen.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1(‘het meerdere’) bevat na een inleiding zonder uitgewerkte klachten twee subonderdelen en is (primair) gericht tegen het oordeel in rov. 5.16: voor een gemeenschappelijke huishouding is meer nodig dan louter financiële wederkerigheid en dat meerdere ontbreekt hier.
Onderdeel 2(‘bewijs’) bestrijdt het oordeel in rov. 5.15 dat Moeder en Zoon geen bewijsaanbod hebben gedaan dat ziet op wederkerigheid in niet-financiële zin.
Onderdeel 3(‘bedoeling’) richt in twee subonderdelen verschillende klachten tegen het oordeel in rov. 5.17-5.20 dat niet kan worden vastgesteld dat Moeder en Zoon de bedoeling hadden om een blijvende en toekomstgerichte samenwoning aan te gaan en Zoon niet alleen vanwege de verzorging van zijn moeder bij haar is gaan wonen. Het middel eindigt onder
Slotsommet een louter voortbouwende klacht.
de plaats, waar iemand werkelijk woont met zijn gezin, waar hij den zetel zijner fortuin heeft, zijne zaken behartigt, zijne goederen en eigendommen beheert, zoodat men er niet vandaan gaat dan met een bepaald doel en voor een bepaalden tijd, en tevens met het plan om als dat doel bereikt is terug te keeren’ [13] . Op deze invulling van het begrip hoofdverblijf wordt in de rechtspraak nog steeds teruggegrepen [14] . In de onderhavige zaak is niet in geschil dat Zoon al ten minste twee jaar zijn hoofdverblijf had in het gehuurde; het gaat om de te onderscheiden verdere elementen (i) gemeenschappelijke huishouding, die (ii) duurzaam moet zijn [15] .
gemeenschappelijkehuishouding [16] . Het kan daarbij gaan om een affectieve relatie, maar het is niet vereist dat er ‘lotsverbondenheid’ bestaat tussen de huurder en de samenwoner [17] . Er kan ook sprake zijn van een (duurzame) gemeenschappelijke huishouding tussen familieleden of vrienden, zonder dat sprake is van een affectieve relatie.
nietvoor het element ‘duurzaamheid’ van de gemeenschappelijke huishouding [24] . Duurzaamheid houdt een verwachting voor de toekomst in [25] . De duurzaamheid van de gemeenschappelijke huishouding wordt bepaald door objectieve factoren, zoals de duur ervan, en subjectieve factoren, zoals de bedoeling van betrokkenen [26] .
geen duurzamegemeenschappelijke huishouding is (‘kinderen vliegen in beginsel uit’). Dat kan anders zijn als er na het zelfstandig worden van het kind bijzondere omstandigheden zijn waardoor het samenleven toch als een blijvende gemeenschappelijke huishouding kan worden aangemerkt [27] . Of dergelijke bijzondere omstandigheden zich voordoen, is bij uitstek casuïstische materie [28] . Als een kind eerst op zichzelf heeft gewoond (is ‘uitgevlogen’) en daarna weer bij zijn ouders intrekt, kan dat, afhankelijk van alle omstandigheden van het geval [29] waarbij onder meer de bedoeling van de terugkeer van belang is [30] , tot het oordeel leiden dat van een duurzame gemeenschappelijke huishouding sprake is. Als een kind weer bij een ouder is gaan wonen om mantelzorg te verlenen, zoals in onze zaak, kan dat een indicatie zijn dat sprake is van een
duurzamegemeenschappelijke huishouding, maar dat hoeft niet; mantelzorg op zichzelf wordt niet altijd
duurzaamgeoordeeld en andere omstandigheden blijven daarbij dus van belang [31] . Het ‘zorgkarakter’ kan ook juist in de weg staan bij het aannemen van een
gemeenschappelijke huishoudingals sprake is van een gebrek aan wederkerigheid tussen de huurder en medebewoner, in die zin dat de ene bewoner zich laat verzorgen door de andere en zij (verder) geen gemeenschappelijke huishouding voeren [32] .
dat meerdereontbreekt hier volgens het hof.
