Conclusie
Ik ben de partner van [betrokkene 1] . Ik woon nu al 3,5 jaar samen met [betrokkene 1] op bovengenoemd adres[het adres van de woning, A-G].
Ik wil graag dat mijn naam als medehuurder op het huurcontract komt te staan. Bovendien sta ik sinds 3,5 jaar op dit adres bij de Gemeente Amsterdam ingeschreven.Deze brief is ook door [betrokkene 1] ondertekend.
Toen ik in 1986 in de [a-straat] kwam wonen, woonde [betrokkene 1] al op bovenvermeld adres[het adres van de woning, A-G].
Op een later tijdstip, zo'n 6 jaar geleden, ging zijn vriend, [verweerder] , met hem samenwonen op dit adres.
Mij was gevraagd te verklaren omtrent de bewoning van het appartement dat boven mij gelegen is. Ik kan bij deze meedelen dat, zolang ik [verweerder] ( [verweerder] ) en [betrokkene 1] ( [betrokkene 1] ) ken er bij mijn weten altijd sprake is geweest van een (langdurige) affectieve en exclusieve relatie en dat de heren samen het appartement boven mij hebben bewoond. Ten overvloede wil ik ook graag meedelen dat het mijn hoop is dat, nu [betrokkene 1] is overleden, [verweerder] in de gelegenheid zal blijven om de bewoning van het appartement boven mij voort te zetten. (...) [verweerder] is altijd een goede buurman en rustige bewoner (samen met [betrokkene 1] ) geweest (...).
3.Bespreking van het cassatiemiddel
De rechter wijst de vordering bedoeld in lid 2 in ieder geval af(…)”), zijn deze drie gronden wel limitatief bedoeld [7] . In deze zaak zijn alleen de afwijzingsgrond onder a en de afwijzingsgrond onder b van belang. Zij komen hierna achtereenvolgens aan bod.
de plaats, waar iemand werkelijk woont met zijn gezin, waar hij den zetel zijner fortuin heeft, zijne zaken behartigt, zijne goederen en eigendommen beheert, zoodat men er niet vandaan gaat dan met een bepaald doel en voor een bepaalden tijd en tevens met het plan om als dat doel bereikt is terug te keeren” [11] . Op deze invulling van het begrip hoofdverblijf wordt in de rechtspraak nog steeds teruggegrepen [12] . Aangezien het oordeel van de feitenrechter op dit punt sterk met de feiten is verweven, is het in cassatie niet op juistheid toetsbaar. Er kan in cassatie hoogstens worden getoetst of het in een bepaald opzicht getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en of het toereikend is gemotiveerd.
2.1.10is de klacht dat de brief uit mei 2016 niet het oordeel kan rechtvaardigen dat [verweerder] aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de woning zijn hoofdverblijf had en een duurzame gemeenschappelijke huishouding met [betrokkene 1] voerde, omdat de brief niet, althans niet per se, ziet op de periode tot aan het overlijden van [betrokkene 1] .
2.1.11klagen [eisers] dat het hof buiten de rechtsstrijd is getreden, omdat [verweerder] niet heeft gesteld dat uit de brief blijkt dat hij tot aan het overlijden van [betrokkene 1] zijn hoofdverblijf in de woning had en een gemeenschappelijke huishouding met [betrokkene 1] voerde.
stavingvan de vorderingsgrondslagen van [verweerder] aan de hand van in het geding vaststaande feiten [33] . Van ongeoorloofde aanvulling door het hof van de vorderingsgrondslag van [verweerder] is geen sprake, zodat ook niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden.
