Conclusie
1.Inleiding
EBT) op basis van een factoringovereenkomst. Ten behoeve van de verkoop van bananen aan Europese afnemers had EBT VFI B.V. (hierna:
VFI) ingeschakeld. ZZC zorgde in opdracht van VFI voor de inklaring, afdracht van invoerrechten, opslag en uitklaring van de bananen van EBT. VFI heeft valse facturen gestuurd aan EBT, ter doorgeleiding aan UIB. UIB heeft zowel VFI en haar feitelijk leidinggevende en (indirect) bestuurders (hierna:
VFI c.s.) als ZZC c.s. aangesproken voor de door haar geleden schade. Deze cassatieprocedure heeft alleen betrekking op de vorderingen jegens ZZC c.s. UIB baseert haar vorderingen primair op onrechtmatig handelen van [eiser 2] /ZZC bestaande uit, kort gezegd, hun betrokkenheid bij en/of het faciliteren van het handelen van VFI c.s., en/of het schenden van een zorgplicht jegens EBT en UIB nadat bij hen het vermoeden ontstond dat de bananenhandel van EBT een dekmantel vormde voor drugssmokkel, en/of gevaarzetting door (de bestuurder van) VFI bij EBT te introduceren/bij haar aan te bevelen als verkoper. Subsidiair beroept UIB zich op groepsaansprakelijkheid (art. 6:166 BW Pro). Jegens [eiser 2] , [Holding] en ZZC Beheer beroept UIB zich mede op bestuurdersaansprakelijkheid.
2.Feiten
[betrokkene 1]) was één van de toenmalige directeuren van UIB. Hij was ten tijde van het verstrekken van de financiering aan EBT de betrokken relatiemanager.
[betrokkene 2]) was indirect aandeelhouder en procuratiehouder van EBT. EBT had geen personeel in dienst. De voorgenomen bedrijfsactiviteiten van EBT bestonden uit het exporteren van bananen vanuit Zuid-Amerika naar Europa.
SK Holding) was bestuurder en enig aandeelhouder van VFI. [betrokkene 3] (hierna:
[betrokkene 3]) was bestuurder van SK Holding. [betrokkene 4] (hierna: [betrokkene 4] ) is de echtgenoot van [betrokkene 3] . [betrokkene 4] onderhield van de zijde van VFI de commerciële contacten met betrekking tot de bananenhandel, waaronder de contacten met EBT. [betrokkene 4] kan worden aangemerkt als feitelijk leidinggever van VFI.
factoringovereenkomst). [2] Daaraan voorafgaand is de financiering door UIB op andere basis verleend.
VFI c.s.) en ZZC c.s. aan UIB overgedragen.
3.Procesverloop
In eerste aanleg
rechtbank) bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
vonnis) heeft de rechtbank de vorderingen jegens VFI c.s. grotendeels toegewezen. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat evident is dat [betrokkene 4] een onrechtmatige daad heeft gepleegd jegens UIB. [betrokkene 4] heeft bewust onware en misleidende informatie verstrekt aan UIB, met het kennelijke doel om UIB ertoe te bewegen om op basis van valse facturen aanvullende financiering aan EBT te (blijven) verstrekken. Dat stelde VFI c.s. in staat om de activiteiten met betrekking tot de bananenhandel te kunnen continueren en daaruit inkomsten ten behoeve van VFI c.s. te genereren, met (voorzienbaar) grote schade voor UIB tot gevolg. (r.o. 4.8)
hof) in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank, voor zover gewezen tussen UIB en ZZC c.s. UIB concludeert tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank en vordert dat het hof, opnieuw rechtdoende – kort gezegd – ZZC c.s. hoofdelijk zal veroordelen tot vergoeding van de door haar geleden schade, alsmede gemaakte kosten, waaronder ook beslagkosten, steeds te vermeerderen met de wettelijke rente, met veroordeling van ZZC c.s. in de proceskosten en de nakosten. Voor wat betreft de hoofdsom heeft UIB haar oorspronkelijke eis verminderd tot de schade die de rechtbank heeft begroot en tot betaling van welk bedrag zij VFI c.s. heeft veroordeeld [5] (€ 6.408.685,--, te verminderen met reeds ontvangen betalingen van € 193.010,-- per 7 maart 2014, van € 100.016,88 per 16 april 2014 en met eventueel uit de failliete bedel van M2M GmbH te ontvangen bedragen). [6]
bestreden arrest) heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd, UIB veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep en de veroordeling in de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Het hof oordeelt tevens dat [eiser 2] niet onrechtmatig heeft gehandeld door [betrokkene 4] als handelspartner aan [betrokkene 2] /EBT voor te stellen (r.o. 6.23-6.31).
