Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
3 juli 2018.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal of de verdachte, als ouder, terecht een beroep deed op vrijstelling van de leerplicht voor zijn zoon op grond van artikel 5.b van de Leerplichtwet 1969 vanwege overwegende bedenkingen tegen de richting van het onderwijs, gebaseerd op zijn holistische levensovertuiging.
De verdachte voerde aan dat geen enkele school binnen redelijke afstand van zijn woning de holistische levensovertuiging uitdragen of voldoende bevorderen, waardoor hij zijn zoon niet kon inschrijven zonder de geestelijke ontwikkeling van het kind te schaden. Hij maakte een onderscheid tussen zijn twee kinderen, waarbij één zoon wel naar een christelijke school ging ondanks zijn bezwaren.
Het hof oordeelde dat de bezwaren van de verdachte niet concreet en herkenbaar waren als overwegende bedenkingen tegen de richting van het onderwijs in de zin van de wet, maar eerder betrekking hadden op de organisatie en inrichting van het onderwijs. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat overwegende bedenkingen slechts kunnen worden aangenomen indien deze berusten op een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing, wat bij de holistische levensovertuiging van de verdachte niet het geval is.
Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling wegens overtreding van de Leerplichtwet 1969 blijft in stand.