2.1.13vervolgt onderdeel 1.b dat geen kenbare aandacht is besteed aan relevante stellingen van [eisers] waarmee gemotiveerd is betwist dat gedurende de door [verweerder] gestelde periode sprake was van een gezamenlijke huishouding (mvg 56-58 en 88) en waarmee zij gemotiveerd hebben gesteld dat de stellingen van [verweerder] niet, of niet zonder meer, geloofwaardig zijn (mvg 43, 66, 67 en 86). Die laatste stelling heeft [verweerder] volgens de klacht onderkend bij mva 34 en 40. Dat levert een ontoereikende motivering op volgens [eisers]
2.1.14 t/m 2.1.20wordt geklaagd over het aspect van de foto’s van [verweerder] en [betrokkene 1] als meegewogen element in rov. 3.10. [eisers] stellen dat zij bij mvg 35 hebben gesteld dat uit de foto’s niet kan worden opgemaakt dat [verweerder] en [betrokkene 1] partners waren, noch dat zij dat op het moment van overlijden van [betrokkene 1] nog steeds waren. Daarop heeft [verweerder] volgens de klacht bij mva 10 gereageerd dat hij tijdens de comparitie in eerste aanleg heeft uitgelegd dat hij met de foto’s inzichtelijk heeft willen maken dat [betrokkene 1] en hij elkaar al geruime tijd kenden, dat op de laatste twee foto’s is te zien dat [betrokkene 1] zich in de laatste fase van zijn leven bevond en dat deze foto’s zijn gemaakt tijdens het laatste gezamenlijke uitje. Volgens de klacht zijn deze stellingen nieuw ten opzichte van wat [verweerder] in eerste aanleg heeft gesteld. Daarbij is van belang dat de rechtbank niet heeft vastgesteld dat [verweerder] een en ander tijdens de comparitie heeft uitgelegd, zo wordt geklaagd.
2.1.19is de concrete klacht hier dat het hof nieuwe stellingen van [verweerder] gedaan bij mva onder 10 aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd, terwijl [eisers] niet verplicht waren op die nieuwe stellingen te reageren en het hof deze stellingen niet zonder mogelijk van reactie van [eisers] daarop aan zijn oordeel ten grondslag mocht leggen.
2.1.20klagen [eisers] dat voor zover het hof wel rekening mocht houden met de stellingen van [verweerder] bij mva 10, het oordeel ontoereikend gemotiveerd is, omdat het hof ten onrechte niet op de stellingen van [eisers] bij mvg 35 heeft gerespondeerd.
2.1.21is de slotklacht van onderdeel 1.b dat het oordeel van het hof over de bewijswaarde van de verklaringen van het tweetal buren ontoereikend is gemotiveerd, omdat daarmee onvoldoende is gerespondeerd op de stellingen van [eisers] bij mvg 34.
onderdeel 1.c, uitgewerkt in
2.1.22 t/m 2.1.49verschillende (voornamelijk motiverings)klachten tegen het oordeel aan het slot van rov. 3.10 dat [eisers] de stellingen van [verweerder] onvoldoende concreet hebben weersproken. Er is in de klachtenbrij sprake van veel herhaling van zetten, maar het leidt allemaal tot niets. In de kern genomen komt het er op neer dat volgens [eisers] het hof bepaalde stellingen van hen niet (kenbaar) zou hebben behandeld en het oordeel daarom ontoereikend gemotiveerd is, dan wel blijkt geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Het is allemaal impliciet verworpen en voor een hernieuwde beoordeling is in cassatie geen plaats. Dat is geen derde feitelijke instantie. Geen enkele klacht treft doel.
2.1.27dat het hof zijn oordeel in rov. 3.10 heeft gebaseerd op (een analyse van) producties van [verweerder] , terwijl daarin geen stellingen in procesrechtelijke zin zijn opgenomen en het hof daarom niet met juistheid of zonder nadere motivering heeft kunnen oordelen dat [eisers] de stellingen van [verweerder] onvoldoende concreet hebben weersproken.
2.1.29e.v. is de klacht telkens hoofdzakelijk dat niet kenbaar is ingegaan op stellingen van [eisers] , zoals die bij grieven onder 1, 3, 5 t/m 7 en in 34, 35, 43 en 45, niet is uitgelegd waarom deze stellingen onvoldoende concreet zijn en ook niet is uitgelegd wat [eisers] nog meer hadden moeten aanvoeren om de stellingen van [verweerder] concreet te weerspreken. Volgens de klachten hebben [eisers] gemotiveerd de stellingen van [verweerder] en de onderliggende producties weersproken. Daarbij wordt vooruit verwezen naar stellingen verderop in subonderdeel 1.c, bijvoorbeeld die in 2.1.36, 2.1.37 en 2.1.39.