Subonderdeel 1.1klaagt, zoals uitgewerkt in de
subonderdelen 1.1.1, 1.1.2 en 1.1.4, dat het hof het ‘meerdere’ had moeten vinden in twee vaststellingen uit het vonnis in eerste aanleg. In rov. 4.2 heeft de kantonrechter vastgesteld dat in deze zaak sprake is van een ‘bijzondere situatie’ waarin Zoon na een tijd in Zuid-Afrika te hebben gewoond naar Nederland is teruggekeerd om bij Moeder te gaan wonen met het doel om voor haar te zorgen. Deze ‘bijzondere situatie’ had het hof tot uitgangspunt moeten nemen als aanwijzing dat tussen Moeder en Zoon een duurzame gemeenschappelijke huishouding is ontstaan. Daarnaast overweegt de kantonrechter in rov. 4.6 dat Zoon de wens had om met zijn moeder samen te zijn. Daarmee heeft de kantonrechter volgens
subonderdeel 1.1.2geconcludeerd dat tussen Moeder en Zoon een affectieve relatie bestaat die, hoewel deze samenwoning vanzelfsprekend niet met de huwelijkse samenwoning overeenstemt, tot het vermoeden leidt dat zij een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren. Deze vaststellingen zijn in hoger beroep niet bestreden, zodat het hof deze ‘bijzondere situatie’ en het bijbehorende vermoeden tot uitgangspunt had moeten nemen voor zijn beoordeling of sprake was van duurzame gemeenschappelijke huishouding, aldus
subonderdeel 1.1.4. Voor zover het hof in rov. 5.5 heeft geoordeeld dat Verhuurder het voornoemde oordeel van de kantonrechter met grieven 3-4 en 5-6 heeft bestreden, is dat oordeel volgens de
motiveringsklacht onder 1.1.3onbegrijpelijk. Verhuurder heeft met grief 2 weliswaar rov. 4.2 van het vonnis bestreden, maar alleen voor wat betreft het oordeel over het hoofdverblijf van Zoon. Verder heeft Verhuurder in de toelichting op grieven 5 en 6 in mvg 57 gesteld dat van bijzondere omstandigheden zoals door de kantonrechter in rov. 4.5 van het vonnis zijn genoemd, geen of onvoldoende sprake is, zonder dat Verhuurder dat heeft uitgewerkt. De aangegeven vaststelling in rov. 4.6 van het vonnis heeft Verhuurder in hoger beroep geheel onbesproken gelaten (zie ook subonderdeel 1.2.2).
Ontbreken gemeenschappelijke huishouding)). Zoals in de inleiding besproken is dat dus meestal niet zo, maar is het niet uitgesloten dat dat wel zo is in bijzondere gevallen. Pas in rov. 4.5-4.12 heeft de kantonrechter beoordeeld of sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding tussen Moeder en Zoon. Daarbij heeft de kantonrechter in rov. 4.6 inderdaad
onder meeraandacht gehad voor de wens van Moeder en Zoon om ‘samen te zijn’ – zodat het volgens de kantonrechter hier niet alleen mantelzorg en ondersteuning betrof (rov. 4.6) – en het feit dat Zoon vanuit het buitenland is teruggekeerd om voor zijn moeder te zorgen (rov. 4.8). De kantonrechter heeft niet geconcludeerd dat sprake was van een affectieve relatie tussen Moeder en Zoon, zoals subonderdeel 1.1.2 aangeeft (zo ook s.t. Verhuurder 16).
subonderdeel 1.2.1dan ook de eis gesteld dat die
verzorging wederkerigmoet zijn om een duurzame gemeenschappelijke huishouding te kunnen vaststellen. Ook kon het hof niet de eis stellen dat een rechtens relevant gebrek aan wederkerigheid erin kan bestaan dat de huurder fysiek niet in staat is de kandidaat-medehuurder wederkerig te verzorgen (zie ook het vonnis in eerste aanleg, rov. 4.8 en de daar genoemde rechtspraak). Om deze reden, en omdat het hof de door de rechtbank geoordeelde bijzondere situatie tot uitgangspunt heeft moeten nemen (subonderdeel 1.1), heeft het hof niet tot zijn bestreden oordeel kunnen komen. Voor zover het hof dit niet heeft miskend, is zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd.