4.Bespreking van het cassatiemiddel
collecting agentbetalingen voor en namens EBT in ontvangst nemen.
met medeweten van EBTplaatsvond door en op naam van VFI. Ook heeft UIB gesteld over de periode voor eind mei, toen nog geen factoring plaatsvond, geen schade te hebben geleden. [11]
verkoopvan de bananen van EBT door VFI onvoldoende heeft onderbouwd (vgl. ook het rapport van [betrokkene 7] . p. 25: 'De logistieke dienstverlener ZZC staat volledig buiten de koopovereenkomsten [...]’ ). Ook de gesprekken van [eiser 2] met [betrokkene 6] en [betrokkene 5] bieden geen voldoende steun voor het hier bedoelde verwijt.
Onder avoert het subonderdeel aan dat het hof een te beperkte uitleg heeft gegeven aan de stellingen van UIB. De stellingen van UIB hadden onmiskenbaar een ruimere strekking dan enkel dat [eiser 2] /ZZC als ‘handelaar’/verkoper betrokken was bij de verkoop van de EBT-bananen. UIB heeft betoogd dat ZZC rechtstreeks inzicht had in en betrokken was bij de verkoop door VFI van de EBT-bananen op naam van VFI met dermate ongebruikelijke partijen en tegen dermate ongebruikelijke verkoopvoorwaarden dat ZZC als professionele partij wist en begreep dat de economische rationale in de handelswijze van VFI ontbrak. UIB wees daarbij op e-mailcorrespondentie tussen [eiser 2] , VFI en afnemer van EBT-bananen ‘The Green Grocer’ geheten, waaruit blijkt dat [eiser 2] /ZZC rechtstreeks contacten onderhield over de handel van VFI in de EBT-bananen, waarbij [eiser 2] op de hoogte werd gehouden van verkopen en betrokken werd bij zaken die deze afnemer
‘delicate’achtte. Ook wijst UIB op haar stelling ‘dat zeer regelmatig in ladingen uit boten waaruit aan The Green Grocer werd geleverd, de lading door de douane is vernietigd, wat gedaan wordt wanneer er smokkelwaar in de lading is aangetroffen.’ [12]
verkoop’. Deze samenvatting van de stellingen van UIB vind ik niet onbegrijpelijk. De in het subonderdeel bedoelde stellingen zijn onderdeel van – de 25 pagina’s beslaande – grief 1 met als kop ‘Onjuiste/onvolledige vaststelling feiten’. De stelling, uit de aanhef van par. 26 (xix) van de memorie van grieven, dat ZZC rechtstreeks inzicht had in en betrokken was bij de verkoop (…) volgt op een passage waarin UIB stelt:
bill of lading,waarop EBT als
consigneeis vermeld en VFI als
notify, betrekking heeft op een levering bananen aan of voor afnemer The Green Grocer. Deze
bill of ladingheeft betrekking op 160 pallets Cavendish bananen. In de als productie 62 t/m 65 overgelegde e-mailcorrespondentie tussen ZZC ( [eiser 2] ) en The Green Grocer, genoemd in par. 26 (xix), onder 2-7 van de memorie van grieven, wordt EBT evenmin genoemd. De omschrijving van de bananen, voor zover die wordt gegeven in die e-mails, betreft de merken Mamamia, Monteverde en Don Hess. [21] Niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is daarom het oordeel van het hof dat UIB op dit punt onvoldoende heeft gesteld.