2.1.40is de klacht dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat het levenspartnerschap tussen [verweerder] en [betrokkene 1] alles bepalend is voor het aannemen van een hoofdverblijf en een duurzame gemeenschappelijke huishouding en daarmee te oordelen dat het niet van belang is of [verweerder] op de door [eisers] in 2.1.39 genoemde punten stelling inneemt of bewijs kan leveren.
2.1.41 t/m 2.1.47. Zij voeren daar aan dat bij het beoordelen of sprake is van een hoofdverblijf en een duurzame gemeenschappelijke huishouding alle omstandigheden van het geval meewegen, waaronder omstandigheden die tijdens het geding kunnen blijken, zoals dat de samenwoner, ondanks verweer van de verhuurder, geen nadere stellingen inneemt over het hoofdverblijf en de samenwoning. Zij voeren verder aan dat van belang is dat [verweerder] een informatieplicht heeft omdat hij over cruciale gegevens beschikt die op de bewijsthema’s (hoofdverblijf en duurzame gemeenschappelijke huishouding) betrekking hebben.
bij gebrek aan gemotiveerde betwisting daarvan door [eisers] onder deze omstandigheden geen verdere onderbouwing[behoeven]”.
2.2.2 t/m 2.2.14richten [eisers] verschillende klachten tegen de passage dat het zijn van levenspartners op zichzelf al een zwaarwegende aanwijzing vormt voor het voeren van een gemeenschappelijke huishouding en weinig ruimte laat voor twijfel daarover. Dit is een rechtsoordeel, omdat daarmee een (nadere) maatstaf wordt aangelegd voor de beoordeling of sprake was van een gemeenschappelijke huishouding van [verweerder] en [betrokkene 1] . Dat [verweerder] en [betrokkene 1] feitelijk levenspartners waren heeft het hof al in rov. 3.10 geoordeeld [34] , waar het heeft overwogen dat de stellingen van [verweerder] verder worden onderbouwd door de brief, de foto’s en de burenverklaringen. Voor zover de klachten in 2.2.2-2.2.14 motiveringsklachten zijn, kunnen deze als gericht tegen een rechtsoordeel niet slagen [35] .
2.2.2 t/m 2.2.4betogen dat de interpretatie van het hof in rov. 3.11 van het tweetal conclusies (ECLI:NL:PHR:2003:AI0865 en ECLI:NL:PHR:2011:BS8790) is gebaseerd op een feitelijke onjuistheid en dat die interpretatie daarom niet kan worden gevolgd. Volgens [eisers] heeft de A-G in die conclusies namelijk betoogd dat ‘bestendig in hetzelfde bed slapen’ op zichzelf een zwaarwegende aanwijzing vormt voor een gemeenschappelijke huishouding, terwijl het hof in rov. 3.11 heeft geoordeeld dat ‘het zijn van levenspartners’ daarvoor een zwaarwegende aanwijzing vormt. Dit zijn volgens [eisers] twee verschillende dingen.
al gauw” sprake van een gemeenschappelijke huishouding, ook al zou één van de partners misschien niet zo veel aan het huishoudelijk werk of aan de kosten van de huishouding bijdragen [37] .
2.2.5 t/m 2.2.14zijn motiveringsklachten tegen een rechtsoordeel en kunnen om die reden geen doel treffen.
2.2.15 t/m 2.2.17richten [eisers] rechts- en motiveringsklachten tegen de passage in rov. 3.11 dat de reeds in eerste aanleg door [verweerder] betrokken stellingen over zijn bijdrage aan de maandelijkse lasten en de verzorging van [betrokkene 1] totdat dit thuis niet meer ging in het licht van het gegeven dat betrokkenen levenspartners waren voldoende concreet zijn en bij gebrek aan gemotiveerde betwisting door [eisers] onder deze omstandigheden geen verdere onderbouwing behoeven.
