ECLI:NL:PHR:2024:866
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep in civiele verzetprocedure tegen belastinginvordering
Verzoeker, een ondernemer die woningen exploiteert en bemiddelt, kwam in verzet tegen een dwangbevel van de Belastingdienst voor 18 belastingaanslagen die ambtshalve waren opgelegd. Zowel de rechtbank als het hof Den Haag verklaarden het verzet ongegrond en bekrachtigden het vonnis. Verzoeker stelde vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad, maar deed dit niet op de voorgeschreven wijze: het beroep werd persoonlijk ingediend in plaats van elektronisch via een cassatieadvocaat.
De griffie van de Hoge Raad wees verzoeker op de procedurele gebreken en gaf hem een hersteltermijn, die niet werd benut. Verzoeker verzocht om verlenging van de termijn, maar dit werd afgewezen omdat de cassatietermijn van openbare orde is. Ondanks correcte informatie en waarschuwingen bleef verzoeker vasthouden aan zijn eigen procedurele opzet en werd hem toegestaan te procederen alsof het een belastingzaak betrof, wat niet juist was.
De Procureur-Generaal concludeert dat verzoeker niet ontvankelijk is in zijn cassatieberoep omdat hij niet voldeed aan de wettelijke vereisten en de herstelmogelijkheid niet heeft benut. Er is geen sprake van verschoonbare termijnoverschrijding of misleiding door de griffie. Het cassatieberoep wordt daarom afgewezen zonder inhoudelijke behandeling van de middelen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-naleving van de voorgeschreven procedure.