verzorgingtussen de samenwonende(n) (familieleden)
wederkerig moet zijn. Verhuurder heeft aangevoerd dat van een gemeenschappelijke huishouding geen sprake was, omdat er onvoldoende sprake is van wederkerigheid in de relatie tussen Moeder en Zoon (rov. 5.10) – in het algemeen, dus los van het verzorgingsaspect. Dit
kaneen aspect zijn waarom geen sprake is van een gemeenschappelijke huishouding [34] (in het kader van het duurzaamheidsaspect als objectieve factor, zoals het hof overweegt in rov. 1.3 en 5.7) en dat heeft het hof ook op deze wijze onderzocht – en niet zoals de klacht stelt beperkt tot het verzorgingsaspect in enge zin. De beoordeling of sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding vergt een afweging van alle omstandigheden van het geval in onderling verband bezien en is in hoge mate feitelijk van aard. Het hof is voor wat betreft het wederkerigheidsaspect tot de conclusie gekomen, zich even beperkend tot de niet-financiële wederkerigheid, dat daarvan vanwege de aannemelijk geworden vergaande hulpbehoevendheid van Moeder bij terugkeer van Zoon al van aanvang van de samenwoning af geen sprake is geweest. Dat heeft het hof in rov. 5.14 concluderend zo verwoord:
in dit gevalgeen sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding (rov. 5.22).
subonderdeel 1.2.2klaagt, is geen sprake (idem s.t. Verhuurder 40). Dat zou verband houden met het oordeel van de kantonrechter in rov. 4.6 dat de samenwoning niet alleen als motief had verzorging en ondersteuning bieden, maar ook diende om ‘samen te zijn’, maar dat is door het hof uitdrukkelijk besproken in het citaat uit rov. 5.14 van het vorige randnummer. Dat van dat gegeven van ‘samen zijn’ en het voor mantelzorg weer ‘invliegen’ door Zoon als bijzondere situatie moest worden uitgegaan door het hof, zoals dit subonderdeel onder verwijzing naar subonderdeel 1.1 aangeeft, is bij de bespreking van subonderdeel 1.1 al verworpen; de klacht hier is een vergeefse herhaling van zetten (zo ook s.t. Verhuurder 41). De motiveringsklacht faalt ook, omdat daarin niet is aangegeven
waaromhet bestreden oordeel ontoereikend gemotiveerd is. Dat een andere feitelijke afweging van deze omstandigheden met een andere uitkomst ook mogelijk was geweest, maakt niet dat dít hofoordeel de cassatietoets niet kan doorstaan.
klacht onder 1.2.3.awijst op de lovende wijze waarop het hof zich in rov. 5.22 heeft uitgelaten over Zoons zorg voor Moeder. Volgens de klacht heeft het hof hiermee kennelijk tot uitdrukking gebracht dat deze zorg uitstijgt boven de zorg die het hof normaal acht in de relatie tussen een ouder en een kind in de omstandigheden van deze zaak. Die lovende woorden verdragen zich niet, althans niet zonder nadere (ontbrekende) uitleg, met het bestreden oordeel dat het meerdere ontbreekt.
klacht onder 1.2.3.bhebben Moeder en Zoon zich in hoger beroep 1) geschaard achter de vaststelling van de kantonrechter in rov. 4.6. van het vonnis, 2) de intrinsieke wens van Zoon benadrukt om met zijn moeder samen te zijn om haar te verzorgen, zodat zij zo lang mogelijk thuis kan wonen en 3) aangevoerd dat hun samenzijn voor hen deel uitmaakt van de te beschouwen wederkerigheid (mva, 53, 57, 75 en 86). Moeder en Zoon hebben dus aangevoerd dat van meer sprake is dan financiële wederkerigheid alleen, namelijk dat Zoon (ook) metgezel van Moeder wil zijn. Het hof heeft deze stellingen niet verworpen (onder verwijzing naar rov. 5.9 van het bestreden arrest). Aldus moet in cassatie veronderstellenderwijs van de juistheid van deze stellingen worden uitgegaan en daarmee kan het bestreden oordeel niet juist zijn.