[betrokkene 7]) noemt, missen zij feitelijke grondslag. Uit de manier waarop het hof naar het rapport van [betrokkene 7] verwijst en uit hetgeen het hof daaruit citeert leid ik niet af dat het hof van oordeel is dat het rapport iets afdoet aan UIB’s stellingen. Het hof verwijst door middel van ‘vgl.’ naar dit rapport. Het uit het rapport aangehaalde citaat lijkt te dienen als schets van wat de gebruikelijke rol van de logistieke dienstverlener is en in dit geval, naar moet worden aangenomen, ook de rol van ZZC c.s. was, bij gebrek aan voldoende onderbouwing van de betrokkenheid van ZZC c.s. bij de verkoop van de bananen van EBT. De bevindingen uit het rapport onderstrepen dat betrokkenheid van een logistiek dienstverlener bij de verkoop onderbouwing behoeft.
Onder abevat het subonderdeel de klacht dat het hof een te beperkte en daarom onbegrijpelijke uitleg heeft gegeven aan de stellingen van UIB op dit punt. Het subonderdeel wijst op de stellingen van UIB dat [eiser 2] wist/begreep, in ieder geval vanaf juli 2012, dat VFI op onzakelijke voorwaarden de EBT-bananen op de markt dumpte, dat een economische rationale ontbrak aan de wijze waarop VFI de EBT-bananenhandel dreef en dat EBT/UIB geen zicht hadden op het onzakelijke handelen van VFI. [23] Ook heeft UIB erop gewezen dat ZZC c.s. zelf in de procedure hebben gesteld dat er financieel beschouwd geen economische rationale was om grote aantallen bananen naar Nederland te gaan vervoeren op het moment dat de vraag erg laag ligt omdat de verkoopprijzen fors onder de inkoopprijs liggen [24] en dat [eiser 2] /ZZC in ieder geval vanaf juli 2012 zag dat VFI op grote schaal de EBT-bananen aan het dumpen was (d.w.z. onder de kostprijs), [25] waarbij de EBT-bananen bovendien van inferieure kwaliteit waren, onjuist verpakt en te rijp verscheept. [26] Gelet op de verzoeken om informatie van [betrokkene 2] /EBT aan [eiser 2] /ZZC omdat VFI bepaalde informatie en documenten niet aanleverde, was het voor [eiser 2] /ZZC ook duidelijk dat EBT geen zicht had op de handelswijze van VFI. [27]
Van belang is tevens dat r.o. 6.13 en 6.14 er op zien op
welk moment[eiser 2] /ZZC van het onzakelijke handelen van VFI op de hoogte raakte. Daarop zien met name de stellingen van UIB in haar brief van 31 mei 2021, waarin zij verwijst naar de gesprekken van [eiser 2] met [betrokkene 6] en [betrokkene 5] . In de andere in het subonderdeel opgegeven vindplaatsen wordt ter onderbouwing verwezen naar de bij bespreking van subonderdeel 2.2.1 besproken stellingen over de e-mailcorrespondentie tussen ZZC en The Green Grocer, die het hof in r.o. 6.12 in zijn beoordeling heeft betrokken. Ook verwijst UIB in memorie van grieven (xix), onder 8 naar de door haar als productie 32 (p. 7) overgelegde verklaring van [eiser 2] dat in de periode dat de bananen van EBT binnenkwamen het barstte van de cocaïne die met die bananen meekwam en verwijst zij naar een passage uit het als productie F bij conclusie van antwoord overgelegde Hermesrapport. De aangehaalde zin uit de verklaring van [eiser 2] ziet niet op het moment dat [eiser 2] /ZZC wist van het onzakelijke handelen van VFI en in de passage uit het Hermesrapport wordt evenmin melding gemaakt van een datum waarop [eiser 2] /ZZC wist van het ontbreken van een economische rationale. Dat het hof zich in r.o. 6.13 dus met name richt op het door UIB gemaakte verwijt, gelet op hetgeen [eiser 2] heeft of zou hebben verklaard in de gesprekken met [betrokkene 6] en [betrokkene 5] , is niet onbegrijpelijk.
