5.2 De rechtbank heeft het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd. Zij heeft vooropgesteld (rov. 5) dat de grieven de vraag of [eiser 1] en [betrokkene 1] een duurzame gemeenschappelijke huishouding met elkaar voeren in volle omvang aan haar oordeel onderwierpen. Zij heeft voorts vastgesteld (rov. 7) dat geen grieven waren gericht tegen de weergave door de kantonrechter van hetgeen [eiser] c.s. hadden gesteld omtrent het bestaan van een duurzame gemeenschappelijke huishouding (vermeld hiervoor in 5.1) en overwogen (rov. 6) dat [eiser] c.s. in hoger beroep nog hebben gesteld
- dat zij sedert 1986 tezamen de huur en de kosten van de huishouding delen;
- dat zij tezamen het gehuurde schoonmaken;
- dat zij tezamen boodschappen doen;
- dat zij de ochtend- en avondmaaltijden gezamenlijk bereiden en gebruiken;
- dat zij meestal de avonden samen in de woning doorbrengen;
- dat [eiser 1] sinds 1995 de huur van zijn bankrekening heeft betaald;
- dat het "takenpakket" na het herseninfarct van [betrokkene 1] meer op de schouders van [eiser 1] is komen te rusten;
- dat de woning aldus is ingericht dat [eiser] c.s. alle vertrekken, behalve de slaapkamer, gezamenlijk hebben te gebruiken, en
- dat [eiser] c.s. sinds het einde van de studie van [eiser 1] in 1990 zijn blijven samenwonen met het doel deze samenwoning te laten voortduren, dat beëindiging van de duurzame gemeenschappelijke huishouding nooit ter sprake is gekomen en deze na het herseninfarct van [betrokkene 1] is voortgezet mede met de bedoeling dat [eiser 1] zijn grootmoeder zou verzorgen, hetgeen hij ook heeft gedaan.
De rechtbank heeft overwogen (rov. 7) dat hetgeen [eiser] c.s. in eerste aanleg hebben gesteld onvoldoende was om aan te nemen dat [eiser] c.s. bij de aanvang van de samenleving beoogden in de toekomst te blijven samenwonen, met name gelet op het zeer grote leeftijdsverschil en de reden waarom [eiser 1] bij [betrokkene 1] is ingetrokken, terwijl de rechtbank oordeelde aan de voortzetting van de samenwoning na de beëindiging van de studie van [eiser 1] geen doorslaggevend belang te kunnen hechten, nu [eiser 1] toen in [plaats A] is gaan werken, en dat, als [eiser 1] sinds 1998 [betrokkene 1] is gaan verzorgen, dat is gebeurd op een moment waarop geen reële toekomstverwachting meer bestond voor een duurzame gemeenschappelijke huishouding, gelet op de leeftijd en gezondheidstoestand van [betrokkene 1].
Vervolgens oordeelde de rechtbank (rov. 8) dat hetgeen [eiser] c.s. in hoger beroep nog hebben gesteld over het doel van en de wijze waarop zij met elkaar samenwonen, niet tot een ander oordeel kan leiden en dat [eiser] c.s., gelet op hun summiere stellingen dienaangaande in eerste aanleg, niet konden volstaan met het in zeer algemene termen omschrijven van de wijze waarop zij met elkaar samenwonen, zoals in rov. 6 weergegeven, en dat hun bewijsaanbod terzake daarom als onvoldoende concreet werd gepasseerd.