klacht onder 1.2.3.cheeft het hof in rov. 5.13 een verklaring van de advocaat van Moeder en Zoon aangehaald volgens welke zij gezamenlijk de huishoudelijke taken uitvoeren. Het hof heeft de feitelijke juistheid van die verklaring verworpen, maar niet de ‘onmiskenbaar’ ook uit die verklaring voortvloeiende stelling dat Moeder wederkerig voor Zoon zou hebben willen zorgen, zo zij daartoe fysiek in staat zijn geweest. Aldus moet, althans veronderstellenderwijs in cassatie, worden vastgesteld dat Zoon en Moeder, zou de Moeder daartoe fysiek in staat zijn geweest, zich wederkerig als elkaars metgezel zouden hebben gedragen in de tussen hen bestaande duurzame gemeenschappelijke huishouding. Bij deze hier aan te nemen wens tot wederkerige verzorging kan de bestreden overweging niet overeind blijven.
hebben willenzorgen, zo zij daartoe fysiek in staat zijn geweest. Daarnaast doet deze stelling ook niks af aan het feitelijke oordeel dat hier van de kant van Moeder wederkerigheid ontbreekt. (In gelijke zin ook s.t. Verhuurder 42(c)).
klacht onder 2.awijst erop dat Moeder en Zoon hebben aangeboden om een medewerkster van WijEindhoven als getuige te doen horen, omdat zij kan verklaren over de samenwoning en de (zorg)situatie van Moeder (mva, p. 13-14, in samenhang bezien met prod 6). Omdat Moeder en Zoon hun eis hebben gebaseerd op de stelling dat zij een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren, waarin het aspect van wederkerigheid een rol kan spelen, ziet dit bewijsaanbod ‘onmiskenbaar’ ook op het aspect van wederkerigheid en daarmee (ook) op wederkerigheid in niet-financiële zin, gelet op de verwijzing in het bewijsaanbod naar de samenwoning en de (zorg)situatie.
voldoende specifiekbewijs aanbiedt van feiten die tot beslissing van de zaak kunnen leiden. Volgens vaste rechtspraak is de vraag of een bewijsaanbod voldoende specifiek is, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij de rechter, mede in verband met de eisen van een goede procesorde, zal moeten letten op de wijze waarop het processuele debat zich heeft ontwikkeld en op het stadium waarin de procedure verkeert. Daarbij geldt dat in hoger beroep van een partij die bewijs door getuigen aanbiedt, in beginsel mag worden verwacht dat zij voldoende concreet aangeeft op welke van haar stellingen dit bewijsaanbod betrekking heeft en, voor zover mogelijk, wie daarover een verklaring zou kunnen afleggen, maar zal in het algemeen niet mogen worden verlangd dat daarbij ook wordt aangegeven wat daarover door getuigen zal kunnen worden verklaard. Wanneer al getuigen zijn gehoord of schriftelijke verklaringen van getuigen zijn overgelegd, zal de eis dat het bewijsaanbod voldoende specifiek en ter zake dienend moet zijn, kunnen meebrengen dat nader wordt aangegeven in hoeverre die getuigen meer of anders kunnen verklaren dan zij al hebben gedaan [35] .
kan verklaren over de samenwoning en de (zorg)situatie van[Moeder]”. Gelet op de vereisten waar een getuigenbewijsaanbod in hoger beroep moet voldoen, is dit onvoldoende specifiek; niet valt in te zien hoe het hof hieruit een getuigenbewijsaanbod had moeten afleiden over het aspect van
niet-financiële wederkerigheidals element in de duurzame gemeenschappelijke huishouding.
klacht onder 2.bwijst erop dat Moeder en Zoon in eerste aanleg een bewijsaanbod hebben gedaan (dgv 13, akte 19 mei 2022 en p-v ea, p. 2 linker kolom onderaan) dat zij in hoger beroep hebben herhaald (mva 52 in de vorm van verwijzing naar hun stellingen in prima met het verzoek deze als herhaald en ingelast te beschouwen). In dat kader en op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep had het hof dat bewijsaanbod in zijn overwegingen moeten betrekken. Daarbij wijst de klacht op het volgende:
klacht onder 3.1.1heeft het hof miskend dat uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat ook de samenwoning tussen familieleden die is gebaseerd op een verzorgingswens en daarmee overeenstemmende verzorgingsbehoefte, als een duurzame gemeenschappelijke huishouding kan worden aangemerkt [36] .
