Uitspraak
1.Procesverloop
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid
3.Beslissing
27 september 2024.
Hoge Raad
In deze zaak heeft verzoeker tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad verwijst voor het geding in de feitelijke instanties naar eerdere uitspraken van de rechtbank Den Haag en het gerechtshof Den Haag.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekte tot niet-ontvankelijkheid van verzoeker omdat de procesinleiding niet tijdig was ingediend via elektronische weg door een cassatieadvocaat, zoals vereist op grond van de artikelen 397 lid 1, 402 lid 1 en 407 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Verzoeker heeft niet binnen de gestelde termijn van twee weken gereageerd op deze conclusie en de Hoge Raad zag geen aanleiding om alsnog herstel van het verzuim toe te staan. Daarom verklaarde de Hoge Raad verzoeker niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep.
Het arrest is gewezen door de vicepresident als voorzitter en vier raadsheren en in het openbaar uitgesproken door een raadsheer op 27 september 2024.
Uitkomst: Verzoeker is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige indiening van de procesinleiding en het niet herstellen van het verzuim.