Of [eiser 2] /ZZC wist of EBT al dan niet zicht had op de handelswijze van VFI is pas relevant als vaststaat dat [eiser 2] /ZZC vanaf juli 2012 wist van, kort gezegd, de onzakelijke aard van de handel door VFI. Dat het hof de stellingen van UIB op dit punt niet bespreekt in r.o. 6.13 en 6.14 maakt die overwegingen daarom evenmin onbegrijpelijk.
[betrokkene 8]) vormen geen voldoende (begrijpelijke) motivering van het oordeel van het hof, gelet op de inhoud van die verklaring en gelet op de in subonderdeel 2.2.2 onder a aangehaalde stellingen van ZZC c.s. De verklaring van [betrokkene 8] wijst er juist op dat [eiser 2] /ZZC wel eerder dan eind 2012 wist dat de EBT-bananen voor onzakelijke prijzen werden verkocht. Het subonderdeel beroept zich op het onderstreepte deel van de navolgende alinea uit de verklaring van [betrokkene 8] :
[betrokkene 4] regelmatig aangaf dat er geen beste prijzen werden gehaald en kwam hij met kommer en kwel verhalen dat er soms tegen dumpprijzen verkocht moest worden (i.v.m. de kwaliteit). Dat wisten wij helemaal niet, maar wel dat de bananenprijzen in de zomer laag zijn en desondanks VFI meer bananen liet komen.’ [28]
voor dezeeen dekmantel vormde voor het smokkelen van cocaïne. In deze procedure is niet komen vast te staan dat EBT/ [betrokkene 2] betrokken was bij cocaïnesmokkel. Ook gelet daarop is begrijpelijk dat het hof het vermoeden en niet de wetenschap bij [eiser 2] tot uitgangspunt neemt. Het subonderdeel is in zoverre tevergeefs voorgesteld.
subonderdelen 2.3 en 2.4zijn gericht tegen r.o. 6.15 t/m 6.22.
subonderdeel 2.3.5is gericht tegen het oordeel van het hof dat op [eiser 2] /ZZC geen rechts-/zorgplicht heeft gerust om geen ladingen meer van EBT af te handelen. Het beroept zich op een zestal stellingen, namelijk dat:
(i) [eiser 2] wist en begreep dat de EBT-bananenhandel door een bank werd gefinancierd op voorwaarde van verpanding c.q. factoring;
(ii) [eiser 2] /ZZC rechtstreeks betrokken was bij de bemiddeling en verkoop van EBT-bananen aan (de niet normale handelaar) The Green Grocer;
(iii) [eiser 2] /ZZC wist/begreep dat VFI vanaf juli 2012 de EBT-bananen op onzakelijke voorwaarden aan het verkopen was waarbij EBT en UIB geen volledig en correct zicht hadden op de onzakelijke praktijken van VFI;
(iv) [eiser 2] /ZZC in de loop van het tweede kwartaal van 2012 wist/begreep dat de EBT-bananen werden gebruikt als dekmantel voor cocaïnesmokkel;
(v) [eiser 2] [betrokkene 4] bij [betrokkene 2] /EBT als handelspartner had geïntroduceerd ondanks dat hij wist dat [betrokkene 4] onbetrouwbaar was en zonder [betrokkene 2] /EBT te informeren dat [betrokkene 4] nog een aanzienlijke schuld had bij ZZC en ZZC er daarom belang bij had dat [betrokkene 4] weer inkomsten zou genereren;
(vi) ZZC met VFI afspraken had gemaakt dat VFI – in strijd met de afspraken tussen EBT, VFI en UIB – steeds op eigen naam en voor zichzelf factureerde en incasseerde en dat ZZC daarbij – in strijd met wat juridisch correct en in de praktijk gebruikelijk is – zo heeft gehandeld om naar derden toe iedere link tussen EBT en de EBT-bananen te verhullen om zo te verhinderen dat de financier van EBT (UIB) effectief enig (stil) pandrecht zou kunnen uitoefenen en te voorkomen dat ZZC de dupe zou worden van de verlieslatende praktijken van VFI waarbij [eiser 2] /ZZC de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat VFI de eigendommen die EBT/UIB toekwamen kon verduisteren en EBT/UIB als gevolg van het handelen van VFI grote schade zouden lijden.