2.2.15is de klacht dat dit oordeel onjuist of ontoereikend gemotiveerd is, omdat het vermoeden dat [verweerder] en [betrokkene 1] levenspartners waren niet, of niet zonder meer, betekent dat de stellingen van [verweerder] over zijn bijdrage aan de maandelijkse lasten en de verzorging van [betrokkene 1] totdat dit thuis niet meer ging, voldoende concreet kunnen worden genoemd. [eisers] voeren daartoe aan dat de stellingen van [verweerder] zich niet of niet zonder meer laten bewijzen door het zijn van levenspartners.
2.2.16klagen [eisers] dat zij ten onrechte niet in de gelegenheid zijn gesteld tegenbewijs te leveren tegen het oordeel dat [verweerder] de gestelde bijdrage en verzorging vooralsnog had bewezen.
2.2.17klagen [eisers] dat de passage dat [eisers] de stellingen van [verweerder] onvoldoende gemotiveerd hebben betwist onjuist is voor zover het hof ervan is uitgegaan dat [eisers] hun betwisting verder hebben kunnen laten strekken dan zij hebben gedaan, althans is hier ontoereikend gemotiveerd, omdat het hof niet heeft uitgelegd waarop de betwisting nog meer had kunnen zien.
2.2.18 t/m 2.2.20richten [eisers] klachten tegen de passage uit rov. 3.11 dat de stellingen van [verweerder] over het voortduren van de gemeenschappelijke huishouding na juli 2015 in het licht van het gegeven dat sprake is van levenspartners voldoende concreet zijn te noemen en bij gebrek aan gemotiveerde betwisting door [eisers] onder deze omstandigheden geen nadere onderbouwing behoeven.
2.2.18is dat dit ontoereikend gemotiveerd is, omdat het (eventuele) vermoeden dat [verweerder] en [betrokkene 1] levenspartners waren niet, of niet zonder meer, betekent dat de stellingen van [verweerder] over het voortduren van de gemeenschappelijke huishouding na juli 2015 in het licht hiervan voldoende concreet zijn te noemen.
2.2.19is een herhaling van zetten van die uit 2.2.16 en treft hetzelfde lot. Datzelfde geldt voor de klacht in
2.2.20, dat een herhaling van zetten is van de klacht in 2.2.17.
2.2.21 t/m 2.2.26richten [eisers] klachten tegen de passage in rov. 3.11 dat het hof uit de genoemde feiten en omstandigheden, met name uit het feit dat betrokkenen als levenspartners ongeveer twee jaar in de woning hebben samengewoond, alsmede uit het gezamenlijke verzoek tot medehuurderschap uit 2016, heeft afgeleid dat de gemeenschappelijke huishouding duurzaam was en gericht was op de toekomst, totdat [betrokkene 1] wegens ziekte naar het verpleegtehuis heeft moeten verhuizen.
2.2.21luidt de klacht dat het hof hiermee buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden, omdat het zijn oordeel heeft gebaseerd op feiten en omstandigheden die [verweerder] niet aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd. [verweerder] zou bij mva 27 de duurzaamheid van de gemeenschappelijke huishouding alleen gebaseerd hebben op de stelling dat hij ook na de opname van [betrokkene 1] in het verpleegtehuis zich bekommerde om de thuissituatie en [betrokkene 1] regelmatig in het verzorgingstehuis bezocht.
uit de reeds hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, met name uit het feit dat zij als levenspartners ongeveer twee jaar in de woning hebben samengewoond, alsmede uit het gezamenlijke verzoek tot medehuurderschap uit 2016”. Met ‘de reeds hiervoor genoemde feiten en omstandigheden’ doelt het hof evident op de feiten en omstandigheden die het in rov. 3.10 bespreekt, omdat het daar ook bespreekt dat zij ongeveer twee jaar in de woning hebben samengewoond en gezamenlijk om medehuurderschap van [verweerder] hebben verzocht. [verweerder] heeft volgens het hof dus met verschillende feiten en omstandigheden zijn stelling dat sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding onderbouwd. De klacht mist alweer feitelijke grondslag.