in dit gevalgeen sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding, omdat wederkerigheid van niet-financiële aard ontbreekt en omdat Moeder en Zoon niet de bedoeling hebben gehad om een blijvende en op de toekomstgerichte samenwoning aan te gaan (rov. 5.17-5.22), maakt niet dat het hof de door de klacht aangedragen rechtsregel heeft miskend. (In gelijke zin s.t. Verhuurder 59).
klacht onder 3.1.2ontoereikend gemotiveerd, omdat de bedoeling van partijen om de gang naar het verpleegtehuis zo lang mogelijk uit te stellen een factor is die, anders dan waarvan het hof klaarblijkelijk is uitgegaan, juist kan bijdragen aan het aannemen van een gemeenschappelijke huishouding [37] . Althans is hier sprake van ontoereikende motivering.
kandit een factor zijn die bijdraagt aan het aannemen van een duurzame gemeenschappelijke huishouding, maar dit hoeft niet noodzakelijkerwijs zo te zijn in het licht van de andere omstandigheden van het geval die het hof op goed te volgen wijze heeft uiteengezet. Dit volgt ook zo uit de conclusie van A-G Wissink waar de klacht naar verwijst. Ter aangehaalde plaatse geeft hij immers slechts een overzicht van omstandigheden die relevant zijn geacht in de lagere rechtspraak voor het oordeel dat sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Van een motiveringsgebrek is hier geen sprake (in gelijke zin s.t. Verhuurder 60-61).
klacht 3.2.1heeft het hof de verklaring op een onbegrijpelijke wijze geïnterpreteerd. Zoon heeft deze gedaan in verband met de niet door het hof geciteerde vraag van de kantonrechter omtrent de start van de inwoning bij zijn moeder en niet om uit te spreken dat hij slechts tijdelijk in Nederland wil verblijven.
kunneninterpreteren. Zeker gelet op het feit dat Zoon uit Zuid-Afrika is teruggekeerd om voor zijn moeder te zorgen en dat Moeder en Zoon met het samenwonen de gang naar het verpleegtehuis voor Moeder hebben willen uitstellen (rov. 3.3 en 5.17), kon het hof uit het antwoord van Zoon afleiden dat hij uitgaat van een terugkeer naar Zuid-Afrika als zijn moeder zijn zorg niet meer nodig heeft. De motiveringsklacht treft inhoudelijk dus ook geen doel.
klacht 3.2.2heeft de advocaat van Moeder en Zoon tijdens de mondelinge behandeling bij de kantonrechter, in aanwezigheid en met instemming van Moeder en Zoon, verklaard dat tussen hen een gemeenschappelijke huishouding bestaat en dat deze niet tijdelijk is (p-v ea, p. 2 linker kolom boven het midden ). Dat is ook een reden dat het hof de uitspraak van de Zoon onjuist heeft geïnterpreteerd.
klacht 3.2.3heeft Zoon bij de mondelinge behandeling in eerste aanleg ook verklaard tot de groep van personen te behoren voor wie de door zijn moeder gehuurde woning is bedoeld en dat hij geen starters in de weg zit (p-v ea, p. 4 bovenaan ). In het kader van de devolutieve werking had het hof deze stelling in zijn beschouwingen behoren te betrekken. Het hof heeft deze stelling niet verworpen, zodat van de juistheid daarvan in cassatie moet worden uitgegaan. Het belang van die stelling is dat Zoon aldus heeft laten blijken dat hij ook nadat zijn moeder niet meer in het gehuurde kan blijven, niet naar Afrika terug wil keren, maar in die woning wenst te blijven wonen, om welke reden hij als medehuurder wenst te worden aangemerkt. Het bestreden oordeel is daarom onbegrijpelijk.
klachten onder 3.2.5zijn een herhaling van zetten uit subonderdeel 1.1 en falen op de bij de bespreking daarvan aangegeven gronden.