Het subonderdeel stelt dat het oordeel van het hof op grond van eerdere klachten niet in stand kan blijven voor zover het hof deze met bewijsaanbiedingen gesterkte stellingen als onvoldoende onderbouwd heeft gepasseerd. Voor zover het hof deze stellingen niet (voldoende) kenbaar bij zijn oordeel heeft betrokken, is het onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd en voor zover het hof deze stellingen niet van belang achtte voor de beoordeling, geeft het blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
collecting agentde vorderingen van EBT op haar afnemers te incasseren, als onvoldoende onderbouwd verworpen. Het tegen dit oordeel gerichte subonderdeel 5.1.1 slaagt mijns inziens niet (zie hierna onder 4.91 e.v.).
voor en namensEBT was ingeschakeld, [eiser 2] /ZZC dit wist én dat ZZC regelmatig instructies ontving van en in contact was met EBT.
subonderdelen 2.4.7 en 2.4.8zijn gericht tegen overwegingen ten overvloede in r.o. 6.20 en 6.21. Zij behoeven daarom geen behandeling.
Onder astelt het subonderdeel dat het hof een onbegrijpelijke, want onmiskenbaar te beperkte, uitleg heeft gegeven aan de stellingen van UIB. [57] Door UIB is betoogd dat de primaire vraag niet is of [eiser 2] wist dat [betrokkene 4] wegens factoringfraude was veroordeeld, maar of hij wist dat hij met [betrokkene 4] /VFI aan [betrokkene 2] een voor EBT onbetrouwbare zakelijke partner introduceerde. Daarbij heeft UIB ook gewezen op het feit dat [betrokkene 4] failliet was gegaan en ZZC nog geld van hem tegoed had.
nietin te lichten dat [betrokkene 4] /VFI geen betrouwbare partij voor EBT was, namelijk omdat de ZZC-VFI-afspraak impliceert dat ZZC c.s. zelf gebruik maakten van die onbetrouwbaarheid van [betrokkene 4] /VFI jegens EBT. [63]
Gelet op hetgeen ik hiervoor, onder 4.31-4.33 bij de bespreking van subonderdeel 2.2.4 heb opgemerkt, komt geen bijzondere betekenis toe aan schending van de waarheids- en volledigheidsplicht door [eiser 2] /ZZC. Wel is relevant, maar gelet op het feit dat het oordeel van het hof over de stelplicht van UIB ook los daarvan onbegrijpelijk of onjuist is, niet doorslaggevend, dat informatie over het moment waarop [eiser 2] /ZZC op de hoogte raakte van de eerdere factoringfraude van [betrokkene 4] zich in het bewijsdomein van [eiser 2] /ZZC bevindt.
collecting agentvoor EBT de vorderingen op de afnemers van EBT mocht incasseren is blijven voortduren. Voor zover UIB stelt dat ZZC al voor september van het bestaan van de factoringovereenkomst op de hoogte is geraakt, of althans dat ZZC reeds voor september wist dat VFI niet langer gerechtigd was om als
collecting agentde vorderingen van EBT op haar afnemers te incasseren, volgt het hof UIB niet in haar stelling. UIB heeft haar stelling dat ZZC weliswaar 'officieel' niet is geïnformeerd door EBT/UIB, maar in werkelijkheid wel degelijk geacht moet worden van het voorgaande op de hoogte te zijn, tegenover de gemotiveerde betwisting ervan door ZZC c.s., onvoldoende onderbouwd. Het voorgaande geldt ook voor de stelling van UIB dat ZZC ervan op de hoogte was dat VFI de EBT-bananen slechts op naam van EBT mocht verkopen en niet in eigen naam en aldus in strijd handelde met hetgeen VFI met EBT was overeengekomen.