2.2.25klagen [eisers] dat het oordeel ontoereikend is gemotiveerd, omdat het hof niet is ingegaan op de stellingen van [eisers] dat de stellingen van [verweerder] niet of niet zonder meer geloofwaardig zijn (mvg 43, 66, 67 en 86), dat het niet vast staat dat [verweerder] en [betrokkene 1] vanaf maart 2013 tot eind juli 2015 samen in de woning hebben gewoond (mvg 58) en dat [verweerder] niets heeft gesteld over de beginperiode en de bedoeling van [verweerder] en [betrokkene 1] bij aanvang van de samenwoning (mvg 73). Volgens [eisers] zijn deze stellingen essentieel, omdat elk van deze stellingen bij gegrondbevinding ervan aan toewijzing van de vordering in de weg staat.
2.2.27is dat het oordeel dat het hof voorbijgaat aan de stelling van [eisers] dat [verweerder] in de inleidende dagvaarding heeft getracht te verbloemen dat [betrokkene 1] al sinds langere tijd niet meer in de woning verbleef, omdat dit niet, althans onvoldoende concreet is toegelicht, onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd is. Volgens het middel hebben [eisers] bij mvg 66 gemotiveerd gesteld dat [verweerder] op dit punt bij de dagvaarding geen open kaart heeft gespeeld en is het hof ten onrechte niet op die motivering ingegaan en heeft het ook niet uitgelegd op welke punten [eisers] tot nadere uitleg gehouden zouden zijn geweest.
2.3.7dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door zijn oordeel dat de afwijzingsgrond zich niet voordoet exclusief te baseren op de tijdige betaling door [verweerder] van de huur na het overlijden van [betrokkene 1] . Volgens [eisers] ziet de waarborg ‘op de (nabije) toekomst’ en dient de samenwoner om die waarborg te kunnen vaststellen inkomensgegevens te verstrekken. Het feit dat de huur steeds tijdig is betaald, is volgens hen weliswaar een aanwijzing voor de financiële gegoedheid van de samenwoner, maar is niet voldoende om de waarborg te bewijzen. De tijdige huurbetaling biedt alleen informatie over het verleden en niet over de toekomstige mogelijkheid van de samenwoner om de huur tijdig te voldoen, aldus het middel.
2.3.9 t/m 2.3.16klagen [eisers] dat het oordeel dat er geen enkele aanwijzing bestaat dat [verweerder] vanuit financieel oogpunt onvoldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huur, van een onjuiste rechtsopvatting getuigt. Volgens [eisers] heeft het hof daarmee geoordeeld dat de bewijslast ter zake op [eisers] rust, in die zin dat – zo begrijp ik de klacht – zij moeten stellen en indien nodig bewijzen dat [verweerder] onvoldoende financiële waarborg biedt. De bewijslast rust volgens [eisers] echter op [verweerder] en van [eisers] kan geen negatief bewijs worden verlangd. Volgens de klacht heeft het hof, anders gezegd, ten onrechte genoegen genomen met de stelling van [verweerder] dat hij gezien de hoogte van het huurbedrag in staat is de om de maandelijkse huur te voldoen en daar in de afgelopen jaren ook steeds blijk van heeft gegeven. [eisers] menen primair dat het hof had moeten constateren dat [verweerder] geen inkomensgegevens heeft ingebracht en [eisers] daarom hun verweer ter zake voldoende hebben toegelicht. Subsidiair stellen zij zich op het standpunt dat [verweerder] een informatieplicht heeft omdat hij over cruciale gegevens beschikt met betrekking tot het bewijsthema en dat het hof [verweerder] in reactie op het verweer van [eisers] had moeten gebieden de benodigde inkomensgegevens te verschaffen.