collecting agentde vorderingen van EBT op haar afnemers incasseerde.
collecting agentde vorderingen van EBT op haar afnemers te incasseren (ii) ZZC ervan op de hoogte was dat VFI de EBT-bananen slechts op naam van EBT mocht verkopen en niet in eigen naam.
Het subonderdeel stelt
onder adat het hof met deze overwegingen een onbegrijpelijke – want te beperkte – uitleg heeft gegeven aan de stellingen van UIB. Het subonderdeel voert aan dat door UIB is gesteld dat [eiser 2] /ZZC vanaf het begin wist dat de EBT-bananenhandel door een bank zou worden gefinancierd op voorwaarde van verpanding c.q. factoring. Dit was [eiser 2] door [betrokkene 2] medegedeeld en [eiser 2] wist dat [betrokkene 2] /EBT zelf niet over de benodigde financiële middelen beschikten. Ook voert het subonderdeel aan dat – tegen die achtergrond – [eiser 2] /ZZC met VFI de ZZC-VFI afspraak maakte om daarmee te verhinderen dat de financier van EBT (UIB) effectief enig (stil) pandrecht zou kunnen uitoefenen. Hieraan doet niet af dat ZZC niet voor september 2012 ‘officieel’ was geïnformeerd over de factoringovereenkomst of dat VFI niet langer als
collecting agentde gelden voor EBT mocht ontvangen.
Onder bvoert het subonderdeel aan dat het hof te hoge eisen stelt aan de stelplicht van UIB door in weerwil van de stellingen van UIB te oordelen dat zij niet aan haar stelplicht heeft voldaan en dat de verwijzing van het hof in r.o. 6.46 naar de verklaring van [eiser 2] geen voldoende (begrijpelijke) motivering vormt van de afwijking van de hoofdregel dat degene die een ander onrechtmatig handelen verwijt in beginsel niet meer hoeft te stellen dan de feiten die tot de conclusie kunnen leiden dat van onrechtmatig handelen sprake is en dat bij een betwisting van die feiten in beginsel de vraag naar bewijslevering ter tafel komt.
Het subonderdeel bevat
onder cde klacht dat de onjuistheid c.q. onbegrijpelijkheid van het oordeel van het hof te meer volgt uit de omstandigheid dat op ZZC c.s. een verzwaarde motiveringsplicht rust en dat ZZC c.s. art. 21 Rv Pro hebben geschonden. UIB verwijst ter onderbouwing naar hetgeen zij in de subonderdelen 2.2.4 en 2.2.5 heeft aangevoerd.
collecting agentde vorderingen van EBT op haar afnemers mocht incasseren. ZZC is nooit geïnformeerd dat dit vanaf medio 2012 niet langer geoorloofd was. Van het bestaan van een factoringovereenkomst is zij eerst in september 2012 op de hoogte geraakt, toen zij een e-mail van EBT ontving met informatie daarover. (r.o. 6.43)
collecting agentde vorderingen van EBT op haar afnemers te incasseren en niet slechts of EBT beoogde de financiering op basis van factoring c.q. verpanding te verkrijgen. Daarmee getuigt de bestreden overweging niet van een te beperkte uitleg van de stellingen van UIB. Dat het hof heeft geoordeeld dat UIB haar stelling onvoldoende heeft onderbouwd in het licht van de verklaring van [eiser 2] vind ik, mede gelet op de inhoud van de verklaringen van [eiser 2] waarop ook UIB zich beroept en waar [eiser 2] wijst op de andere handelwijze, niet onjuist of onbegrijpelijk. Het hof mocht hier een nadere concretisering verlangen. Op ZZC c.s. rustte ten aanzien van dit punt geen verzwaarde motiveringsplicht. Wat zij wisten over de financiering van EBT behoort niet uitsluitend tot hun domein, maar eveneens tot dat van EBT (en UIB) en ten aanzien van de financiering van de handel moeten ZZC c.s. ook niet bij uitstek deskundig worden geacht. Zie voor het juridisch kader ten aanzien van de stelplicht hiervoor, onder 4.13 e.v. en over de motiveringsplicht ten aanzien van de betwisting onder 4.34 e.v. Het oordeel van het hof is evenmin onjuist of onbegrijpelijk in het licht van [eiser 2] schending van de waarheidsplicht. Ik verwijs naar wat ik daarover hiervoor onder 4.31-4.33 heb opgemerkt. Het subonderdeel faalt voor zover het betrekking heeft op de stelling van UIB over de kennis bij [eiser 2] /ZZC over de wijze van financiering van de bananenhandel.
Subonderdeel 5.2.1bevat een voortbouwende klacht gericht tegen de herhaling door het hof van zijn eerdere beslissingen in r.o. 6.51 en 6.52 over het verwijt dat ZZC EBT niet heeft geïnformeerd over haar ‘niet pluis’ gevoel en dat ZZC zelf actief heeft meegewerkt aan de handel en de introductie van [betrokkene 4] bij [betrokkene 2] /EBT.
Subonderdeel 5.2.2bevat een klacht gericht tegen r.o. 6.46 en 6.47 voor zover het hof daar heeft geoordeeld dat ZZC met VFI de afspraak
mochtmaken dat VFI op eigen naam de vorderingen op de afnemers van de EBT-bananen zou incasseren omdat ZZC, zoals het hof in r.o. 6.46 overweegt, ‘ZZC ook een legitiem belang [had] dat zij van VFI de voor VFI voorgeschoten invoerrechten weer vergoed zou krijgen.’
in zoverreeen legitiem
belangbij had dat zij van VFI de voorgeschoten invoerrechten weer vergoed zou krijgen.
Subonderdeel 5.2.3stelt dat het oordeel van het hof over UIB’s subsidiaire grondslag onjuist en/of onbegrijpelijk is omdat het hof de door UIB gestelde omstandigheden, zoals door het hof genoemd in r.o. 6.42, slechts afzonderlijk van elkaar heeft beoordeeld en niet (ook) in onderlinge samenhang met elkaar.
Subonderdeel 5.2.4stelt dat het hof in r.o. 6.49 en 6.50 miskent dat ZZC naar derden toe iedere link tussen EBT en haar bananen verbrak en VFI daarmee in staat stelde zich als rechthebbende van de bananen voor te doen. Ik begrijp de klacht aldus dat het hof hieraan voorbij heeft gezien. Het subonderdeel stelt vervolgens dat het hof daarom een te beperkte uitleg heeft gegeven aan de stellingen van UIB terzake. Dit klemt te meer, aldus het subonderdeel, gelet op het feit dat toen EBT de afnemers van de EBT-bananen in september 2012 aanschreef, VFI de tenaamstelling van de CMR-vrachtbrieven en administratie van de EBT-bananen op naam van VFI in het veem van ZZC ook daadwerkelijk gebruikte om zich als rechthebbende van de bananen voor te doen, zodat ZZC aldus VFI daadwerkelijk rugdekking heeft gegeven.
Subonderdeel 5.2.5bevat ten eerste de klacht dat het oordeel van het hof onjuist en/of onbegrijpelijk is omdat het hof geen aandacht heeft het besteed aan de door UIB genoemde omstandigheid dat ZZC vanaf medio september 2012 VFI bovendien rugdekking is gaan geven om het voor VFI mogelijk te maken te blijven incasseren op eigen naam en voor zichzelf, zoals door het hof genoemd in r.o. 6.42 (vi).